Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-05-21
ECLI:NL:RBLIM:2025:4985
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,854 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11288290 \ CV EXPL 24-4381
Vonnis van 21 mei 2025
in de zaak van
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V. H.O.D.N. AUDI FINANCIAL SERVICES,
te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: Volkswagen,
gemachtigde: Jongejan & Wisseborn c.s. Harderwijk,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 februari 2025
- de akte uitlating van Volkswagen
- [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om een antwoordakte te nemen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft met Volkswagen op 23 februari 2021 een leaseovereenkomst gesloten op grond waarvan Volkswagen aan [gedaagde] een Audi A3 Sportback met kenteken [kenteken] in gebruik heeft gegeven en [gedaagde] aan Volkswagen een bedrag diende te betalen van laatstelijk € 410,73 per maand.
2.2.
Op de overeenkomst zijn de “Algemene voorwaarden Keurmerk Private Lease” en de “Aanvullende voorwaarden op de Algemene voorwaarden Keurmerk Private Lease” van toepassing verklaard.
2.3.
[gedaagde] is vanaf januari 2024 in gebreke gebleven met het betalen van de afgesproken termijnbedragen.
2.4.
Volkswagen heeft de leaseovereenkomst beëindigd per 17 mei 2024.
2.5.
Volkswagen heeft [gedaagde] verzocht om de auto te retourneren. [gedaagde] heeft dit niet gedaan en Volkswagen heeft daarom een recherchebureau ingeschakeld. Het recherchebureau heeft de auto getraceerd, opgehaald en bij Volkswagen afgeleverd.
2.6.
De auto kwam retour bij Volkswagen met een kapotte sleutel. Daarnaast ontbraken de reservesleutel en de hoedenplank.
Beoordeling
De gevorderde hoofdsom
3.1.
Volkswagen legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] een totaalbedrag van € 6.435,37 aan hoofdsom onbetaald heeft gelaten, terwijl [gedaagde] op grond van de tussen partijen geldende leaseovereenkomst en de van toepassing zijnde algemene voorwaarden wel tot betaling van voornoemd bedrag gehouden is. De gevorderde hoofdsom bestaat uit:
onbetaald gelaten huurtermijnen over vijf maanden: € 2.021,72
kosten inname en transport: € 733,77
km-aftrek, beëindigingskosten en credit huur: € 3.116,32
kosten voor ontbrekende onderdelen en kapotte sleutel: € 563,56
Volkswagen heeft hiervoor afzonderlijke facturen gestuurd aan [gedaagde] (productie 3).
3.2.
[gedaagde] betwist de vordering ter hoogte van € 563,56. Volgens [gedaagde] is dit schadevergoeding en is Volkswagen degene die overeenkomstig de leaseovereenkomst de schade moet betalen. Daarnaast betwist [gedaagde] de verschuldigdheid van twee leasetermijnen. Volkswagen vordert volgens [gedaagde] tweemaal de termijnbedragen over de maand april 2024. Daarnaast wordt de maand mei 2024 volgens [gedaagde] volledig gevorderd terwijl de auto in mei 2024 is ingenomen door Volkswagen. [gedaagde] erkent de verschuldigdheid ten aanzien van de overige voornoemde kostenposten.
3.3.
Volkswagen stelt in de conclusie van repliek dat de kosten voor de ontbrekende onderdelen en de kapotte sleutel overeenkomstig artikel 63 van de algemene voorwaarden voor rekening van [gedaagde] komen. Ten aanzien van de tweemaal opgenomen termijnen “huur april” onder punt 7. van de dagvaarding stelt Volkswagen dat er sprake is van een typefout. Per abuis is bij de factuur van 01-06-2024 ‘april’ opgenomen waar ‘juni’ had moeten staan. Volkswagen voert aan dat de factuur voor de maand juni gecrediteerd is aangezien de leaseovereenkomst op 17 mei is beëindigd en dat dit blijkt uit de eindafrekening d.d. 22 mei 2024 (productie 3). Aangezien de leaseovereenkomst op 17 mei 2024 beëindigd is, dient [gedaagde] wel te betalen over de periode van 1 mei 2024 tot en met 17 mei 2024. Het overige deel van de maand (18 mei 2024 tot en met 31 mei 2024) is ook gecrediteerd op voornoemde eindafrekening.
3.4.
De kantonrechter volgt Volkswagen in haar stelling dat [gedaagde] op grond van artikel 63 van de algemene voorwaarden gehouden is de kosten te betalen voor de ontbrekende onderdelen en de kapotte sleutel ter hoogte van € 563,56. Daarnaast is er volgens de kantonrechter onder punt 7. van de dagvaarding sprake van een kennelijke verschrijving. Volkswagen heeft voor de maand juni 2024 een factuur gestuurd zoals volgt uit productie 3. Waar staat “01-06-2024 huur april” dient dus te staan “01-06-2024 huur juni”. Uit de eindafrekening volgt dat Volkswagen op juiste wijze gecrediteerd heeft. Volkswagen heeft namelijk een bedrag van € 588,71 met omschrijving “verrekening vooruit betaalde leasetermijnen na 17-05-2024 tot en met 30-06-2024” gecrediteerd. Volkswagen heeft op grond van het voorgaande dus geen leasetermijnen dubbel gevorderd. Aangezien [gedaagde] niet meer heeft gereageerd op de conclusie van repliek terwijl deze conclusie wel tot een nadere stellingname ter onderbouwing van het verweer noopte, zal de kantonrechter het verweer als zijnde niet voldoende onderbouwd verwerpen. De gehele gevorderde hoofdsom ligt als niet langer weersproken voor toewijzing gereed.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.5.
Volkswagen vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 696,77. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. In de door Volkswagen aan [gedaagde] verstuurde aanmaning (productie 6), die overigens voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen, is een lager bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten genoemd dan is gevorderd. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden toegewezen tot het in die aanmaning genoemde bedrag, dat overeenkomt met het in het Besluit bepaalde tarief, zijnde € 400,55.
De gevorderde rente
3.6.
De kantonrechter heeft in voornoemd tussenvonnis Volkswagen en daarna [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op het voornemen van de kantonrechter om het beding in de aanvullende voorwaarden met betrekking tot de contractuele rente van 1.5% per maand te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter daarvan.
3.7.
Volkswagen stelt zich bij akte op het standpunt dat Volkswagen deze voorwaarden niet langer hanteert. Verder voert Volkswagen aan dat in de oudere contracten, zoals van toepassing op [gedaagde] , Volkswagen in het geheel geen rente heeft berekend. Pas nadat Volkswagen de vordering uit handen heeft gegeven aan haar gemachtigde heeft zij de wettelijke consumentenrente berekend over het verschuldigde bedrag.
3.8.
[gedaagde] heeft geen antwoordakte genomen.
3.9.
De kantonrechter dient ambtshalve over te gaan tot vernietiging van een oneerlijk beding, ook als de eisende partij in een procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Het gegeven dat Volkswagen het betreffende beding niet langer hanteert maakt dat niet anders. Het gaat om de van toepassing zijnde voorwaarden op het moment van het sluiten van de overeenkomst, tenzij Volkswagen de gewijzigde voorwaarden in het geding zou hebben gebracht en had aangetoond dat [gedaagde] akkoord is gegaan met deze gewijzigde voorwaarden, maar dat heeft Volkswagen niet gedaan.
3.10.
De kantonrechter komt naar aanleiding van de akte van Volkswagen dan ook niet tot een ander oordeel dan dat het beding zoals opgenomen in de aanvullende voorwaarden in “aanvulling op artikel 20” oneerlijk is en de kantonrechter vernietigt daarom voornoemd beding. Het terugvallen op wettelijke bepalingen bij de vernietiging van een oneerlijk beding is niet mogelijk. De kantonrechter verwijst naar hetgeen overwogen onder 3.4. van voornoemd tussenvonnis. De gevorderde rente wordt dus afgewezen.
Conclusie
3.11.
Uit het voorgaande volgt dat het volgende bedrag wordt toegewezen:
Hoofdsom: € 6.435,37
Buitengerechtelijke kosten: € 400,55
Totaal: € 6.835,92
Informatiekosten
3.12.
De gevorderde informatiekosten worden overeenkomstig de aanbevelingen van het LOVCK toegewezen.
Proceskosten
3.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Volkswagen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.450,54
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Volkswagen te betalen een bedrag van € 6.835,92,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.450,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.
SH