Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-12
ECLI:NL:RBLIM:2025:8663
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,807 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/330541 / HA ZA 24-225
Vonnis van 12 maart 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. N.P.H. Vissers,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
woonachtig op een geheim adres te Sittard-Geleen,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. M.J.A. Gaber.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 september 2024
- het formulier B8 met productie 7 van [eiseres]
- het proces-verbaal van descente en aansluitende mondelinge behandeling van 7 januari 2025
- de spreekaantekeningen tevens eiswijziging/eisvermeerdering van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend [kadasternummer 1] . Zij woont hier vanaf 1973.
2.2.
[gedaagde sub 1] is sinds 7 mei 2014 eigenaar van het perceel aan de [adres 2] te
[woonplaats] , kadastraal bekend [kadasternummer 2]. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn gehuwd. [gedaagde sub 1] heeft in 2014 de gehele tuin laten rooien.
2.3.
Partijen zijn achterburen. Hun achtertuinen grenzen aan elkaar.
2.4.
In 2016 hebben partijen samen besloten een grijze muur te laten plaatsen, waarbij is afgesproken dat deze muur op de perceelsgrens zou komen te staan (hierna ook: de grijze muur). [gedaagde sub 1] heeft vervolgens een bedrijf ingeschakeld dat de muur heeft gebouwd. Partijen hebben ieder de helft van de kosten betaald. Tijdens het maken van deze muur was [gedaagde sub 1] steeds aanwezig. Toen wijlen de heer [naam echtgenoot] , de echtgenoot van [eiseres] , kwam kijken, waren de betonnen palen al in de grond gezet. Vanaf dat moment is hij aanwezig geweest tot de bouw klaar was. Na voltooiing van de grijze muur heeft wijlen heer [naam echtgenoot] noch [eiseres] opmerkingen over de plaats van de muur gemaakt.
2.5.
Bij brief van 12 juli 2021 heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] verweten dat hij zich grond toegeëigend heeft die haar eigendom is. Zij heeft hem gesommeerd het gebruik van de bewuste strook grond te staken en de taxushaag bij haar oprit te verwijderen, omdat deze volgens haar op haar perceel staat.
2.6.
Bij brief van 21 juli 2021 heeft [gedaagde sub 1] - kort gezegd - het volgende laten weten:
“(...) Wij hebben ons geen grond toegeëigend. We hebben de taxusplanten geplaatst op uw perceel ter vervanging van de door ons, in overleg met u en uw echtgenoot, gerooide taxushaag welke uw eigendom was. (...) Wij hebben jarenlang de haag, in overleg met u en uw echtgenoot, bijgehouden en waren derhalve zeer ontdaan dat u zonder overleg en ondeskundig de haag aan het snoeien was. (...). Samengevat:
De haag staat op uw perceel. (...) Wij zijn niet voornemens de haag te verwijderen. (...)”
2.7.
Bij brief van 27 september 2021 heeft (de rechtsbijstandsverzekeraar van) [eiseres] aan [gedaagde sub 1] - kort gezegd - het volgende bericht. De erfgrens loopt tussen de haag, die op de grond van [eiseres] staat, en het door [gedaagde sub 1] geplaatste hekwerk. [gedaagde sub 1] heeft een verhoging van 50 cm aangebracht aan de achterzijde van hun perceel tot aan de garage van [eiseres] . Daarmee bevindt een deel van die verhoging zich op het perceel van [eiseres] . Verder heeft [gedaagde sub 1] een afrastering geplaatst die loopt tot aan haar garage, waardoor deze op haar perceel staat. [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] gesommeerd voor 1 november 2021 een einde te maken aan de onrechtmatige situatie. Bij de brief waren foto’s gevoegd.
2.8.
Bij e-mailbericht van 30 september 2021 heeft [gedaagde sub 1] - kort gezegd - aan [eiseres] het volgende laten weten:
“(...) Onze woning is grondig verbouwd en daarmee ook de tuin geheel nieuw aangelegd. De heer en mevrouw
[eiseres] waren heel blij met de vernieuwingen en daar waar het de erfafscheiding betrof hebben we gezamenlijk overleg gevoerd hoe hier hiermee pragmatisch om te gaan naar tevreden van eenieder.
Achter de garage is in overleg een nieuwe erfafscheiding opgetrokken (in uw dossier “muur” genoemd). Deze is gedeeltelijk te zien op de foto in het genoemde dossier op pagina 5.
Tussen de garage en ons perceel is een strook van ongeveer 10 tot 20 cm welke eigendom is van mevr. [eiseres] . Deze situatie is ontstaan doordat de aannemer die de garage gebouwd heeft, zich vermeten heeft. Toentertijd (ca. 5 tot 6 jaar geleden) is afgesproken dat het ’t beste is dat wij dat strookje grond maar bij onze tuin zouden betrekken, net zoals de vorige bewoner deed. Zij wilden immers niet hebben dat wij belast werden met ongewilde onkruidgroei op dat smalle strookje waar zij immers niet bij kunnen voor onderhoud.
Naderhand heb ik het bestaande gazon vervangen door klinkers en het perceel aan onze zijde geëgaliseerd. In het
dossier wordt dit een verhoging genoemd van 50 cm. In werkelijkheid is dit aan het einde van de garage ongeveer 25 à 30 cm en aan de voorzijde van de garage ongeveer nul cm. (...)
Wij zijn bereid de klinkers te verwijderen, maar hoe zorgt mevr. [eiseres] er dan voor dat met regelmaat het onkruid wordt verwijderd?
Er staat dat wij in het verlengde van de haag een eigen haag hebben aangeplant op haar perceel. Deze haag heb ik inderdaad geplaatst. We hadden immers afgesproken dat we het stukje grond van 10 à 20 cm voor onze rekening zouden nemen om ongewild onkruid te vermijden. (...)
De afrastering is een paaldikte van de erfgrens geplaatst om er zeker van te zijn dat we nergens over de erfgrens zouden komen. Tussen de afrastering en de garage is een klein stukje draad geplaatst (in genoemd dossier de foto op pagina 6) om toegang tot het perceel te vermijden als inbraakpreventie. Dit is overigens ook na overleg geplaatst. (...)”
2.9.
In opdracht van [eiseres] heeft het Kadaster op 29 april 2022 een grensreconstructie uitgevoerd. In het relaas van bevindingen staat onder “omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen” het volgende:
“Gereconstrueerde grens is gemarkeerd door middel van een ijzeren pin en een ijzeren buis.”
De rode stippellijn op de kadastrale kaart duidt de kadastrale grens tussen beide percelen aan. De rechtbank verwijst naar het proces-verbaal, waarin het relaas van bevindingen is opgenomen.
2.10.
Op een niet nader geduide datum heeft [gedaagde sub 1] aan de dochter van een rechtsvoorganger ( [naam 1] , eigenaar van 1970 tot 28 februari 2007), per WhatsApp het volgende gestuurd:
“(...) Toen wij het huis betrokken heeft mijnheer [naam echtgenoot] zalige ons verteld dat de garage per ongeluk een stukje van de erfgrens is gebouwd, en dat het geen probleem is dat wij, net zoals de vorige bewoners en jullie ouders, de tuin tot aan de garage onderhouden hebben. Het zou ons daarom helpen als u aangeeft dat uw ouders ook de tuin tot aan de garage onderhouden hebben. Let wel: we eisen het strookje grond NIET op, het blijft eigendom van mevr. [eiseres] , het betreft alleen het onderhoud tot aan de garage, dus feitelijk willen we situatie behouden zoals ze altijd al geweest is. (...)”
Hierop heeft de dochter van [naam 1] geantwoord dat haar vader het stuk altijd heeft onderhouden en dat daarover nooit problemen zijn geweest.
2.11.
Het is partijen niet gelukt buitengerechtelijk tot een oplossing te komen.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. verklaart voor recht dat de op de bij productie 4 overgelegde kadastrale tekening
gearceerde strook eigendom is van [eiseres] ,
2. gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, veroordeelt tot het binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis verwijderen en verwijderd houden van de op de bij productie 4 overgelegde kadastrale tekening aangeduide grijze muur van het perceel van [eiseres] , alsmede gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, veroordeelt tot plaatsing van die muur vanaf het op vorenbedoelde tekening aangeduide beginpunt van die muur (zie bij “16” op de tekening) op de kadastrale grens tussen de percelen van partijen, aldus dat het midden van de muur op de kadastrale grens zal komen te staan, dit alles op straffe van een dwangsom ad € 500,00 voor iedere dag dat gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, hiermee in gebreke blijft,
3. gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, veroordeelt tot het binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis leeg en ontruimd opleveren van de op de bij productie 4 overgelegde kadastrale tekening aangeduide strook van [eiseres] , en aldus dat gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, dan zullen/zal hebben verwijderd en verwijderd zullen/zal houden:
de dwarse schutting en de glasachtige plaat die de toegang voor [eiseres] tot betreffende strook verspert,
de ophoging en bestrating die door gedaagden op de strook is aangebracht,
de door gedaagden sub 1 en sub 2, althans gedaagde sub 1, op de strook geplaatste coniferen (inclusief wortels),
al het overige dat door gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, op, boven of onder de strook is aangebracht,
dit alles op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, hiermee in gebreke blijven/blijft,
4. gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, veroordeelt om [eiseres] , na haar behoorlijke kennisgeving zoals bedoeld in artikel 5:56 BW aan gedaagden sub 1 en sub 2, althans gedaagde sub 1, gedurende een dag gebruik te laten maken van het perceel van gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans van gedaagde sub 1, ten behoeve van het op het perceel van [eiseres] tegen de perceelsgrens tussen de percelen van partijen aan plaatsen van een erfafscheiding, dit op straffe van een dwangsom ad € 500,00 voor iedere dag dat gedaagden sub 1 en sub 2, althans gedaagde sub 1, hiermee in gebreke blijven/blijft,
5. gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van
6. € 460,00 (kosten Kadaster), te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande datum dagvaarding,
7. € 904,00 (buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande datum dagvaarding,
8. gedaagden sub 1 en sub 2 hoofdelijk, althans gedaagde sub 1, veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en eveneens vermeerderd met nakosten.
3.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Vorderingen jegens [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2)
4.1.
Volgens [gedaagde sub 2] moeten de vorderingen die tegen haar zijn ingesteld, worden afgewezen, omdat alleen [gedaagde sub 1] eigenaar is van het perceel aan de [adres 2] te [woonplaats] . [gedaagde sub 2] stelt met [gedaagde sub 1] gehuwd te zijn op basis van huwelijkse voorwaarden en de woning valt niet in enige gemeenschap.
4.2.
De rechtbank leidt uit de leveringsakte af dat het perceel aan de [adres 2] te [woonplaats] op 7 mei 2014 aan [gedaagde sub 1] is geleverd en dat hij toen niet gehuwd was. Uit artikel 24 Rv vloeit voort dat het aan [eiseres] is om gemotiveerd te stellen wat de rechtsgrond is van haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] . Nu [gedaagde sub 2] gemotiveerd betwist heeft mede-eigenaar te zijn van voornoemd perceel, en [eiseres] vervolgens alleen opgemerkt heeft niet te weten of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd, heeft zij het verweer van [gedaagde sub 2] niet gemotiveerd weerlegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde sub 2] niet samen met [gedaagde sub 1] eigenaar is van de woning, zodat niet gebleken is van een rechtsgrond om [gedaagde sub 2] in rechte te betrekken. De vorderingen jegens [gedaagde sub 2] zullen dan ook worden afgewezen.
4.3.
[eiseres] zal in de proceskosten van [gedaagde sub 2] worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil, omdat het verweer van [gedaagde sub 2] gelijkluidend is aan het verweer van [gedaagde sub 1] .
Vorderingen jegens [gedaagde sub 1] (gedaagde sub 1)
De standpunten van partijen
4.4.
[eiseres] heeft - kort gezegd - gesteld dat [gedaagde sub 1] , in strijd met de gemaakte afspraken, de grijze muur niet op de erfgrens heeft laten bouwen, maar willens en wetens op haar perceel. Ook heeft [gedaagde sub 1] zich een strook grond toegeëigend die haar eigendom is.
4.5.
[gedaagde sub 1] is van mening dat de kadastrale grens niet gelijk is aan de juridische grens.
Hij stelt door verjaring eigenaar te zijn geworden van de bewuste strook grond. Primair beroept hij zich op verkrijgende verjaring (10 jaar) en subsidiair op bevrijdende verjaring (20 jaar). Hij stelt sinds mei 2014 de strook van het perceel van [eiseres] onafgebroken en te goeder trouw in zijn bezit te hebben. Zijn rechtsvoorgangers [naam 2] en [naam 1] hebben op dezelfde wijze het bezit gehad in de periode 1970 tot 7 mei 2014. Dat betekent dat het onafgebroken bezit al meer dan 20 jaar duurt. [gedaagde sub 1] voert aan dat bij het aanleggen van zijn tuin [eiseres] en wijlen haar echtgenoot aangewezen hebben tot waar zijn rechtsvoorgangers de grond in bezit hadden en dat daar volgens hen de grens liep. Tot de zomer van 2021 is er nooit discussie geweest over de grens tussen de percelen. Het hekwerk parallel aan de oprit van [eiseres] is geplaatst op zijn perceel, aldus [gedaagde sub 1] . Het dwarse stukje hekwerk, tot aan de garage, heeft [gedaagde sub 1] geplaatst om te voorkomen dat ongedierte zowel zijn perceel als dat van [eiseres] betreedt. Het staat circa 21 centimeters op het kadastrale perceel van [eiseres] . De grijze muur, in het verlengde van de garage, is geplaatst ongeveer op dezelfde plek als waar in het verleden een hekwerk gestaan heeft. [gedaagde sub 1] was destijds aanwezig bij het plaatsen van de grijze muur. Dat geldt ook voor wijlen de echtgenoot van [eiseres] ; hij heeft de bouw van de grijze muur gevolgd vanaf het moment dat de betonnen palen al geplaatst waren. Beide partijen hebben toen geen bezwaar gemaakt tegen de locatie van de muur. Mocht de kadastrale grens wel de juridische grens zijn, dan betoogt [gedaagde sub 1] dat [eiseres] misbruik van haar bevoegdheden maakt en/of dat een rechtens belang ontbreekt. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich ook tegen toewijzing van de vorderingen, aldus [gedaagde sub 1] .
Verjaring
4.6.
De rechtbank overweegt over het beroep op verjaring als volgt. Uit het e-mailbericht van 30 september 2021 blijkt dat het [gedaagde sub 1] duidelijk was dat er een strookje grond (10-20 cm) achter de garage van [eiseres] lag, dat het eigendom was van [eiseres] en dat hij van haar mocht gebruiken, dit om (overlast voor [gedaagde sub 1] van) ongewilde onkruidgroei te voorkomen. Uit het in gebruik geven van dit strookje grond door [eiseres] aan [gedaagde sub 1] valt niet af te leiden dat [eiseres] afstand heeft gedaan van haar eigendomsrecht op dat strookje grond of dat het strookje grond in eigendom is overgedragen aan [gedaagde sub 1] . Dat [gedaagde sub 1] zich hiervan bewust was, blijkt uit het WhatsApp-bericht van [gedaagde sub 1] aan een derde waarin [gedaagde sub 1] schreef dat wijlen [naam echtgenoot] (en [eiseres] ) het geen probleem vond(en) dat hij het strookje grond zou onderhouden, en dat hij dat strookje grond niet opeist, maar dat het eigendom van [eiseres] blijft. [gedaagde sub 1] wist dus dat hij het strookje grond mocht gebruiken (juridisch gezegd: hij mocht het strookje houden voor [eiseres] ), zonder dat het zijn eigendom zou worden. Gelet op het in art. 3:111 BW bepaalde betekent dit dat [gedaagde sub 1] houder van het strookje grond was, en dat hij onder diezelfde titel daarmee voorgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (kort gezegd: een houder wordt geen bezitter). Gelet hierop is niet voldaan aan het bezitsvereiste, dat nodig is voor een geslaagd beroep op verkrijgende en/of bevrijdende verjaring.
De erfgrens
4.7.
Het is de rechtbank gebleken dat partijen het eens zijn over de loop van de kadastrale grens, zoals aangegeven in het relaas van bevindingen. Nu het beroep op verkrijgende en/of bevrijdende verjaring van [gedaagde sub 1] niet slaagt, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de kadastrale grens tevens de juridische grens is. De bij petitum sub 1 gevorderde verklaring van recht ligt dan ook voor toewijzing gereed.
4.8.
De rechtbank komt nu toe aan het subsidiaire verweer van [gedaagde sub 1] en overweegt daartoe als volgt.
Ontbreken rechtens belang
4.9.
Het verweer van [gedaagde sub 1] dat [eiseres] geen rechtens te respecteren belang heeft bij haar vorderingen, volgt de rechtbank niet. Ter zitting heeft [eiseres] immers nader verklaard dat zij - gelet op haar hoge leeftijd en de mogelijkheid tot verkoop van de woning - duidelijkheid wil wat betreft de grenspositie. Hierin ligt naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bij de onderhavige vorderingen.
Misbruik van bevoegdheid en/of strijd met redelijkheid en billijkheid
4.10.
[gedaagde sub 1] heeft voorts aangevoerd dat [eiseres] met de onderhavige
procedure misbruik van bevoegdheid maakt en/of in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt. Dit verweer faalt. Het staat als onweersproken vast dat [gedaagde sub 1] zonder toestemming van [eiseres] het hekwerk (dwars) bij de oprit en het plastic schot (deels) op het perceel van [eiseres] heeft geplaatst. Verder staat vast dat [eiseres] het strookje grond wat betreft onderhoud aan [gedaagde sub 1] in gebruik heeft gegeven. [eiseres] heeft tot slot de wens geuit voor de toekomst duidelijkheid te krijgen over de loop van de erfgrens. Uit al deze omstandigheden vloeit voort dat [eiseres] geen misbruik maakt van de haar toekomende bevoegdheid om haar eigendom te beschermen.
Dictum
De rechtbank
Ten aanzien van [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2)
5.1.
wijst de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , tot op heden begroot op nihil,
Ten aanzien van [gedaagde sub 1] (gedaagde sub 1)
5.3.
verklaart voor recht dat de op de bij productie 4 bij dagvaarding overgelegde kadastrale tekening gearceerde strook eigendom is van [eiseres] ,
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot het binnen drie maanden na betekening van het vonnis leeg en ontruimd op te leveren van de op de bij productie 4 bij dagvaarding overgelegde kadastrale tekening aangeduide strook van [eiseres] , aldus dat [gedaagde sub 1] dan zal hebben verwijderd en verwijderd zal houden:
de dwarse schutting (het hekwerk) en de glasachtige plaat (het plastic schot) die de toegang voor [eiseres] tot de betreffende strook verspert,
de overhang van de coniferen (dat wil zeggen het terugsnoeien ervan tot de erfgrens),
5.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om [eiseres] , na haar behoorlijke kennisgeving als bedoeld in art. 5:56 BW, aan [gedaagde sub 1] , gedurende een dag gebruik te laten maken van het perceel van [gedaagde sub 1] ten behoeve van het op het perceel van [eiseres] tegen de perceelgrens tussen de percelen van partijen aan plaatsen van een erfafscheiding,
5.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke kosten van € 904,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande datum dagvaarding (zijnde 26 april 2024),
5.7.
verklaart dit vonnis, met uitzondering van hetgeen onder 5.3. staat, uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,
5.9.
wijst het meer of naders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025.
JC
Productie 4 conclusie van antwoord
productie 1 conclusie van antwoord
Eerste stuk bij productie 5 dagvaarding
Tweede stuk bij productie 5 dagvaarding
Derde stuk bij productie 5 dagvaarding
Vierde stuk bij productie 5 dagvaarding
Productie 1 bij dagvaarding
Tweede stuk bij productie 2 conclusie van antwoord
Tweede stuk bij productie 2 conclusie van antwoord
Productie 4 conclusie van antwoord
Zie rov. 2.8
Zie rov. 2.10
Zie randnummer 5.11 van de conclusie van antwoord
Zie rov. 2.4
Zie randnummer 15 dagvaarding
Zie pagina 6 van het proces-verbaal.
Beoordeling
Dat de grensoverschrijdende bebouwing, zoals [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd, “slechts enkele centimeters” betreft, het een uiterst smalle strook grond is waar [eiseres] feitelijk niets mee kan, nooit iets mee heeft gedaan of heeft kunnen doen, doet hieraan niet af.
4.11.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde sub 1] dat [eiseres] haar bevoegdheid uitoefent “met geen ander doel dan [gedaagde sub 1] te schaden”, nu [gedaagde sub 1] dit niet met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.
4.12.
De rechtbank gaat eveneens als onvoldoende onderbouwd voorbij aan het beroep op de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 BW van [gedaagde sub 1] .
Met betrekking tot de grijze muur
4.13.
Vaststaat dat partijen destijds samen besloten hebben om op de erfgrens een mandelige muur te (laten) plaatsen en de kosten daarvan te delen. Ook staat vast dat [gedaagde sub 1] toen een aannemer heeft ingeschakeld die de grijze muur heeft geplaatst, dat [gedaagde sub 1] tijdens de bouw van de muur aanwezig was, dat wijlen heer [naam echtgenoot] aanwezig was nadat de betonpalen in de grond zaten en dat geen van partijen nadien geklaagd heeft over de locatie van de grijze muur.
4.14.
[eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die haar stelling onderbouwen dat [gedaagde sub 1] de grijze muur “willens en wetens” over de erfgrens heeft laten bouwen. Dat [gedaagde sub 1] dienaangaande onrechtmatig heeft gehandeld dan wel een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres] heeft gemaakt, is dus niet komen vast te staan. Het heeft er alle schijn van dat de grijze muur, die bedoeld was om op de kadastrale erfgrens te worden gebouwd, onbedoeld 6 cm is overgebouwd (te weten dat de rechter betonnen paal in een schuine lijn tot 6 cm van de erfgrens op het perceel van [eiseres] is geplaatst (op de kadastrale plaats zichtbaar als het vierkante blokje met daarnaast “bet pl” boven de aanduiding “vw B 468” in het midden van beide percelen). Niet is gebleken dat de linker betonnen paal (het vierkante blokje links op de kaart (rechts van de nummeringen (16) en (8)) niet midden op de kadastrale grens staat, zodat deze linker betonnen paal correct staat. Om de grijze muur daadwerkelijk op de kadastrale grens te hebben staan, dient de rechter betonnen paal derhalve 6 cm terug te worden geplaatst.
4.15.
De rechtbank kan wegens gebrek aan duidelijke informatie niet vaststellen, of de grijze muur, na verplaatsing, terecht komt op de plek waar de vorige afscheiding stond, nu die mogelijk ook niet precies op de kadastrale grens stond. De rechtbank gaat hieraan om die reden verder voorbij.
4.16.
Aangezien partijen in 2016 samen zijn overeengekomen een mandelige muur op de erfgrens op te richten, waarvan ieder de helft van de kosten heeft betaald, valt niet in te zien dat en waarom - zoals [eiseres] heeft gesteld - alleen [gedaagde sub 1] de grijze muur geheel voor zijn rekening zou moeten verplaatsen. Partijen dienen samen en ieder voor de helft van de kosten de loop van de mandelige muur te corrigeren en te herstellen. Om die reden zal het door [eiseres] bij petitum sub 2 gevorderde worden afgewezen.
Het dwarse hekwerk en het plastic schot (petitum sub 3 onder a)
4.17.
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, komt vast te staan dat een deel van het door [gedaagde sub 1] dwars geplaatste hekwerk bij de oprit en het plastic schot op het perceel van [eiseres] staan en dat dit haar de toegang ontzegt tot haar strook grond. Dit is onrechtmatig nu [eiseres] die wijze van gebruik van de strook door [gedaagde sub 1] niet meer duldt en zij dat ook aan hem kenbaar heeft gemaakt. Dat [eiseres] die strook grond niet gebruikt, doet hieraan niet af. Dit hekwerk en het plastic schot moeten dan ook van het perceel van [eiseres] worden verwijderd. Dit deel van het door [eiseres] gevorderde zal worden toegewezen, met dien verstande dat een termijn van twee weken te kort wordt geacht, zeker indien [gedaagde sub 1] hulp van een derde nodig zou hebben. De rechtbank zal daarom uitgaan van een termijn van drie maanden na betekening van het vonnis.
De ophoging en bestrating (petitum sub 3 onder b)
4.18.
Tijdens de descente is door [eiseres] niet concreet geduid waar de bestrating over de erfgrens heen gaat. De foto’s 11 en 13 in het proces-verbaal geven de loop van de erfgrens bij benadering weer. Het lijkt erop dat [gedaagde sub 1] al rekening heeft proberen te houden met de loop van de erfgrens, omdat de betegeling niet doorloopt tot aan de garage en hij een afstand van ongeveer 20 cm in acht heeft genomen (zie foto 13). Bij die stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat [gedaagde sub 1] (nu) in strijd handelt met het eigendomsrecht van [eiseres] , zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
4.19.
Hoewel duidelijk is geworden dat de grond op het perceel van [eiseres] lager ligt dan dat van [gedaagde sub 1] , heeft zij onvoldoende toegelicht waar sprake is (geweest) van ophoging op haar perceel. Ook dit deel van het gevorderde zal als onvoldoende gesteld worden afgewezen.
De coniferen (petitum sub 3 onder c)
4.20.
De stammen van de coniferen parallel aan de garagemuur van [eiseres] staan op het perceel van [gedaagde sub 1]. [eiseres] heeft toegestaan dat [gedaagde sub 1] de strook grond tot aan haar garagemuur mocht gebruiken. De brief van 12 juli 2021, waarin [eiseres] [gedaagde sub 1] heeft gesommeerd het gebruik van de grond te staken, betreft een intrekking van haar toestemming. Als reden heeft [eiseres] aangegeven dat zij de grond zelf ter beschikking wil hebben, hetgeen een valide reden is. Nu ter plekke is gebleken dat de coniferen overhangen over het perceel van [eiseres] , zal [gedaagde sub 1] worden veroordeeld deze overhang terug te snoeien tot de erfgrens, zijnde het mindere van de gevorderde verwijdering van de coniferen. Ook hier zal de rechtbank bepalen dat dit binnen drie maanden na betekening van het vonnis dient plaats te vinden. De vordering tot verwijdering zal worden afgewezen.
Het overige (petitum sub 3 onder d)
4.21.
[eiseres] heeft onvoldoende gesteld met betrekking tot “al het overige” dat [gedaagde sub 1] op, boven of onder de strook zou hebben aangebracht. Ook tijdens de descente heeft [eiseres] ter plekke niets geduid dat hierop betrekking heeft. Dit deel van het gevorderde zal als onvoldoende gesteld worden afgewezen.
Het ladderrecht ex art. 5:56 BW
4.22.
[eiseres] vordert dat haar wordt toegestaan vanaf het perceel van
[gedaagde sub 1] een erfafscheiding tegen de perceelsgrens tussen beide percelen te (laten) maken.
4.23.
[gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat [eiseres] geen rechtens belang heeft bij het plaatsen van een erfafscheiding op haar perceel. Op de smalle strook staat al een erfafscheiding, te weten de betonnen muur. [eiseres] maakt misbruik van recht door deze vordering in te stellen. Bovendien kan [eiseres] de erfafscheiding vanaf haar eigen perceel plaatsen en hoeft zij geen gebruik te maken van het perceel van [gedaagde sub 1] . Voor zover het niet kan, blijkt daaruit al dat de strook te smal is, waaruit het misbruik van recht blijkt. [eiseres] heeft bij het snoeien van de taxushaag naast haar oprit het hekwerk van [gedaagde sub 1] beschadigd. [gedaagde sub 1] vreest nieuwe beschadigingen aan zijn eigendommen als het beroep op het ladderrecht wordt gehonoreerd.