Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-05
ECLI:NL:RBLIM:2025:8657
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,065 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/326491 / HA ZA 24-39
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
[eiser]
,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Comcordis B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. G.D. Jongen,
tegen
RDR IT B.V.,
te Oud Gastel,
gedaagde partij,
hierna te noemen: RDR,
advocaat: mr. M.A. van Haelst.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie;- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de pleitnota van RDR;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 december 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Bij vonnis van 25 januari 2022 is de besloten vennootschap Comcordis B.V. (hierna: Comcordis) in staat van faillissement verklaard met aanstelling van [eiser] als curator (hierna: de curator).
2.2.
Bestuurder van Comcordis was de heer Vincent W. [naam 1] (hierna: [naam bestuurder] ).
2.3.
Comcordis was in 2016 minderheidsaandeelhouder in de besloten vennootschap Jetwise B.V. (hierna: Jetwise). Meerderheidsaandeelhouder van Jetwise was de besloten vennootschap CivilFuels B.V. (hierna: CivilFuels). Samen met andere minderheidsaandeelhouders heeft Comcordis in 2016 besloten om de aandelen die CivilFuels hield in Jetwise (hierna: de aandelen) van haar over te nemen.
2.4.
In verband met de financiering van de koop van de aandelen heeft de besloten vennootschap Reeder IT B.V., thans RDR, in juni 2016 aan Comcordis een geldlening verstrekt van € 100.000,00. Van de lening is achteraf een akte opgemaakt (dagvaarding, prod. 5). RDR heeft het bedrag van de lening op 9 juni 2016 aan Comcordis betaald. Comcordis heeft dit bedrag nog dezelfde dag als voorschot op de koopprijs van de aandelen overgeboekt naar een rekening van CivilFuels (dagvaarding, prod. 4). Met RDR wordt hierna tevens Reeder IT B.V. bedoeld.
2.5.
Comcordis zou over het geleende bedrag een rente betalen van 3% op jaarbasis. Zij zou het geleende bedrag uiterlijk zes maanden na het aangaan van de lening aflossen.
2.6.
Tussen CivilFuels en de minderheidsaandeelhouders die de aandelen zouden overnemen, is geen wilsovereenstemming bereikt omtrent die overname. Het voorschot van € 100.000,00 was daarmee onverschuldigd door Comcordis aan CivilFuels betaald. Comcordis verkreeg hierdoor een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling van
€ 100.000,00 op CivilFuels op het moment dat voor partijen duidelijk werd dat geen wilsovereenstemming meer zou worden bereikt.
2.7.
Bij akte van cessie heeft Comcordis haar vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling ad € 100.000,00 gecedeerd aan RDR (dagvaarding, prod. 6). De akte is ongedateerd, maar tussen partijen staat vast dat de cessie begin oktober 2016 is overeengekomen. In de akte van cessie was onder meer het volgende tussen Comcordis en RDR overeengekomen:
“2. Kwijting
2.1
Indien en voorzover Cessus (CivilFuels, rechtbank) de Vordering volledig heeft voldaan aan Cessionaris (RDR, rechtbank), verleend Cessionaris Cedent (Comcordis, rechtbank) kwijting betreffende de Lening en zal de Lening geacht te zijn terugbetaald.
2.2
Zolang de Vordering niet volledig is terugbetaald door Cessus aan Cessionaris, verleent Cessionaris geen kwijting aan Cedent voor het terugbetalen van de Lening en blijft de Lening in stand en behoudt Cessionaris elk recht om de lening terug te vorderen.
(…)”
2.8.
Omdat CivilFuels niet overging tot vrijwillige terugbetaling van hetgeen zij onverschuldigd van Comcordis had ontvangen en omdat Comcordis niet in staat was om de lening van € 100.000,00 aan RDR terug te betalen, is RDR bij de rechtbank Amsterdam een procedure gestart tegen zowel CivilFuels als Comcordis strekkende tot betaling van een hoofdsom van € 100.000,00. Zij sprak daarbij Comcordis aan uit hoofde van de lening en CivilFuels uit hoofde van de gecedeerde vordering. Tijdens de comparitie van 6 september 2017 bij de rechtbank Amsterdam hebben partijen een regeling getroffen, welke is vastgelegd in een proces-verbaal (dagvaarding, prod. 7). Partijen zijn, samengevat, overeengekomen dat CivilFuels tegen finale kwijting een bedrag van € 100.000,00, vermeerderd met een bedrag van € 5.000,00 wegens gemaakte kosten, aan RDR zou voldoen. De overeenkomst is door CivilFuels nagekomen.
2.9.
Uit de jaarrekening over 2015 (dagvaarding, prod. 12) blijkt dat Comcordis per 31 december 2015 voor een bedrag van € 60.849,00 aan schulden had, onder meer aan Brand Holding B.V. (€ 8.155,00), aan [naam bv] (€ 16.651,00), aan [naam 1] (€ 12.124,00), aan [naam 2] (€ 6.206,00) en aan de fiscus (€ 7.539,00).
2.10.
Bij e-mail van 18 april 2023 aan (de advocaat van) RDR heeft de curator met een beroep op artikel 42 van de Faillissementswet (de faillissementspauliana) de cessie buitengerechtelijk vernietigd.
Geschil
3.1.
De curator vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) voor recht verklaart dat de curator terecht de vernietiging heeft ingeroepen van de cessie, welke overeenkomst is gesloten tussen RDR enerzijds en de failliet anderzijds;
b) RDR veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator, althans aan de boedel, een bedrag te betalen van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
c) RDR veroordeelt tot betaling van € 1.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
d) RDR veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente bij niet tijdige voldoening.
3.2.
Aan zijn vordering legt de curator, kort gezegd, ten grondslag dat de schuldeisers in het faillissement door de cessie zijn benadeeld omdat hierdoor feitelijk een rangwisseling van de crediteuren heeft plaatsgevonden, terwijl de failliet en RDR wetenschap hadden van die benadeling, zodat voldaan is aan de voorwaarden voor het inroepen van de faillissementspauliana.
3.3.
RDR voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Artikel 42 van de Faillissementswet (hierna: Fw.) luidt als volgt:
“De curator kan ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij dit verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen. Artikel 50, tweede lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.”
4.2.
Op grond van deze bepaling heeft de curator alleen dan terecht de vernietiging van de cessie kunnen inroepen indien, kort gezegd, is voldaan aan alle drie de navolgende voorwaarden die artikel 42 Fw. aan het inroepen van de faillissementspauliana stelt:
- de cessie moet worden aangemerkt als een rechtshandeling die door Comcordis onverplicht werd verricht,
- de schuldeisers zijn door de cessie benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden én
- Comcordis en RDR hadden wetenschap van die benadeling van de schuldeisers.
4.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat uit hetgeen de curator op dit punt heeft gesteld - mede bezien in het licht van het verweer van RDR - niet volgt dat de schuldeisers in het faillissement door de cessie in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld. Daartoe geldt het volgende.
4.4.
Indien, zoals in het onderhavige geval, in rechte wordt gestreden over de vraag of de curator terecht een beroep doet op art. 42 Fw., is het met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig - doch ook voldoende - dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist (HR 19 oktober 2001; NJ 2001, 654. Vgl. ook HR 22 september 1995, nr. 15 754, NJ 1996, 706). Anders gezegd, de benadeling van de schuldeisers moet aanwezig zijn op het tijdstip waarop de curator zijn rechten doet gelden. De vraag of benadeling aanwezig is op het moment waarop de rechter over de vordering beslist, moet worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling te vergelijken met de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft (HR 19 oktober 2001; NJ 2001, 654).
4.5.
Deze maatstaf brengt mee dat van een benadeling van de schuldeisers in het faillissement door de cessie in oktober 2016 geen sprake is en wel hierom.
4.6.
De cessie van de vordering op CivilFuels in 2016 heeft feitelijk ten gevolge gehad dat RDR de gecedeerde vordering (als eigen vordering) via een procedure bij de rechtbank Amsterdam in 2017 heeft kunnen incasseren en dat daarmee de schuld die Comcordis uit hoofde van de geldlening aan RDR had, was afgelost. Met andere woorden, de betaling van de gecedeerde vordering had tevens ten gevolge dat de lening van Comcordis aan RDR werd afgelost. Hetgeen uit hoofde van de vordering op CivilFuels is geïncasseerd is daarmee dus niet gebruikt om de overige schuldeisers die Comcordis in 2017 had, te voldoen en staat ook thans niet ter beschikking van de schuldeisers in het faillissement.
4.7.
Volgens de curator volgt hieruit dat er een benadeling van de overige crediteuren heeft plaatsgevonden. Daartoe stelt hij dat er door de cessie feitelijk wijziging is gebracht in de rangorde tussen de crediteuren waardoor RDR werd bevoordeeld (dagvaarding, 2.3). Niet is gemotiveerd door de curator gesteld dat en op welke wijze die benadeling zich ten tijde van het faillissement zes jaar later nog steeds voordoet. Kennelijk is het de impliciete stelling van de curator dat zonder de cessie de vordering uit onverschuldigde betaling dan wel de opbrengst ervan op het moment van de faillietverklaring nog steeds aanwezig zou zijn geweest in het vermogen van de failliet en aldus had kunnen worden aangewend ter voldoening van de crediteuren.
4.8.
RDR heeft als verweer aangevoerd dat door de cessie en de incasso van de vordering op CivilFuels in 2017 geen benadeling is toegebracht aan de schuldeisers in het op 25 januari 2022 uitgesproken faillissement. Volgens RDR zou ook zonder de cessie (de gewraakte rechtshandeling) de opbrengst van de vordering uit onverschuldigde betaling op CivilFuels niet ter beschikking hebben gestaan van de schuldeisers in het faillissement. Daartoe heeft zij aangevoerd dat Comcordis ten tijde van de cessie niet was opgewassen tegen CivilFuels, die werd bestuurd door ‘tough cookies’. Indien (hypothetisch gesproken) de vordering op CivilFuels niet aan RDR was gecedeerd, dan was de kans groot dat de vordering in het geheel niet door Comcordis was geïnd. De vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op CivilFuels was dan na een tijdsverloop van vijf jaar verjaard. Omdat de vordering in 2016 was ontstaan, had de curator deze na het uitspreken van het faillissement op 25 januari 2022 niet meer kunnen innen (spreekaantekeningen, 14). In het hypothetische geval dat Comcordis de vordering niet had gecedeerd maar zelf tot het starten van een gerechtelijke procedure tegen CivilFuels was overgegaan, dan had zij het aldus ontvangen bedrag moeten doorbetalen aan RDR ter aflossing van de geldlening (spreekaantekeningen, 13). Ook dan was de opbrengst niet ten goede gekomen aan de crediteuren in het faillissement.
4.9.
Door de curator is dit verweer onvoldoende gemotiveerd betwist. De curator heeft zelf gesteld dat CivilFuels weigerde om de door Comcordis onverschuldigd betaalde
€ 100.000,00 vrijwillig terug te betalen en dat Comcordis niet de financiële middelen had om CivilFuels in rechte te betrekken (dagvaarding, 1.4.). Evenmin heeft hij betwist dat Comcordis niet was opgewassen tegen CivilFuels. Daarmee is tussen partijen komen vast te staan dat CivilFuels haar schuld van € 100.000,00 uit onverschuldigde betaling niet vrijwillig zou hebben terugbetaald en dat Comcordis zelf niet (met succes) de vordering in een gerechtelijke procedure zou hebben weten te incasseren, omdat zij daartoe niet de financiële middelen had. Nu vaststaat dat de vordering uit onverschuldigde betaling op CivilFuels voor medio oktober 2016 is ontstaan (de cessie van deze vordering heeft immers begin oktober 2016 plaatsgevonden), zou de vordering verjaard zijn op het moment dat het faillissement van Comcordis werd uitgesproken.
4.10.
Indien er vanuit zou worden gegaan dat de vordering op CivilFuels wel door Comcordis zou zijn geïncasseerd (al dan niet door een gerechtelijke incasso), dan geldt dat de curator onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hetgeen aldus door Comcordis van CivilFuels zou zijn ontvangen vervolgens door Comcordis zou zijn aangewend om haar schuld uit hoofde van de geldlening aan RDR te voldoen. Daartoe geldt het volgende.
4.11.
Gezien hetgeen partijen hierover onder verwijzing naar de producties hebben gesteld, kan tussen hen het volgende als vaststaand worden aangenomen omrent de financiële positie van Comcordis. Uit de jaarrekening over 2015 (dagvaarding, prod. 12) volgt dat Comcordis op dat moment een beperkt aantal crediteuren had met een totale vordering van € 60.849,00. Tot de crediteuren behoorden onder meer de fiscus, Brand Holding, [naam bv] , [naam 1] (vader van de bestuurder) en [naam 2] (broer van de bestuurder). Uit het faillissementsverslag nr. 6 d.d. 24 november 2023 (conclusie van antwoord, prod. 7) blijkt dat Comcordis op het moment van het faillissement nog een schuld had aan de fiscus over de periode 2018-2020, alsmede de reeds eind 2015 bestaande schulden aan de concurrente schuldeisers Brand Holding, [naam bv] , [naam 1] en [naam 2] . Daarnaast was er nog een schuld aan RDR zelf. In zijn eerste verslag heeft de curator gemeld dat hij de crediteuren had aangeschreven, maar dat deze hun vorderingen nog niet hadden ingediend.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van de curator af;
5.2.
veroordeelt de curator in de proceskosten van € 10.653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt de curator tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. en 5.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
Beoordeling
In het verslag van 26 mei 2023 vermeldt de curator dat de crediteuren een laatste keer zijn aangeschreven, maar dat Brand Holding geen vordering meer heeft ingediend. Ter zitting heeft de curator desgevraagd niet betwist dat Brand Holding en [naam bv] in 2016 niet actief probeerden om hun vorderingen te innen. Uit de faillissementsverslagen van de curator volgt dat deze twee crediteuren op dat moment evenmin actief waren met de incasso van hun vordering. Brand Holding heeft uiteindelijk - ook niet na aanschrijvingen door de curator - geen vordering meer ingediend. Kennelijk had Comcordis in 2016 en de jaren daarna voldoende middelen om de vorderingen van de fiscus uit 2015 (en eventuele vorderingen uit de jaren erna) te voldoen, nu in het faillissementsverslag slechts vorderingen van de fiscus zijn vermeld over de periode 2018 – 2020.
4.12.
Gezien hetgeen aldus is komen vast te staan omtrent de crediteuren van Comcordis in de periode 2016 tot aan het faillissement, volgt dat RDR kennelijk de enige concurrente crediteur van Comcordis was die in de periode 2016/2017 actief aandrong op betaling van haar vordering. De fiscale schulden tot 2018 konden worden voldaan, ook al was de betaling door CivilFuels uit hoofde van de onverschuldigde betaling niet in het vermogen van Comcordis terecht gekomen. In het licht van deze feiten heeft de curator het verweer van RDR, inhoudende dat Comcordis een door CivilFuels aan haar gedane betaling zou hebben aangewend om haar schuld aan RDR af te lossen, onvoldoende gemotiveerd betwist. Bij dit oordeel is van belang dat het Comcordis in die periode in beginsel ook vrij had gestaan om de betaling door CivilFuels volledig te gebruiken om RDR, die op betaling aandrong, te voldoen. Op haar rustte geen verplichting om dit bedrag te gebruiken om al haar crediteuren naar evenredigheid te betalen. Van de curator had mogen worden verwacht dat hij ter betwisting van het verweer van RDR voldoende gemotiveerd had gesteld waarom er vanuit moet worden gegaan dat bij het achterwege blijven van de cessie en in geval van inning van de vordering op CivilFuels door Comcordis zelf, de opbrengst ten tijde van het faillissement nog beschikbaar was geweest voor de crediteuren. Nu de curator dit niet heeft gedaan, slaagt ook dit onderdeel van het verweer.
4.13.
De slotsom van het voorgaande is dan ook dat op grond van het partijdebat kan worden aangenomen dat de betaling door CivilFuels uit hoofde van de vordering uit onverschuldigde betaling ook in het geval dat Comcordis haar vordering op CivilFuels niet aan RDR zou hebben gecedeerd, ten tijde van het faillissement niet aan de schuldeisers ten goede zou zijn gekomen. Van een benadeling ten tijde van het faillissement is dus geen sprake. Dat betekent dat de vorderingen van de curator zullen worden afgewezen. Hetgeen partijen hebben gesteld omtrent de wetenschap van de gestelde benadeling, behoeft geen bespreking.
4.14.
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van RDR worden begroot op:
- griffierecht
€
6.617,00;
- salaris advocaat
€
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00);
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
totaal
€
10.653,00.
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.