Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-05-28
ECLI:NL:RBLIM:2025:5430
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,016 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2025:5430 text/xml public 2026-03-13T18:36:52 2025-06-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-05-28 03.045879.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Roermond Strafrecht Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2026:376, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:5430 text/html public 2025-11-17T16:50:40 2025-11-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:5430 Rechtbank Limburg , 28-05-2025 / 03.045879.25 Veroordeling wegens medeplegen van het vervoer van 121 kilogram cocaïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.045879.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1997, gedetineerd in [locatie PI] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.C.B. Dionisius, advocaat kantoorhoudende te Breda. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 mei 2025. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] met het parketnummer 03.045897.25. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 10 februari 2025 in Maastricht en/of Weert althans in Nederland samen met een ander ongeveer 121,08 kilogram cocaïne heeft vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte opzettelijk cocaïne heeft vervoerd. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor de wetenschap van de aanwezigheid van aangetroffen cocaïne in de auto. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Verbalisanten van de politie hebben op 10 februari 2025 geobserveerd en – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende waargenomen: 10:25 uur Wij zagen dat een grijze Audi A4, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] , de parkeerplaats van de [naam bedrijf] in Maastricht op gereden kwam. Wij zagen dat [naam] uitstapte en richting de Audi [kenteken 1] en Mercedes met het kenteken [kenteken 2] liep. Wij zagen dat de bestuurder van de Audi [kenteken 1] het raam een beetje opende en wij zagen dat [naam] contact maakte met de bestuurder van de Audi [kenteken 1] . Wij zagen dat de Audi [kenteken 1] naast de Mercedes met kenteken [kenteken 2] parkeerde. Wij zagen dat twee mannen uit de Audi [kenteken 1] stapten. Wij zagen dat een man gekleed was in een gewatteerde jas en donker haar had. Nader te noemen NN1. Wij zagen dat de andere man kort geschoren haren had. Nader te noemen NN2. 10:26 uur Wij zagen dat [naam] de Mercedes [kenteken 2] opende. Wij zagen dat NN1 en NN2 6 dozen uit de Mercedes [kenteken 2] haalden en de dozen in de Audi [kenteken 1] legden. 10:27 uur Wij zagen dat NN1 en NN2 instapten in de Audi [kenteken 1] en dat deze vertrok. 11.10 uur Controle door SIV (Snel Interventie Voertuig) op de A2 ter hoogte van afrit Weert noord. Einde observatie op de Audi [kenteken 1] . Verbalisanten van de politie relateerden het volgende: Op 10 februari 2025 omstreeks 10.30 uur, werden wij rapporteurs, geïnformeerd door een onderzoeksteam dat er een personenauto onderweg zou zijn naar Maastricht en dat er in dit voertuig mogelijk een grote hoeveelheid verdovende middelen zouden liggen. Hierop reden wij met twee opvallende dienstvoertuigen richting Maastricht. Toen wij ter hoogte van het aldaar gelegen vliegveld reden werden wij gebeld dat de inhoud van het eerdere voertuig zou zijn overgeladen naar een andere personenauto. Dit zou een personenauto betreffen van het merk en type Audi A4 voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Dit voertuig zou inmiddels onderweg zijn over de autosnelweg A2 in de richting van Eindhoven en komende uit de richting van Maastricht. Ter hoogte van de afrit Nederweert zagen wij het eerdergenoemde voertuig rijden in noordelijke richting. Kort voordat wij afrit Weert-noord naderden gaven wij het betrokken voertuig een volgteken middels onze politie-stoptransparant. Aan het eind van de afrit gaven wij op de vluchtstrook de bestuurder van het voertuig een stopteken. Wij zagen dat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand bracht. Wij zagen dat er twee personen in het voertuig zaten. Wij zagen dat er enkele bruine dozen op de achterbank stonden. Wij zagen dat de bestuurder ons een geldig identificatiemiddel overhandigde en opgaf te zijn [medeverdachte] geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] . Omdat de bijrijder geen identificatiemiddel bij zich droeg, stelden wij zijn identiteit later vast en bleek hij te zijn: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats 1] . Gelet op de eerdere informatie besloten wij op grond van artikel 96b Wetboek van Strafvordering het voertuig te doorzoeken. Wij openden de kofferruimte en zagen hierin enkele bruine dozen staan die met grijze tape waren dichtgeplakt. Wij namen deze dozen in beslag. Wij openden een van deze dozen en zagen dat hier meerdere blokvormige voorwerpen in lagen die bruin van kleur waren en waarvan het leek alsof deze met bruine tape waren ingewikkeld. Wij zagen aan de stand van het voertuig, met name de doorgezakte achterophanging, dat het voertuig zwaar beladen was. De personenauto met het Nederlands kenteken [kenteken 1] is vervolgens in beslag genomen. Verbalisanten van de politie van het team forensische opsporing hebben de personenauto op 10 februari 2025 onderzocht . Zij hebben daarover het volgende gerelateerd: Op de achterbank van het voertuig zagen wij twee, met zilverkleurige duct-tape dichtgeplakte, verhuisdozen en een kleinere doos die geheel dichtgeplakt was met bruine tape. In de kofferbak van het voertuig zagen wij drie verhuisdozen die dichtgeplakt waren met zilverkleurige duct-tape. Door ons werden alle dozen uit het voertuig genomen en geopend. Wij zagen dat in alle dozen pakketten van, vermoedelijk, cocaïne aanwezig waren. Tijdens het openen van deze dozen rook ik, [verbalisant] , een voor mij ambtshalve bekende geur van cocaïne. De kennisgeving van inbeslagneming vermeldt dat op 10 februari 2025 om 11:15 uur bij de aanhouding van de bestuurder van de Audi met kenteken [kenteken 1] het volgende in beslag is genomen dat is aangetroffen in voornoemde Audi: 6 dozen met daarin 121 blokken van ongeveer een kilo per stuk (SIN AAQD8532NL). Aan de 121 blokken, verdeeld over 6 dozen werd SIN AAQD8532NL toegekend. Die partij werd vervolgens opgesplitst in twee groepen: 71 wit gekleurde blokken met daaromheen meerdere lage verschillende soorten kunststof met op meerdere lagen de tekst ‘’xtz’’ De blokken hadden aan één zijde de indruk van een ruitjesmotief en de tekst "xtz”. Deze groep werd voorzien van SIN AANSK5749NL; 50 wit gekleurde blokken met daaromheen meerdere lagen verschillende soorten kunststof, met op één laag een afbeelding van meerdere geldbiljetten en goudstaven. De blokken hadden aan één zijde de indruk van een ruitjesmotief en de tekst "77-77". De groep werd voorzien van SIN AASK5750NL. De rapportages NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut vermelden dat de witte blokken met kenmerk AANSK5749NL in totaal 71048 gram wegen. Hieruit zijn 23 bemonstering onderzocht. De witte blokken met kenmerk AASK5750NL wegen in totaal 50029 gram. Hieruit zijn 20 bemonsteringen onderzocht. De bemonsteringen uit AANSK5749NL en AANSK5750NL bevatten cocaïne. Overwegingen van de rechtbank Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] op 10 februari 2025 harddrugs heeft vervoerd in een auto.
Volledig
Voor het bewijs van het opzettelijk vervoeren van drugs in de zin van de Opiumwet, is vereist dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs en dat deze zich in zijn machtssfeer bevonden. Vast staat dat de verdachte, als bijrijder, samen met de medeverdachte [medeverdachte] in de auto zat en dat op de achterbank en in de kofferbak van die auto 6 dozen zijn aangetroffen. Deze dozen heeft de verdachte, samen met de medeverdachte, tijdens de 3 minuten dat ze aanwezig waren op de parkeerplaats van de [naam bedrijf] in Maastricht, uit een ander voertuig getild en ingeladen in hun auto In die die dozen bevonden zich 121 blokken cocaïne. De verdachte heeft verklaard dat hij op vakantie was in Nederland en dat een vriend van hem heeft voorgesteld om met de medeverdachte [medeverdachte] mee te rijden. De verdachte is vervolgens meegegaan om steden van Nederland te zien. Toen zij op de parkeerplaats van de [naam bedrijf] te Maastricht arriveerden heeft hij geholpen de dozen in de auto te tillen. De verdachte heeft er niet over na gedacht wat er zich in de dozen zou bevinden. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte vaag en niet concreet is en daardoor geen aanknopingspunten biedt voor enige nadere verificatie. Zo wil of kan de verdachte de naam van zijn vriend niet noemen die heeft voorgesteld om met medeverdachte [medeverdachte] mee te rijden. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte voor een toeristisch bezoek in Nederland verbleef. Zo zou hij gedurende zijn vakantie bij een vriend verblijven, maar kon hij zich niet herinneren in welke plaats dit was en kon hij geen gegevens over zijn reis overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Nu verdachte kennelijk geen openheid wenst te geven over de ware reden van zijn verblijf in Nederland en zijn handelen op 10 februari 2025, en gelet op de gang van zaken op de parkeerplaats bij de [naam bedrijf] , kan het niet anders dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto en dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte] naar Maastricht is gereden om de harddrugs op te halen. De rechtbank acht het medeplegen van het vervoeren van ongeveer 121,08 kilogram cocaïne wettig en overtuigend bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 10 februari 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 121,08 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft in geval van bewezenverklaring verzocht rekening houden de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ongeveer 121 kilogram cocaïne. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen cocaïne moet aangenomen worden dat deze bestemd was voor de handel. De verspreiding van en handel in deze grote hoeveelheden cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en is een gevaar voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de drugshandel niet zelden gepaard met geweld, waardoor die handel ook een gevaar is voor de veiligheid. Bovendien gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen. De rechtbank acht, gelet op de ernst van het feit, geen andere strafmodaliteit passend dan een forse gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op hetgeen in vergelijkbare gevallen als straf wordt opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden opleggen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering. 7 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 47 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 54 maanden ; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. K. Mestrom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H.M. Meisen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 mei 2025. BIJLAGE I : De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Maastricht en/of Weert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 121,08 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LBRAA24004-1409, gesloten d.d. 25 maart 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 149. Proces-verbaal van observatie d.d. 11 februari 2025, pg. 52-53, Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2025, pg. 56. Geschrift, te weten de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 februari 2025, pg. 140-141. Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Audi [kenteken 1] ), d.d. 17 februari 2025, pg. 61-62. Geschriften, te weten de kennisgevingen van inbeslagneming d.d. 11 februari 2025, pg. 142. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, pg. 58. De deskundigenrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 februari 2025, pg. 59 en de deskundigenrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 12 februari 2025, pg. 60.