Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-05-06
ECLI:NL:RBLIM:2025:4285
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 22/2109 uitspraak van de meervoudige kamer van 6 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiser (gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen), en de minister van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigde: C. Daniels). Waar gaat deze zaak over? 1. Eiser heeft een agrarisch bedrijf in [plaats] . Het bedrijf houdt zich bezig met de teelt van groenten en wortel- en knolgewassen. Een stuk grond dat eiser pacht is in juli 2021 onder water komen te staan. Eiser heeft vanwege de door hem geleden schade een verzoek om schadevergoeding gedaan. Een deel van de schade heeft hij vergoed gekregen, maar een deel niet. De rechtbank moet beoordelen of de minister een hoger schadebedrag had moeten uitkeren aan eiser. Wat is het oordeel van de rechtbank? 2. De minister heeft in het verweerschrift erkend dat bij de berekening van de hoogte van de tegemoetkoming in de teeltplanschade ten onrechte de SO-norm voor snijmaïs is gehanteerd, te weten € 1.650,- per hectare, in plaats van de SO-norm voor korrelmaïs, te weten € 1.900,- per hectare. De tegemoetkoming in de teeltplanschade valt daarmee hoger uit dan omschreven in het bestreden besluit. Het beroep is daarom gegrond. Op de andere punten krijgt eiser geen gelijk. Hij krijgt dus niet alle schade vergoed. De rechtbank legt dit hieronder nader uit. 2.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Wat aan de procedure vooraf ging 3. Het agrarisch bedrijf van eiser pacht, onder meer, vier percelen. Deze percelen hebben een totaal oppervlakte van 8,59 hectare. Deze percelen liggen in het in 2005 gerealiseerde Retentiegebied Lateraalkanaal West (het retentiegebied). Dit retentiegebied is gerealiseerd om overstromingen van de Maas, zoals in de winter van 1993 en 1995, te voorkomen. Het retentiegebied bestaat uit twee bekkens. Een noordelijk bekken bij Horn en een zuidelijk bekken bij Beegden en Heel. De scheiding van deze bekkens loopt langs de N280. Bij extreem hoogwater kunnen de bekkens het water tijdelijk opslaan waardoor de lager gelegen gebieden (grotendeels) van wateroverlast gevrijwaard blijven. Vervolgens stroomt het water via het Lateraalkanaal weer langzaam terug de Maas in waardoor het waterpeil stroomafwaarts daalt. 3.1. Toen de percelen in juli 2021 overstroomden verbouwde eiser hier korrelmaïs. Als gevolg van de extreme regenval in juli 2021 heeft het bevoegd gezag, onder meer, het zuidelijk bekken vol water laten lopen om wateroverlast in de stroomafwaarts gelegen stedelijke gebieden te voorkomen. Als gevolg hiervan zijn de percelen van eiser volledig onder water gelopen waardoor eiser schade heeft ondervonden aan zijn gewassen en waardoor hij opruimwerkzaamheden heeft moeten verrichten. Eiser wenst deze schade volledig vergoed te krijgen van de minister. Eiser heeft verder nog aangegeven dat hij deze percelen pacht van een baggermaatschappij en dat deze percelen al generaties door zijn familie gepacht worden. Hij heeft er begrip voor dat zijn percelen onder water gezet worden om ergens anders schade te voorkomen, maar hij vindt dat hij dan wel bijna de hele schade vergoed moet krijgen. Procesverloop 4. Eiser heeft daarom op 9 augustus 2021 een aanvraag ingediend op grond van de Wts en de Regeling bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). RVO heeft daarop taxatiebureau Nivre Calamiteiten & Projecten (Nivre) opdracht gegeven om de door eiser gestelde schade te onderzoeken. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een taxatierapport. In dit rapport wordt de totale schade begroot op € 15.720,-. 4.1. Op 17 februari 2022 heeft eiser een aanvraagformulier “Tegemoetkoming” ingediend. 4.2. Naar aanleiding van dit aanvraagformulier en het door eiser goedgekeurde taxatierapport van Nivre heeft RVO namens de minister de tegemoetkoming bij besluit van 8 maart 2022 (het primaire besluit) vastge De Wts voorziet in een structurele regeling op grond waarvan het Rijk een tegemoetkoming geeft aan diegenen die kosten hebben gemaakt voor het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van schade dan wel schade hebben geleden die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving of een andere ramp die van ten minste vergelijkbare orde is. De Wts is niet bedoeld als een volledige vergoeding van de schade en de kosten, maar als een tegemoetkoming. Er geldt een eigen risico. Dat eigen risico is nader uitgewerkt in de Regeling. Het eigen risico vindt zijn grondslag in de eigen verantwoordelijkheid van de gedupeerde. Dat de schade van eiser volgens hem in de zomer niet voorzienbaar was, maakt voor het eigen risico niet uit. Er wordt van eiser verwacht dat hij voor een deel zelf verantwoordelijkheid neemt voor de schade, ook als die niet voorzienbaar zou zijn. Daarom heeft de minister kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een hogere tegemoetkoming dan 65% voor de geleden schade, maar krijgt hij net als alle andere agrariërs die teeltplanschade hebben als gevolg van het hoogwater een tegemoetkoming van 65%. Daarbij heeft de minister kunnen verwijzen naar andere ministeriële regelingen die als gevolg van de watersnood in 1995 tot stand zijn gebracht, zoals de “Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998” en de “Regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas in januari 2021”. Ook in de laatste regeling wordt een eigen risico gehanteerd van 35% bij teeltplanschade. 7.3. Eiser heeft verder aangevoerd dat de schade is ontstaan als gevolg van het aanleggen van het retentiebekken. Zonder dit retentiebekken zou hij geen schade hebben ondervonden. Ook doet zich hier volgens hem de bijzondere situatie voor dat hij de schade opvangt voor anderen. Dat maakt dat hij recht heeft op een hogere tegemoetkoming, volgens eiser. Ter zitting heeft eiser verder aangegeven dat hij, gelet op de “geringe” hoogte van het bedrag dat nog vergoed moet worden, liever niet de civielrechtelijke weg bewandelt maar ervoor gekozen heeft dit voor te leggen aan de bestuursrechter. 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis – kunnen stellen dat de Regeling geen wettelijke basis biedt voor het vergoeden van schade als gevolg van de aanleg van het retentiebekken. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rijksoverheid het als haar taak ziet om financiële hulp te bieden bij een ramp of zwaar ongeval, mits voldaan is aan bepaalde vereisten en de veroorzaakte schade niet wordt gedekt door een verzekering. Deze verantwoordelijkheid van de overheid staat los van de vraag of zij op enige wijze heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis. De Regeling vindt haar grondslag in coulance en is daarom niet bedoeld voor een vergoeding van schade met een andere oorzaak dan hoogwater. 9. Uit de vorige overweging volgt dat schade als gevolg van overheidshandelen, in dit concrete geval het openzetten van het retentiebekken waardoor het terrein met daarop de percelen van eiser is volgelopen met water, moet worden voorgelegd aan de civiele rechter en niet aan de bestuursrechter. De rechtbank heeft begrip voor eisers gevoel dat hij recht heeft op een hogere vergoeding omdat hij de schade voor andere mensen opvangt, en voor het feit dat hij liever geen civiele weg bewandelt. Dat neemt alleen niet weg dat de Regeling hiervoor niet is bedoeld. Die is bedoeld als tegemoetkoming van gedupeerden door de natuurramp, en niet als vergoeding van specifiek overheidshandelen. Dit wordt onderschreven door de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter . Dat, zoals eiser stelt, de situatie zoals die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling het spiegelbeeld vormt van zijn situatie, volgt de rechtbank niet. Ook in die zaak werd gesteld dat de schade het gevolg is van overheidshandelen. De Afdeling heeft in die uits Het gaat hier om een begunstigende regeling, waarbij de wetgever een keuze heeft gemaakt in wat wel en wat niet vergoed wordt. Er is door de wetgever kennelijk gekozen om brandstof en afschrijving van machines bij werkzaamheden in eigen beheer niet te vergoeden. Het gaat ook niet om zo’n groot bedrag dat eiser hierdoor ernstig is benadeeld. Ook voor het uurtarief is een bewuste keuze gemaakt, die de rechtbank, gezien het feit dat het hier om belastinggeld gaat dat aan gedupeerden wordt verstrekt, niet onevenredig vindt. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond voor zover dat ziet op de hoogte van de tegemoetkoming in de teeltplanschade. Dat betekent dat het bestreden besluit op dat punt wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om op dat punt zelf in de zaak te voorzien, omdat partijen het op zitting eens waren over de hoogte van deze tegemoetkoming. Zelf in de zaak voorzienend herroept de rechtbank het primaire besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de tegemoetkoming in de teeltplanschade, stelt zij de hoogte van de tegemoetkoming in de teeltplanschade vast op € 10.608,65 en bepaalt zij dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. 14. Het bedrag van € 10.608,25 is als volgt opgebouwd: 8,59 hectare x € 1.900,- (SO-norm korrelmais) = € 16.321,- x 65%= € 10.608,65. 15. Eiser krijgt geen gelijk voor wat betreft zijn beroepsgronden tegen het onevenredige karakter van de Regeling en de hoogte van de tegemoetkoming in de opruimingskosten. Het is aan eiser – als hij het daar niet mee eens is – hiertegen tijdig hoger beroep in te stellen. 16. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en de proceskosten. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Voor de beroepsfase heeft eiser recht op een vergoeding van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 907,- per punt). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond voor zover dat ziet op de hoogte van de tegemoetkoming in de teeltplanschade en vernietigt het bestreden besluit in zoverre; voorziet zelf in de zaak en bepaalt de hoogte van de tegemoetkoming in de teeltplanschade op € 10.608,65; bepaalt dat het primaire besluit wordt herroepen voor zover dat ziet op de hoogte van de tegemoetkoming in de teeltplanschade; veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten van € 1.814,-; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzitter, en mr. G. Leijten en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: 6 mei 2025 De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen griffier voorzitter De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 mei 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Wet tegemoetkoming schade bij rampen Artikel 4 1. Een gedupeerde heeft recht op een tegemoetkoming in de hierna te noemen categorieën van schaden, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel e