Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-07-16
ECLI:NL:RBLIM:2025:7139
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,208 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11497732 \ CV EXPL 25-485
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van
STICHTING ZUYD HOGESCHOOL,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Zuyd Hogeschool,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 30 december 2024 met producties 1 tot en met 6;- de schriftelijke weergave van het antwoord van [gedaagde] ;
- de brief van [gedaagde] die bij de rechtbank is binnengekomen op 14 februari 2025 met bijlagen 1 tot en met 3;- de conclusie van repliek met producties 7 tot en met 9;- de schriftelijke weergave van de dupliek van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft zich ingeschreven voor een opleiding bij Stichting Zuyd Hogeschool in het studiejaar 2023/2024. Het daarvoor verschuldigde collegegeld werd in tien maandelijkse termijnen automatisch geïncasseerd, maar daarna telkens gestorneerd.
2.2.
Stichting Zuyd Hogeschool heeft op 28 maart 2024 en 30 april 2024 facturen gestuurd aan [gedaagde] .
2.3.
Stichting Zuyd Hogeschool heeft [gedaagde] meerdere keren gevraagd om het verschuldigde bedrag te betalen. Tevens heeft Stichting Zuyd Hogeschool [gedaagde] in gebreke gesteld. Partijen hebben met elkaar gecorrespondeerd. Tot op heden heeft [gedaagde] niet betaald.
Geschil
3.1.
Stichting Zuyd Hogeschool vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 290,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 231,40, en in de proceskosten. Het bedrag van € 290,17 bestaat uit € 231,40 aan hoofdsom, € 10,37 aan rente en € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
Stichting Zuyd Hogeschool legt aan haar vordering primair de stelling ten grondslag dat [gedaagde] voor het studiejaar 2023/2024 collegegeld aan haar verschuldigd is op grond van hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), subsidiair dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] aan Stichting Zuyd Hogeschool een vergoeding voor het door haar aangeboden onderwijs zou betalen en meer subsidiair dat met [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarvoor door haar loon is verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] erkent de vordering voor zover deze ziet op de termijn van maart 2024. Ten aanzien van de andere onderdelen van de vordering voert [gedaagde] verweer dat strekt tot afwijzing van die onderdelen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De grondslag van de vordering
4.1.
Stichting Zuyd Hogeschool betoogt primair dat de grondslag van haar vordering niet is gelegen in een tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst, maar dat er sprake is van een verbintenis uit de wet, nu de verplichting om collegegeld te betalen is geregeld in artikel 7.45 WHW. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Volgens de definitie in artikel 6:213 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is een overeenkomst een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan. Door de acceptatie van de inschrijving door [gedaagde] is tussen Stichting Zuyd Hogeschool en [gedaagde] een overeenkomst tot stand gekomen waarbij Stichting Zuyd Hogeschool de verbintenis is aangegaan om (o.a.) aan [gedaagde] les te geven en examens te laten afleggen en [gedaagde] de verbintenis is aangegaan om (o.a.) collegegeld te betalen. Dat die overeenkomst verder wordt ingekleurd door de verplichtingen in de WHW, doet aan het voorgaande niet af.
Regels betreffende consumentenbescherming zijn van toepassing
4.2.
[gedaagde] is een natuurlijke persoon die bij de overeenkomst handelde voor doeleinden die buiten een bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Zij is dus aan te merken als consument in de zin van artikel 2 lid onder b van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Anders dan Stichting Zuyd Hogeschool aanvoert, kan zij wel degelijk beschouwd worden als een “verkoper” in de zin van artikel 2 onder c van de Richtlijn. Dit volgt uit de tekst van dit artikelonderdeel (iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit) en is nog eens expliciet geoordeeld in de uitspraak van het HvJ EU van 17 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:320.
Ambtshalve toetsen algemene voorwaarden
4.3.
Op de overeenkomst is de Regeling Toelating, Inschrijving en Uitschrijving Zuyd Hogeschool 2023-2024 (versie 0.3, d.d. augustus 2022) van toepassing, die te beschouwen zijn als algemene voorwaarden. Deze regeling bevat immers een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld.
4.4.
Stichting Zuyd Hogeschool vordert betaling van de openstaande bedragen van de facturen van 28 maart 2024 en 30 april 2024, rente, buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).
Hoofdsom
4.5.
De door Stichting Zuyd Hogeschool gevorderde hoofdsom betreft het collegegeld voor het studiejaar 2023-2024. Specifiek gaat het om het restant van de termijn van de maand maart 2024 (€ 29,82) en het restant van de termijn van de maand april 2024 (€ 201,58).
4.6.
De kantonrechter heeft beoordeeld of in voormelde algemene voorwaarden ten aanzien van de hoofdsom bedingen zijn opgenomen die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
4.7.
[gedaagde] erkent de vordering van Stichting Zuyd Hogeschool voor zover deze ziet op de termijn van maart 2024. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
4.8.
Uit het antwoord van [gedaagde] begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] zich ten aanzien van de termijn van april 2024 op het standpunt stelt dat zij deze termijn heeft betaald. Het verweer van [gedaagde] slaagt niet omdat zij haar standpunt niet heeft onderbouwd met stukken waaruit dat kan blijken, zoals bijvoorbeeld rekeningafschriften. Dit had op de weg van [gedaagde] gelegen om te doen omdat zij zich erop beroept dat de op haar rustende betalingsverplichting teniet is gegaan. Dat volgt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Aangezien [gedaagde] verder niet heeft betwist dat op haar een verplichting rust om de termijn van april 2024 te betalen, zal de vordering van Stichting Zuyd Hogeschool ook worden toegewezen voor zover het gaat om de termijn van april 2024.
Rente
4.9.
De kantonrechter heeft beoordeeld of in voormelde algemene voorwaarden ten aanzien van rente bedingen zijn opgenomen die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
4.10.
De gevorderde wettelijke rente, tegen de verschuldigdheid waarvan [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, zal over het bedrag van € 29,82 (restant termijn maart 2024) worden toegewezen vanaf de dag van verzuim (12 april 2024) en over het bedrag van € 231,40 (restant termijn april 2024) vanaf de dag van dagvaarding (30 december 2024). Ten aanzien van het restant van de termijn april 2024 heeft Stichting Zuyd Hogeschool namelijk in de dagvaarding alleen gesteld dat [gedaagde] in verzuim is, maar niet per wanneer.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.11.
In de algemene voorwaarden is – voor zover relevant – de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 5.3 Weigering of beëindiging inschrijving op last van het College van Bestuur
Lid 1 Niet nakomen financiële verplichtingen
1. (…)
2. Bij het niet of niet tijdig nakomen van de financiële verplichtingen draagt Zuyd Hogeschool de vordering over aan een incassobureau; hierbij zullen alle (buiten)-gerechtelijke kosten aan de student in rekening worden gebracht.”
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat het voormelde beding oneerlijk is. De bedongen vergoeding is namelijk niet begrensd in omvang en kan daardoor dus hoger zijn dan de vergoeding conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling. Omdat het gaat om een evident oneerlijk beding ziet de kantonrechter geen aanleiding partijen gelegenheid te bieden om zich hierover uit te laten. Artikel 5.3 lid 1 onderdeel 2 van de algemene voorwaarden zal worden vernietigd. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
4.13.
Ten aanzien van de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] voert aan dat zij door zwaarwegende persoonlijke omstandigheden niet in staat is geweest om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Zij is slachtoffer geweest van een poging tot moord (zij heeft dit met stukken onderbouwd) en had en heeft het mentaal erg zwaar. Om die reden heeft zij ook haar opleiding moeten staken. Stichting Zuyd Hogeschool en de deurwaarder waren op de hoogte van die situatie en zijn desondanks tot dagvaarden overgegaan. [gedaagde] vindt dat onterecht: zij beroept zich op overmacht en wil de bijkomende (proces-) kosten niet betalen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting Zuyd Hogeschool te betalen een bedrag van € 231,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 29,82 met ingang van 12 april 2024 en over € 201,58 met ingang van 30 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 123,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
CL
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11497732 \ CV EXPL 25-485
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van
STICHTING ZUYD HOGESCHOOL,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Zuyd Hogeschool,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 30 december 2024 met producties 1 tot en met 6;- de schriftelijke weergave van het antwoord van [gedaagde] ;
- de brief van [gedaagde] die bij de rechtbank is binnengekomen op 14 februari 2025 met bijlagen 1 tot en met 3;- de conclusie van repliek met producties 7 tot en met 9;- de schriftelijke weergave van de dupliek van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft zich ingeschreven voor een opleiding bij Stichting Zuyd Hogeschool in het studiejaar 2023/2024. Het daarvoor verschuldigde collegegeld werd in tien maandelijkse termijnen automatisch geïncasseerd, maar daarna telkens gestorneerd.
2.2.
Stichting Zuyd Hogeschool heeft op 28 maart 2024 en 30 april 2024 facturen gestuurd aan [gedaagde] .
2.3.
Stichting Zuyd Hogeschool heeft [gedaagde] meerdere keren gevraagd om het verschuldigde bedrag te betalen. Tevens heeft Stichting Zuyd Hogeschool [gedaagde] in gebreke gesteld. Partijen hebben met elkaar gecorrespondeerd. Tot op heden heeft [gedaagde] niet betaald.
Geschil
3.1.
Stichting Zuyd Hogeschool vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 290,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 231,40, en in de proceskosten. Het bedrag van € 290,17 bestaat uit € 231,40 aan hoofdsom, € 10,37 aan rente en € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
Stichting Zuyd Hogeschool legt aan haar vordering primair de stelling ten grondslag dat [gedaagde] voor het studiejaar 2023/2024 collegegeld aan haar verschuldigd is op grond van hoofdstuk 7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), subsidiair dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] aan Stichting Zuyd Hogeschool een vergoeding voor het door haar aangeboden onderwijs zou betalen en meer subsidiair dat met [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarvoor door haar loon is verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] erkent de vordering voor zover deze ziet op de termijn van maart 2024. Ten aanzien van de andere onderdelen van de vordering voert [gedaagde] verweer dat strekt tot afwijzing van die onderdelen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
De grondslag van de vordering
4.1.
Stichting Zuyd Hogeschool betoogt primair dat de grondslag van haar vordering niet is gelegen in een tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst, maar dat er sprake is van een verbintenis uit de wet, nu de verplichting om collegegeld te betalen is geregeld in artikel 7.45 WHW. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Volgens de definitie in artikel 6:213 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is een overeenkomst een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan. Door de acceptatie van de inschrijving door [gedaagde] is tussen Stichting Zuyd Hogeschool en [gedaagde] een overeenkomst tot stand gekomen waarbij Stichting Zuyd Hogeschool de verbintenis is aangegaan om (o.a.) aan [gedaagde] les te geven en examens te laten afleggen en [gedaagde] de verbintenis is aangegaan om (o.a.) collegegeld te betalen. Dat die overeenkomst verder wordt ingekleurd door de verplichtingen in de WHW, doet aan het voorgaande niet af.
Regels betreffende consumentenbescherming zijn van toepassing
4.2.
[gedaagde] is een natuurlijke persoon die bij de overeenkomst handelde voor doeleinden die buiten een bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Zij is dus aan te merken als consument in de zin van artikel 2 lid onder b van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Anders dan Stichting Zuyd Hogeschool aanvoert, kan zij wel degelijk beschouwd worden als een “verkoper” in de zin van artikel 2 onder c van de Richtlijn. Dit volgt uit de tekst van dit artikelonderdeel (iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit) en is nog eens expliciet geoordeeld in de uitspraak van het HvJ EU van 17 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:320.
Ambtshalve toetsen algemene voorwaarden
4.3.
Op de overeenkomst is de Regeling Toelating, Inschrijving en Uitschrijving Zuyd Hogeschool 2023-2024 (versie 0.3, d.d. augustus 2022) van toepassing, die te beschouwen zijn als algemene voorwaarden. Deze regeling bevat immers een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld.
4.4.
Stichting Zuyd Hogeschool vordert betaling van de openstaande bedragen van de facturen van 28 maart 2024 en 30 april 2024, rente, buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).
Hoofdsom
4.5.
De door Stichting Zuyd Hogeschool gevorderde hoofdsom betreft het collegegeld voor het studiejaar 2023-2024. Specifiek gaat het om het restant van de termijn van de maand maart 2024 (€ 29,82) en het restant van de termijn van de maand april 2024 (€ 201,58).
4.6.
De kantonrechter heeft beoordeeld of in voormelde algemene voorwaarden ten aanzien van de hoofdsom bedingen zijn opgenomen die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
4.7.
[gedaagde] erkent de vordering van Stichting Zuyd Hogeschool voor zover deze ziet op de termijn van maart 2024. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
4.8.
Uit het antwoord van [gedaagde] begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] zich ten aanzien van de termijn van april 2024 op het standpunt stelt dat zij deze termijn heeft betaald. Het verweer van [gedaagde] slaagt niet omdat zij haar standpunt niet heeft onderbouwd met stukken waaruit dat kan blijken, zoals bijvoorbeeld rekeningafschriften. Dit had op de weg van [gedaagde] gelegen om te doen omdat zij zich erop beroept dat de op haar rustende betalingsverplichting teniet is gegaan. Dat volgt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Aangezien [gedaagde] verder niet heeft betwist dat op haar een verplichting rust om de termijn van april 2024 te betalen, zal de vordering van Stichting Zuyd Hogeschool ook worden toegewezen voor zover het gaat om de termijn van april 2024.
Rente
4.9.
De kantonrechter heeft beoordeeld of in voormelde algemene voorwaarden ten aanzien van rente bedingen zijn opgenomen die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
4.10.
De gevorderde wettelijke rente, tegen de verschuldigdheid waarvan [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, zal over het bedrag van € 29,82 (restant termijn maart 2024) worden toegewezen vanaf de dag van verzuim (12 april 2024) en over het bedrag van € 231,40 (restant termijn april 2024) vanaf de dag van dagvaarding (30 december 2024). Ten aanzien van het restant van de termijn april 2024 heeft Stichting Zuyd Hogeschool namelijk in de dagvaarding alleen gesteld dat [gedaagde] in verzuim is, maar niet per wanneer.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.11.
In de algemene voorwaarden is – voor zover relevant – de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 5.3 Weigering of beëindiging inschrijving op last van het College van Bestuur
Lid 1 Niet nakomen financiële verplichtingen
1. (…)
2. Bij het niet of niet tijdig nakomen van de financiële verplichtingen draagt Zuyd Hogeschool de vordering over aan een incassobureau; hierbij zullen alle (buiten)-gerechtelijke kosten aan de student in rekening worden gebracht.”
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat het voormelde beding oneerlijk is. De bedongen vergoeding is namelijk niet begrensd in omvang en kan daardoor dus hoger zijn dan de vergoeding conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling. Omdat het gaat om een evident oneerlijk beding ziet de kantonrechter geen aanleiding partijen gelegenheid te bieden om zich hierover uit te laten. Artikel 5.3 lid 1 onderdeel 2 van de algemene voorwaarden zal worden vernietigd. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
4.13.
Ten aanzien van de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] voert aan dat zij door zwaarwegende persoonlijke omstandigheden niet in staat is geweest om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Zij is slachtoffer geweest van een poging tot moord (zij heeft dit met stukken onderbouwd) en had en heeft het mentaal erg zwaar. Om die reden heeft zij ook haar opleiding moeten staken. Stichting Zuyd Hogeschool en de deurwaarder waren op de hoogte van die situatie en zijn desondanks tot dagvaarden overgegaan. [gedaagde] vindt dat onterecht: zij beroept zich op overmacht en wil de bijkomende (proces-) kosten niet betalen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting Zuyd Hogeschool te betalen een bedrag van € 231,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 29,82 met ingang van 12 april 2024 en over € 201,58 met ingang van 30 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 123,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
CL