Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-07-16
ECLI:NL:RBLIM:2025:6951
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,897 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/3457
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.C.G. Hoenselaar-Bots),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, het college
(gemachtigde: M. Soubai).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] te [vestigingsplaats 1] , vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. D.E.M.P.J. Reijnart).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen het afwijzen van zijn verzoek om handhaving. Eiser vindt dat het college handhavend had moeten optreden tegen een overtreding op het perceel naast het zijne. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht van handhaving heeft afgezien.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft het college om handhaving verzocht in verband met een overtreding van een omgevingsvergunning ten behoeve van bouwwerkzaamheden naast zijn perceel. Met het bestreden besluit van 7 mei 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit van 29 augustus 2019 om niet over te gaan tot handhaving (opnieuw) in stand gelaten.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn vrouw en zijn zoon, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, [naam 1] en [naam 2] namens vergunninghoudster, de gemachtigde van vergunninghoudster en haar kantoorgenoot mr. M.P. van Vroonhoven.
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam] , gevestigd aan de [adres 1] te [vestigingsplaats 2] . Op 6 maart 2019 heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfspand op het naastgelegen perceel aan de [adres 2] . Volgens eiser is het bouwwerk dat door vergunninghoudster is gebouwd niet opgericht conform de verleende omgevingsvergunning. Hij heeft het college daarom op 16 juli 2019 verzocht om hiertegen handhavend op te treden. Kort samengevat staat tussen partijen vast dat ten tijde van het primaire besluit sprake was van een overtreding omdat de afstand tussen de zijkanten van de gebouwen aan de [adres 1] en [adres 2] en de locatie van het gebouw van de [adres 2] ten opzichte van het gebouw aan de [adres 1] aan de voorkant niet in overeenstemming is met de verleende omgevingsvergunning van 6 maart 2019.
3.1.
Het college heeft het handhavingsverzoek destijds afgewezen omdat hij handhaving onevenredig vond. Na een bezwaarprocedure heeft het afwijzen van het handhavingsverzoek geleid tot een beroepsprocedure bij de rechtbank Limburg.
3.2.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 10 oktober 2023 geoordeeld, kort gezegd, dat het college is uitgegaan van onjuiste informatie ten aanzien van de mate van de overtreding. Na advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) is gebleken dat er, naar het oordeel van de rechtbank, sprake was van een zodanige afwijking van de omgevingsvergunning dat het college in beginsel handhavend moest optreden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met een nadere motivering ten aanzien van het afzien van handhaving, waarbij de rechtbank het college onder andere in overweging heeft gegeven de afwijking te legaliseren. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“Het college heeft namelijk meerdere opties. Behalve het nemen van een besluit op basis van een (nieuwe / andere) belangenafweging in verband met de (on)evenredigheid, kan hij immers (tevens) besluiten de overtreding van de omgevingsvergunning te legaliseren (zie onder 13.) al was het maar omdat er anders sprake blijft van een (voortdurende) gedoogsituatie.”
3.3.
Vergunninghoudster heeft op 12 december 2023 een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk ingediend, waarbij het bouwplan is aangepast in die zin dat het bouwplan nu overeenkomt met de door STAB geconstateerde afwijkingen. Het college heeft op 5 februari 2024 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Daardoor is de eerder geconstateerde overtreding (afwijking van de omgevingsvergunning van 6 maart 2019) gelegaliseerd. Het college heeft daarna met het bestreden besluit een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser genomen. Het bezwaar van eiser is in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het primaire besluit is in stand gelaten met een nadere motivering.
3.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Toetsingskader
4. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit is ingediend voor 1 januari 2024, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht.
4.1.
Op voorhand overweegt de rechtbank dat aan haar ter toetsing voorligt het bestreden besluit waarbij eisers bezwaren tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek ongegrond zijn verklaard. Voor zover eiser in dit beroep ook bezwaren heeft geuit tegen de inmiddels onherroepelijk geworden omgevingsvergunning die op 5 februari 2024 aan vergunninghoudster is verleend, geldt dat deze niet in deze procedure thuis horen. De rechtbank kan en mag geen oordeel vellen over de rechtmatigheid van dat besluit. Dat valt buiten de omvang van dit beroep.
Is er sprake van procesbelang?
5. De rechtbank heeft op zitting, ambtshalve, de vraag aan de orde gesteld of eiser nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Immers, de overtreding is inmiddels onherroepelijk gelegaliseerd omdat door eiser tegen de omgevingsvergunning van 5 februari 2024 geen beroep is ingesteld. Handhaving is dus niet meer aan de orde. Ter zitting is de rechtbank gebleken dat het doel van eisers beroep is om te bewerkstelligen dat het primaire besluit door het college wordt herroepen, dan wel door de rechtbank wordt vernietigd. Volgens eiser heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte het primaire besluit in stand gelaten door zich niet uit te laten over de vraag of het college destijds handhavend had moeten optreden en dient daarom het bestreden besluit vernietigd te worden. Eiser verwijt het college tevens dat hij gewacht heeft met het nemen van het bestreden besluit totdat de overtreding was gelegaliseerd. De rechtbank begrijpt uit eisers toelichting ter zitting dat hij een erkenning wenst van het college dat hij ten onrechte niet heeft gehandhaafd toen de overtreding van de omgevingsvergunning nog niet gelegaliseerd was. Vervolgens wenst eiser zijn schade, voor zover hiervan sprake zou zijn, te kunnen verhalen op de gemeente.
5.1.
De rechtbank overweegt dat niet onmogelijk is dat het beroep van eiser de door hem gewenste uitkomst heeft. Met die uitkomst zou eiser zijn voordeel kunnen doen bij zijn streven om de door hem gestelde schade op de gemeente te verhalen.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser ook na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning van 5 februari 2024 nog procesbelang heeft bij deze procedure. De rechtbank komt daarom toe aan het beoordelen van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Is het bestreden besluit rechtmatig?
6. Eiser heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat het college in het bestreden besluit ex tunc had moeten toetsen of hij handhavend had moeten optreden. Ten tijde van het verzoek om handhaving en het nemen van het primaire besluit was de overtreding immers nog niet gelegaliseerd. Het college heeft in het bestreden besluit echter ex nunc getoetst of hij bevoegd was om te handhaven, dat wil zeggen toetsing waarbij ook relevante feiten en omstandigheden worden betrokken van na het nemen van het primaire besluit. Vanwege de legalisatie is het college tot de conclusie gekomen dat hij hier niet langer toe bevoegd was. Dat is de reden geweest voor het college om de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand te laten.
6.1.
De rechtbank overweegt dat het college in bezwaar, als het gaat om handhaving, is gehouden om ex tunc te toetsen of er ten tijde van de totstandkoming van het primaire besluit sprake was van een overtreding. Tussen partijen is echter niet in geschil dat er sprake is geweest van een overtreding. Dit is ook in de uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2023 komen vast te staan. Echter, de vraag of het college ten tijde van de beslissing op bezwaar (nog altijd) de bevoegdheid heeft om handhavend op te treden en of er bijzondere omstandigheden zijn die handhaving op dat moment onevenredig maken, dient naar het oordeel van de rechtbank in bezwaar ex nunc getoetst te worden door het college. Van dit uitgangspunt dient alleen te worden afgeweken als doel en strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich hiertegen verzetten.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 16 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 juli 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 10 oktober 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5996.
ECLI:NL:RVS:2008:BC7645 en ECLI:NL:RVS:2017:2237.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571, rechtsoverweging 7.2.1.