Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-07-01
ECLI:NL:RBLIM:2025:6296
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,593 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.246199.24 OWV
tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2025 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] 1984,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. A. Cinar, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 juni 2025. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.246199.24. Op 1 juli 2025 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.
2De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op €15.260,00.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft primair gerekwireerd tot toewijzing van de vordering wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 9.289,67 toegewezen dient te worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 9.289,67.
3.3
Beoordeling
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 1 juli 2025 is [verdachte] veroordeeld wegens:
Feit 1: als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge/naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige bediening is gedaan, meermalen gepleegd;
Feit 2: als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd;
Feit 3: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
Feit 4: opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Het bewijs
De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van 1 juli 2025 in de onderliggende strafzaak.
Die bewijsmiddelen houden – kort gezegd – in de verklaringen van [naam 1] (€ 1.350,00), [naam 2] (€ 2.400,00), [naam 3] (€ 450,00), [naam 4] (€ 700,00) en [naam 5] (€ 1.100,00) waarin zij verklaren hoeveel zij betaald hebben aan [verdachte] en de eigen verklaring van [verdachte] waarin hij zegt geld te hebben ontvangen van de taakgestraften in ruil voor het aftekenen van hun taakstrafuren.
Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat er in het dossier voldoende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat [verdachte] voordeel heeft genoten van de gepleegde strafbare feiten. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Uit de verklaringen van de taakgestraften en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel volgt dat de verdachte (in ieder geval) een bedrag van € 6.000,00 (€ 1.350,00 + € 2.400,00 + € 450,00 + € 700,00 + € 1.100,00) heeft verkregen aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierbij verwijst de rechtbank naar het vonnis van [verdachte] van 1 juli 2025.
Aan de hand van het bewezenverklaarde in het vonnis van 1 juli 2025 stelt de rechtbank vast dat [verdachte] eveneens van de taakgestraften [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] geld heeft ontvangen. Het kan niet vastgesteld worden welk bedrag zij ieder exact hebben betaald. De rechtbank gaat uit van de volgende berekening:
Gemiddeld uurtarief
[naam 1] : € 1.350,00 (betaald bedrag)/ 49 (afgetekende uren werkstraf) = € 27,55
[naam 2] : € 2.400,00 (betaald bedrag)/ 235,5 (afgetekende uren werkstraf) = € 10,19
[naam 3] : € 450,00 (betaald bedrag)/ 104 (afgetekende uren werkstraf) = € 4,32
[naam 4] : € 700,00 (betaald bedrag)/ 70 (afgetekende uren werkstraf) = € 10,00
[naam 5] : € 1.100,00 (betaald bedrag)/ 72 (afgetekende uren werkstraf) = € 15,27
€ 27,55 + € 10,19 + € 4,32 + € 10,00 + € 15,27 = € 67,33
€ 67,33 / 5 (taakgestraften) zou opleveren € 13,46 gemiddeld ontvangen bedrag per uur. Zonder de betaling van [naam 3] hierbij te betrekken, komt het gemiddelde bedrag per uur uit op € 15,75. De rechtbank gaat, in het voordeel van verdachte, uit van € 15,00 als gemiddeld ontvangen bedrag per uur, nu het bedrag per uur bij [naam 3] onverklaarbaar laag is en niet representatief blijkt voor (alle) andere betalingen.
Veronderstelde betalingen van [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9]
Bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt met betrekking tot de overige vier verdachten uitgegaan van de gemiddelde gewogen uurvergoeding aan [verdachte] van € 15,00. De rechtbank gaat in haar schatting uit van de volgende betaalde bedragen:
Verdachte
Aantal werkstrafuren
Veronderstelde betaling (werkstrafuren x € 15,00)
[naam 6]
94
€ 1.410,00
[naam 7]
48,5
€ 727,50
[naam 8]
92
€ 1.380,00
[naam 9]
80
€ 1.200,00
Totaal
314,5
€ 4.717,50
De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 6.000,00 + € 4.717,50 = € 10.717,50.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 10.717,50 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4Het wettelijke voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 10.717,50;
legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 10.717,50;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 214 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. drs. J.M.A. van Atteveld, voorzitter, mr. G.H. Hermanides en mr. M.G.J.M. van der Staak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Tubée, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juli 2025.
Buiten staat
Mr. Van der Staak is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.