Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-06-12
ECLI:NL:RBLIM:2025:5695
Civiel recht
Kort geding
1,085 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11693587 \ CV EXPL 25-2165
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 12 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Rahnama'i,
tegen
DE DUURZAME JONGENS B.V.,
te Sittard,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Duurzame Jongens,
gemachtigde: mr. J.A. Houben-Timmermans.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Maastricht.
De zaak wordt behandeld door mr. A.P.A. Bisscheroux, kantonrechter, en mr. S. Hollanders als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] , bijgestaan door mr. Rahnama'i, - [naam 1] en [naam 2] namens De Duurzame Jongens, bijgestaan door mr. Houben-Timmermans.
De kantonrechter gaat over tot de mondelinge behandeling. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Daarvan zijn zittingsaantekeningen gemaakt die in het dossier worden gevoegd.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat zij op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak zal doen. De kantonrechter doet de volgende uitspraak:
Beoordeling
De zaak in het kort
1.1.
[eiser] vordert onder andere loonbetaling (bij ziekte) vanaf 17 april 2025 omdat hij van mening is dat hij nog steeds in dienst is van De Duurzame Jongens. Ook vordert hij wedertewerkstelling, in overeenstemming met zijn medische beperkingen en re-integratieverplichtingen, zoals vastgesteld door de bedrijfsarts. De Duurzame Jongens stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst op 17 april 2025 van rechstwege geëindigd is, omdat de laatste (derde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was aangegaan, voor de duur van zes maanden. De beëindiging is tijdig aangezegd per e-mail van 6 maart 2025.
Beoordeling
1.2.
De kantonrechter in dit kort geding dient te beoordelen of de vorderingen van [eiser] in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
1.3.
Geschil
1.4.
Om te kunnen vaststellen of de handtekening op deze arbeidsovereenkomst door [eiser] is gezet, is nadere bewijslevering noodzakelijk. De bewijslast ligt bij De Duurzame Jongens. Zoals reeds overwogen, is in deze procedure geen plaats voor die nadere bewijslevering. Daarvoor zal een bodemprocedure aanhangig moeten worden gemaakt. Gelet op hetgeen partijen in deze procedure hebben aangevoerd acht de kantonrechter de kans dat De Duurzame Jongens in die bewijslevering slaagt niet onaannemelijk. Het is in dit kort geding dan ook niet gebleken dat de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een voldoende aannemelijke kans van slagen hebben. Daarom kunnen zijn vorderingen in deze procedure niet worden toegewezen, temeer niet gelet op het restitutierisico aangezien loon in beginsel wordt uitgegeven. De vorderingen worden dan ook afgewezen.
1.5.
[eiser] is de in het ongelijk gestelde partij. [eiser] is arbeidsongeschikt wegens ziekte en kan op grond van artikel 7:629a lid 6 BW niet worden veroordeeld in de proceskosten tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van dat laatste is niet gebleken. De proceskosten tussen partijen worden daarom gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
2.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 12 juni 2025.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.