Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-08-28
ECLI:NL:RBLIM:2025:8428
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,599 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24 / 3112
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2025 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond
(gemachtigde: S. Kamman en T.L. Huwae).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [vestigingsplaats] (vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een caravan en het daarin overnachten. Eisers zijn het niet eens met de verleende vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning die bij besluit van 14 september 2023 verleend is voor het plaatsen van een caravan op het strand in de buurt van hun perceel. Met het bestreden besluit van 16 april 2024 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en vergunninghouder, vertegenwoordigd door [belanghebbende] .
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eisers zijn woonachtig aan de [adres 1] te [woonplaats] en exploiteren aldaar de [bedrijfsnaam] . Op het strand in de buurt van het perceel van eisers is door vergunninghouder een caravan geplaatst. Vergunninghouder overnacht regelmatig in de caravan om de boten en waterfietsen die hij voor zijn onderneming op het strand heeft gestald te bewaken.
5. Eisers hebben het college op 29 april 2023 verzocht om handhavend op te treden omdat de caravan zonder omgevingsvergunning op het strand is geplaatst en wordt gebruikt. Het college heeft op 22 juni 2023 aan vergunninghouder kenbaar gemaakt dat zij voornemens is om een last onder dwangsom op te leggen vanwege het illegaal plaatsen van de caravan en het daarin overnachten. Het gebruik van de caravan is volgens het college in strijd met de beheersverordening Maas en Maasplassen (hierna: de beheersverordening). Daarnaast beschikt vergunninghouder niet over de nodige vergunning voor het plaatsen ervan.
5.1.
Vergunninghouder heeft op 17 juli 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het tijdelijk plaatsen (bouwen) van de caravan. Op 24 juli 2023 heeft het college de eerder aangekondigde last onder dwangsom opgelegd aan vergunninghouder. Op 14 september 2023 wordt aan vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een caravan op het perceel [adres 2] te [plaats] voor de duur van vijf jaar. De vergunning omvat de activiteiten bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met de beheersverordening als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo. Het college is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo in combinatie met artikel 4, elfde lid, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) afgeweken van wat in de beheersverordening is bepaald.
6. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Hun bezwaar is op 16 april 2024 ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.
Toetsingskader
7. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
7.1.
De regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geschil
8. Partijen zijn het erover eens dat het plaatsen van de caravan in strijd is met de beheersverordening. Het college heeft er daarom voor gekozen om het plaatsen van de caravan te vergunnen door toepassing van artikel 4, elfde lid, bijlage II van het Bor, de zogeheten kruimelgevallenregeling. Daarover twisten partijen ook niet.
8.1.
Het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van de kruimelgevallenregeling is slechts mogelijk als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het is aan het college om dit te beoordelen; de bestuursrechter toetst terughoudend. Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van de bevoegdheid om de omgevingsvergunning te verlenen, is het aan het college om een belangenafweging te maken. Daarbij dient het college de ruimtelijke effecten die optreden als gevolg van de afwijking af te wegen tegen de met de afwijking gediende belangen. In beroep beoordeelt de bestuursrechter onder meer of de belangenafweging onevenredig is uitgevallen.
8.2.
Op voorhand overweegt de rechtbank dat de omgevingsvergunning enkel is verleend voor het plaatsen van de caravan en de mogelijkheid om erin te kunnen overnachten voor één persoon. De beroepsgronden van eisers die zien op de wenselijkheid van het bedrijf van vergunninghouder, houden geen verband met de verleende omgevingsvergunning en vallen daarom buiten de omvang van het geding. De rechtbank zal enkel toetsen of het college, gelet op de goede ruimtelijke ordening, kon instemmen met het plaatsen van de caravan met overnachtingsmogelijkheid en of het college daarbij de belangen van de betrokken partijen op de juiste manier heeft afgewogen.
Gronden van beroep
Wat is de geldende beheersverordening en heeft dat gevolgen voor de vergunning?
9. Eisers hebben ter discussie gesteld dat aan vergunninghouder een omgevingsvergunning kon worden verleend voor een omgevingsvergunning die langer loopt dan september 2025. Eisers menen namelijk dat de basis voor de omgevingsvergunning bestaat uit de beheersverordening zoals die luidde in 2016 en de vergunning dus vervalt uiterlijk op het moment dat een beheersverordening uit 2016 niet meer geldt. In de ogen van eisers is dat na een looptijd van tien jaar en dus uiterlijk september 2025.
10. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eisers, omdat het standpunt van eisers juridisch onjuist is vanwege de volgende reden. De beheersverordening die gold ten tijde van vergunningverlening is door het college in 2018 vastgesteld en is onherroepelijk ten tijde van vergunningverlening. Dat een eerdere beheersverordening uit 2016 de basis zou vormen voor de omgevingsvergunning omdat de gemeenteraad in 2018 ten onrechte (want nog tijdens de looptijd van tien jaar van de beheersverordening zoals die in 2016 luidde) tot vervanging van de beheersverordening geldend in 2016 zou zijn overgegaan is dan ook onjuist. De bezwaren die eisers hebben tegen het vervangen in 2018 van de beheersverordening zoals die in 2016 gold kunnen niet door de rechtbank in deze procedure behandeld worden. Zij hadden daarvoor beroep moeten instellen tegen de beheersverordening toen deze in 2018 werd vastgesteld. Zij hebben er om hun moverende redenen echter voor gekozen om dat niet te doen. Daar kan in deze zaak niet op worden teruggekomen.
Is er sprake van een goede ruimtelijke ordening?
11. Volgens eisers belemmert de geplaatste caravan hun uitzicht en is dit in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Het college is van mening dat, gelet op de activiteiten die ter plekke plaatsvinden en de omvang van de caravan, het plaatsen van de caravan een beperkte invloed heeft op de uitstraling van het gebied.
12. De rechtbank constateert dat het zonder omgevingsvergunning is toegestaan om een caravan overdag te parkeren voor dagrecreatie en dat de vergunning als het ware is verleend voor het laten staan van de caravan na zonsondergang en voor zonsopgang, waarbij er één persoon in de caravan mag overnachten. De gevolgen van het plaatsen van de caravan voor de omgeving is naar het oordeel van de rechtbank, in lijn met de beoordeling van het college, zeer beperkt. De caravan is minstens 40 meter verwijderd van de woning van eisers. De rechtbank is er bovendien niet van overtuigd dat de caravan voor eisers dusdanig in het zicht staat, bezien vanuit hun perceel, dat dit door het college als onevenredig had moeten worden beoordeeld. De caravan staat immers op het strand en daarmee lager gelegen achter de hoger gelegen dijk die parallel loopt aan de straat waaraan de woning van eisers ligt. Op basis van het op zitting ook met partijen besproken Google Streetview beeld lijkt het strand vanaf het perceel van eisers niet zonder meer zichtbaar, in ieder geval niet vanaf de begane grond. De te verwachten overlast van de caravan in de nacht heeft het college ook niet voor omwonenden als onevenredig hoeven te beoordelen. Er mag immers maar één persoon overnachten.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 28 augustus 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 augustus 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo was het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het bouwen van een bouwwerk.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo was het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan of de beheersverordening.
Op het perceel geldt de bestemming Recreatieve doeleinden extensief (Re). De regels voor de gronden die als zodanig zijn aangewezen zijn beschreven in artikel 10 van de beheersverordening. Op grond van artikel 10.1 van de beheersverordening zijn de aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:
Dagrecreatieve voorzieningen;
Aan de doeleinden zoals bedoeld onder a ondergeschikte detailhandel, horeca en dienstverlening;
Voorzieningen voor verkeer en verblijf;
Parkeervoorzieningen;
Speelvoorzieningen;
Groenvoorzieningen;
Water en waterhuishoudkundige voorzieningen waaronder mede begrepen kades en andere waterkerende voorzieningen.
Op grond van artikel 1 van de beheersverordening wordt het begrip ‘dagrecreatie’ gedefinieerd als recreatieve activiteit die plaats vindt binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang.
Daarnaast geldt ter plaatse de dubbelbestemming stroomvoerend rivierbed. Op grond van artikel 21.1 van de beheersverordening zijn de daarvoor aangegeven gronden bestemd voor de doeleinden van de bestemming waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wabo volgde dat voor zover de aanvraag betrekking had op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo de omgevingsvergunning slechts kon worden verleend indien de activiteit niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd was met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Op grond van artikel 4, elfde lid, bijlage II van het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening in aanmerking ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.