Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-05-21
ECLI:NL:RBLIM:2025:4758
Civiel recht; Goederenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,098 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/333233 / HA ZA 24-337
Vonnis van 21 mei 2025
in de zaak van
GEMEENTE VENRAY,
te Venray,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. L.H.W. Golsteijn,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaatsnaam] (gemeente Venray),
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.H.U. Keizer.
1Inleiding
Deze zaak draait om de eigendom van een strook grond. De gemeente stelt eigenaar te zijn en wil dat [gedaagde] de strook ontruimt. Volgens [gedaagde] is hij door verjaring eigenaar van de strook geworden. [gedaagde] wil medewerking van de gemeente om dit in te schrijven in de registers. De rechtbank geeft [gedaagde] gelijk.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie- de mondelinge behandeling van 10 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de aktes uitlaten doorprocederen van partijen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[gedaagde] is sinds 1979 eigenaar van een perceel grond aan de [adres] in [plaatsnaam] (gemeente Venray). De gemeente is eigenaar van het aangrenzende perceel, waarop de [adres] (hierna: de weg) is gelegen. De weg was in 1979 aan de zijkanten voorzien van een trottoir.
3.2.
Toen [gedaagde] in 1979 het perceel kocht was zijn woning daarop nog in aanbouw. De notariële leveringsakte van 25 juli 1979 geeft aan dat het perceel afgepaald aan [gedaagde] is geleverd. Deze akte bevat geen kadastrale tekening of andere afbeelding. Voorafgaand aan de koop van het perceel heeft [gedaagde] in 1978 een situatietekening gekregen van zijn perceel, aangeduid als kavel 1. Deze is hieronder ingevoegd, met een door [gedaagde] toegevoegde rode cirkel die de grens van zijn perceel en het trottoir aangeeft.
Situatietekening 1978
3.3.
[gedaagde] heeft op enig moment een haag geplaatst. Deze haag stond in ieder geval vanaf 2004 tot en met 2023 tegen het trottoir van de weg. Hieronder zijn afbeeldingen toegevoegd van de haag uit 2004 en 2009.
[Foto voorzijde woning]
Afbeelding 2004
[Foto voorzijde woning]
Afbeelding 2009
3.4.
De gemeente heeft op 16 september 2022 een brief gestuurd aan [gedaagde] met de mededeling dat zijn voortuin voor een deel op gemeentegrond ligt. De gemeente verzoekt hem in de brief mee te werken aan teruggave van de grond omdat die nodig is voor een reconstructie van de [adres] . Het betreft een strook grond van ongeveer 31 m2 (hierna: de strook). Volgens de kadastrale kaart ligt de strook op het perceel van de gemeente.
3.5.
[gedaagde] heeft geweigerd de strook te ontruimen. Hij stelt niet te hebben geweten dat de strook van de gemeente was en stelt inmiddels door verjaring eigenaar van de strook te zijn geworden.
3.6.
In oktober 2023 heeft [gedaagde] toestemming gegeven aan de gemeente om kabels en leidingen op de strook aan te leggen. De haag is daarbij verwijderd. Daarna is de strook weer tot zijn beschikking gesteld. De gemeente heeft een nieuw trottoir langs de weg geplaatst dat nu doodloopt aan de grens van het perceel van [gedaagde] . De strook ziet sinds 2023 als volgt uit.
[Foto voorzijde woning]
Situatie strook per 2023
Geschil
in conventie
4.1.
De gemeente vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat de strook haar eigendom is en [gedaagde] te veroordelen de strook te ontruimen. Daarnaast vordert zij voorwaardelijk, als [gedaagde] door verjaring eigenaar van de strook is geworden, schadevergoeding in natura door levering van de strook aan de gemeente en veroordeling van [gedaagde] tot medewerking daartoe op straffe van een dwangsom. Meer subsidiair vordert zij nog een schadevergoeding van € 5.000,-. Tot slot vordert zij [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. Omdat er – samengevat – sprake is van verkrijgende of bevrijdende verjaring, concludeert [gedaagde] tot niet-ontvankelijkheid van de gemeente, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[gedaagde] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat hij door verkrijgende of bevrijdende verjaring eigenaar van de strook is geworden en de gemeente te veroordelen tot medewerking aan opmaking van een notariële akte die getuigt van de eigendomsverschuiving door verjaring en inschrijving daarvan in de openbare registers op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert hij voorwaardelijk, als hij de strook moet leveren aan de gemeente, vergoeding van het bedrag waarmee hij wordt verarmd.
4.5.
De gemeente voert verweer. De gemeente verzoekt om [gedaagde] niet ontvankelijk te verklaren of de vorderingen af te wijzen, en – geheel subsidiair – te bepalen dat [gedaagde] alle kosten dient te dragen met betrekking tot het opmaken van een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
Kern van de zaak
5.1.
Deze zaak ziet op de vraag wie eigenaar is van de strook. Tussen partijen staat vast dat de gemeente dat was toen [gedaagde] de strook in gebruik nam. Volgens de gemeente is zij nog steeds eigenaar, maar [gedaagde] doet een beroep op verjaring. Omdat de vorderingen in zowel conventie als reconventie met het beroep op verjaring samenhangen, zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen. De rechtbank zal hieronder eerst het relevante toetsingskader voor verjaring schetsen en vervolgens beoordelen of aan de voorwaarden van verjaring is voldaan aan de hand van de stellingen van partijen.
Toetsingskader verjaring
5.2.
Voor een geslaagd beroep op zowel verkrijgende verjaring (artikel 3:99 BW) als bevrijdende verjaring (artikel 3:105 BW) is vereist dat iemand een goed voor een onafgebroken periode bezit. Voor verkrijgende verjaring moet het bezit te goeder trouw zijn en is de periode van onafgebroken bezit tien jaar. Voor bevrijdende verjaring is goede trouw niet vereist en is de periode van onafgebroken bezit twintig jaar. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (art. 3:107 lid 1 BW) en bezit kan worden verkregen door inbezitneming. Dat betekent dat iemand de feitelijke macht over het goed gaat uitoefenen en zich gedraagt als rechthebbende (artikel 3:113 lid 1 BW). Die machtsuitoefening moet zodanig zijn dat het bezit van de oorspronkelijke bezitter daarmee beëindigd wordt (artikel 3:113 lid 2 BW). Of iemand de vereiste feitelijke macht uitoefent wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). Bij die beoordeling geldt geen andere maatstaf voor grond met een publiekrechtelijke bestemming. Wel wordt het feit dat het om publieke grond gaat meegewogen bij de omstandigheden van het geval.
5.3.
Om vast te stellen of [gedaagde] door verjaring eigenaar is geworden van de strook dient de rechtbank dus te beoordelen of [gedaagde] de strook in bezit heeft genomen, of dat bezit voor een onafgebroken periode van tien of twintig jaar was, en of dat bezit te goeder trouw is verkregen.
Inbezitname strook
5.4.
[gedaagde] stelt dat hij de feitelijke macht uitoefent over de strook en deze met het plaatsen van de haag in bezit heeft genomen. Door de haag te planten langs het trottoir is de strook visueel één geheel gaan vormen met de tuin van [gedaagde] en dat geheel is afgebakend van de stoep. De strook heeft door de haag geen openbaar of toegankelijk karakter – er liep nooit iemand over de strook toen de haag er stond, aldus [gedaagde] .
5.5.
De gemeente stelt dat [gedaagde] de strook niet in bezit heeft genomen. De haag vormt volgens de gemeente geen optisch geheel met de rest van de tuin en is daar ook niet in bijzonder opzicht op afgestemd. De gemeente stelt dat zij zich niet hoeft te verzetten tegen het aanbrengen van verfraaiingen op haar grond. Door een haag te planten heeft [gedaagde] zich niet ondubbelzinnig gedragen als enig rechthebbende omdat de haag het perceel niet volledig afsluit. De strook is dus niet ontoegankelijk gemaakt voor het publiek, waardoor het voor derden niet duidelijk is dat de feitelijke macht van de gemeente zou zijn geëindigd, aldus de gemeente. Daarnaast geldt volgens de gemeente voor de inbezitneming van publieke grond een strengere eis dan bij niet-publieke grond waardoor minder snel moet worden aangenomen dat [gedaagde] de intentie had de strook voor zichzelf te houden.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] door de haag te plaatsen de strook in bezit genomen. De haag vormde een afscheiding tussen de stoep en de woning van [gedaagde] . Op de afbeeldingen is te zien dat de haag een zodanige lengte had dat deze niet eenvoudig te passeren was. [gedaagde] heeft de strook en zijn perceel behandeld alsof het geheel zijn voortuin was. Hij heeft bomen geplant en later verwijderd en het geheel onderhouden. De bomen die hij heeft geplant, wijken af van de bomen op de gemeentegrond. Omdat de haag het samengestelde gebied afschermde van de stoep, vormden de strook en het perceel van [gedaagde] visueel één geheel. Dit visuele geheel maakte het voor derden kenbaar dat [gedaagde] zich naar buiten toe heeft gedragen als eigenaar van de strook. Dat betekent dat [gedaagde] door het plaatsen van de haag de feitelijke macht over de strook is gaan uitoefenen. Het feit dat een derde de strook nog kon betreden via een uitsparing in de haag voor de oprit van [gedaagde] doet daar niet aan af, omdat deze uitsparing het visuele geheel niet doorbreekt. Anders dan de gemeente lijkt te stellen is het volledig ontoegankelijk maken van een stuk grond geen voorwaarde voor inbezitname, zolang door feitelijke machtsuitoefening het bezit van de gemeente kenbaar beëindigd is. Vanwege het gevormde visuele geheel dat voor eenieder zichtbaar was, had het voor de gemeente duidelijk moeten zijn dat het plaatsen van de haag niet slechts verfraaiing van gemeentegrond betrof. Omdat [gedaagde] de strook in bezit heeft genomen, zal hieronder worden beoordeeld wanneer dit bezit heeft aangevangen en of dit voor een onafgebroken periode is geweest.
Aanvang onafgebroken bezit
5.7.
Volgens [gedaagde] is dit bezit onafgebroken uitgeoefend sinds 1982. Daartoe heeft hij meerdere foto’s en verklaringen van buurtbewoners overgelegd.
5.8.
De gemeente heeft betwist dat de heg in 1982 is geplaatst omdat niet duidelijk is wanneer de foto die is overgelegd om dat te onderbouwen is genomen. Uit de overige overgelegde foto’s blijkt hoogstens dat de haag in 2004 geplaatst is, aldus de gemeente.
5.9.
[gedaagde] heeft de betwisting van de gemeente dat de haag in 1982 is geplaatst naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de haag er sinds 2004 staat. Dit is namelijk duidelijk zichtbaar op de foto uit 2004 die [gedaagde] heeft overgelegd en de gemeente heeft het onafgebroken bezit vanaf 2004 ook niet betwist. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het bezit van [gedaagde] aanving in 2004 en sindsdien doorloopt. Hieronder zal de rechtbank beoordelen of [gedaagde] het bezit te goeder trouw heeft verkregen.
Goede trouw
5.10.
[gedaagde] stelt dat hij het bezit te goeder trouw heeft verkregen. Hij stelt daartoe het volgende. Hij is de eerste eigenaar van het perceel. Toen hij het perceel kocht was het afgepaald tot aan de stoeprand. De naburige percelen waren op dezelfde manier tot aan de stoep afgepaald, en dit hebben twee buren ook verklaard. Ook de notariële leveringsakte geeft aan dat het perceel ter plaatse afgepaald zou zijn, en bevat geen kaart. De situatietekening die hij van het architectenbureau kreeg gaf de indruk dat zijn perceel eindigde bij de stoep. [gedaagde] had geen enkele aanleiding om de registers te raadplegen en mocht zich als rechthebbende beschouwen. Dit alles aldus [gedaagde] .
5.11.
Volgens de gemeente handelde [gedaagde] niet te goeder trouw omdat hij de registers niet heeft geraadpleegd voordat hij de strook in gebruik nam. [gedaagde] mocht niet enkel afgaan op de afpaling, als die al aanwezig was. [gedaagde] had onderzoek moeten doen naar de erfgrens. Hij had kunnen weten dat de strook niet tot zijn perceel behoorde door het Kadaster te raadplegen. Dit alles aldus de gemeente.
5.12.
De rechtbank stelt het volgende voorop.
Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (artikel 3:118 lid 1 BW).
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van de gemeente af,
6.2.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 2.533,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen onder 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.5.
verklaart voor recht dat [gedaagde] door verkrijgende verjaring sinds 18 september 2014, het eigendom verkreeg van de strook grond die schetsmatig is aangeduid op de tekening die als productie 9 bij de inleidende dagvaarding van de Gemeente is gevoegd en in het veld herkenbaar is als de strook grond waar gras op groeit en de oprit van [gedaagde] op ligt, die aan weerszijden ingesloten ligt tussen de nieuwe trottoirtegels en de trottoirband langs de weg,
6.6.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.6 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
6.8.
veroordeelt de gemeente in de nakosten van € 278,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2025.
JF
HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606, r.o. 3.2.
Beoordeling
Hierbij moet de nodige zorgvuldigheid zijn betracht om een verkeerde voorstelling van zaken te voorkomen: goede trouw ontbreekt niet alleen indien een persoon de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende, maar ook als hij ze behoorde te kennen (artikel 3:11 BW). Artikel 3:118 lid 3 BW bevat een regel van bewijslastverdeling: goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn. Het is daarom aan de gemeente om feiten en omstandigheden aan te dragen om dat vermoeden te weerleggen. Daarbij geldt echter dat de verkrijger van een registergoed zich niet kan beroepen op goede trouw, als hij de juiste stand van zaken had kunnen kennen door de registers te raadplegen (artikel 3:23 BW). Het Kadaster behoort niet tot de registers.
5.13.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om het vermoeden te weerleggen dat het bezit van [gedaagde] te goeder trouw was. De notariële leveringsakte noemt de afpaling die inderdaad ter plaatse was. [gedaagde] was de eerste eigenaar van het perceel en op de tekening van de architect eindigt zijn kavel bij de stoep. De buren van [gedaagde] hebben verklaard dat het perceel van [gedaagde] net als hun eigen perceel en op dezelfde manier afgepaald was. Bij deze stand van zaken was het logisch dat [gedaagde] meende eigenaar van de grond tot aan de stoep te zijn. Dat [gedaagde] de juiste stand van zaken had kunnen kennen als hij het Kadaster had geraadpleegd, maakt niet dat [gedaagde] niet te goeder trouw was omdat het Kadaster geen register is in de zin van artikel 3:23 BW. Dat de strook tegenwoordig een opmerkelijk uiterlijk heeft omdat de buren van [gedaagde] de gemeente niet hebben verhinderd een voetpad tot aan de weerszijden van de strook aan te leggen maakt dat ook niet anders. Deze situatie is namelijk pas onlangs ontstaan doordat de gemeente de uitkomst van deze procedure niet heeft afgewacht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] te goeder trouw was.
Verkrijgende verjaring
5.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] de strook verkregen in 2014 door verkrijgende verjaring. [gedaagde] heeft de strook in ieder geval in 2004 te goeder trouw in bezit genomen voor een onafgebroken periode van tien jaar. Dat betekent dat [gedaagde] in 2014 eigenaar is geworden van de strook.
Toepasselijkheid Wegenverkeerswet
5.15.
De gemeente heeft gesteld dat zij, ook als [gedaagde] eigenaar van de strook is, niet hoeft te dulden dat [gedaagde] de strook gebruikt op grond van artikel 4 en 14 van de Wegenwet. Naar het oordeel van de rechtbank is deze stelling niet juist. Op grond van artikel 1 van de Wegenwet is deze wet alleen van toepassing op openbare wegen. Ook een voetpad kan worden beschouwd als een weg in de zin van de Wegenwet. De strook is echter nooit als een weg of voetpad gebruikt en valt op grond van artikel 1 van de Wegenwet dan ook niet onder de Wegenwet. De Wegenwet is hier niet van toepassing, waardoor het gebruik van de strook door [gedaagde] niet verboden is.
Afwijzing vorderingen in conventie
5.16.
Omdat [gedaagde] eigenaar van de strook is, wijst de rechtbank de door de gemeente gevorderde verklaring voor recht dat zij eigenaar is en de gevorderde ontruiming van de strook af. De gemeente heeft in conventie voorwaardelijke schadevergoeding gevorderd, mocht [gedaagde] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook. De schadevergoeding wordt in natura gevorderd in de vorm van medewerking aan terug levering van de grond en als dat niet wordt toegewezen, wordt schadevergoeding van € 5.000,- gevorderd. Omdat [gedaagde] de strook te goeder trouw in bezit heeft genomen, draagt de inbezitneming geen onrechtmatig karakter. Daarmee komt het eigendomsverlies van de gemeente niet voor schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW in aanmerking. De rechtbank wijst dit deel de vorderingen dan ook af. Hieruit volgt dat alle vorderingen van de gemeente worden afgewezen.
Toewijzing vordering in reconventie
5.17.
Zoals besproken is [gedaagde] in 2014 eigenaar geworden van de strook. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] door verkrijgende verjaring eigenaar van de strook is geworden dan ook toewijzen. De rechtbank zal daarbij als ingangsdatum 18 september 2014 hanteren omdat de foto in 2004 op 18 september is genomen. De rechtbank zal de omschrijving van de strook zoals door [gedaagde] gewenst in het dictum vastleggen. [gedaagde] heeft, als de gemeente medewerking niet zou toezeggen, voorwaardelijk de medewerking van de gemeente gevorderd voor het inschrijven in de registers van een notariële akte waarin de eigendomsverschuiving wordt vastgelegd. Aangezien de gemeente medewerking heeft toegezegd, is aan de voorwaarde niet voldaan en behoeft deze vordering en de daaraan gekoppelde dwangsom geen verdere behandeling. De gevorderde voorwaardelijke schadevergoeding behoeft tevens geen behandeling.
Proceskosten in conventie
5.18.
De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.325,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
Totaal
€
2.553,00
5.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten in reconventie
5.20.
De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
614,00
(2 punten × factor 0,5 × € 614,00)
Nakosten in conventie en reconventie
5.21.
De gemeente zal worden veroordeeld tot betaling van de nakosten, begroot op:
- nasalaris € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).