Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-04-16
ECLI:NL:RBLIM:2025:4118
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,577 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/901
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , uit Panningen, verzoekster
en
de burgemeester van de gemeente Peel en Maas,
(gemachtigden: T.M. Stinges en M.L.C. Rutten).
Motivering
2. Verzoekster heeft gevraagd om een ontheffing op grond van artikel 35 van de Alcoholwet. De burgemeester heeft deze aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit afwijzingsbesluit bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Met het verzoek om voorlopige voorziening wil verzoekster bewerkstelligen dat zij op de Paasmarkt van 21 april 2025 en de Pinkstermarkt van 9 juni 2025 vanuit een marktkraam zwak-alcoholhoudende dranken (zoals speciaal bier) kan verkopen voor gebruik elders dan ter plaatse.
3. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het afwijzingsbesluit van de burgemeester. Als het voorlopig oordeel is dat het besluit rechtmatig is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
4. In artikel 35 van de Alcoholwet staat – kort gezegd – dat de burgemeester ten aanzien van het verstrekken van zwak-alcoholische drank op aanvraag een ontheffing kan verlenen van het in artikel 3 van de Alcoholwet gestelde verbod voor de uitoefening van het horecabedrijf bij een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
4.1.
Verzoekster stelt zich terecht op het standpunt dat artikel 35 van de Alcoholwet een discretionaire bevoegdheid bevat. Er staat immers dat de burgemeester een ontheffing kan verlenen. Verzoekster stelt verder onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State terecht dat eenieder (dus ook een slijtersbedrijf) de ontheffing kan aanvragen. Dat is niet beperkt tot een horecabedrijf.
4.2.
De vraag is echter voor welke activiteit (of anders gezegd: ten aanzien van welk verbod) de burgemeester een ontheffing kan verlenen. Daarover verschillen partijen van mening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 35 van de Alcoholwet uitsluitend een grondslag biedt voor een ontheffing ten aanzien van het verbod dat geldt voor de uitoefening van een horecabedrijf. Het horecabedrijf houdt zich bedrijfsmatig bezig met het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. Dat staat in artikel 1 van de Alcoholwet. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat artikel 35 van de Alcoholwet ook geldt ten aanzien van het verbod dat geldt voor de uitoefening van een slijtersbedrijf (het verstrekken van sterke drank of zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse). In de Alcoholwet wordt een uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen het horecabedrijf en het slijtersbedrijf. Zij zijn in artikel 1 afzonderlijk van elkaar gedefinieerd en kennen in de Alcoholwet afzonderlijke regels. In artikel 35 van de Alcoholwet wordt vervolgens uitsluitend het (verbod geldend voor het) horecabedrijf genoemd en niet ook het slijtersbedrijf. De wet en de wetsgeschiedenis geven op dit punt geen blijk van een verschrijving van de wetgever, maar eerder van een bewuste keuze nu de wetgever verkoop van drank voor gebruik elders dan ter plaatse wilde beperken.
4.3.
Nu artikel 35 van de Alcoholwet enkel voorziet in de bevoegdheid voor de burgemeester om een ontheffing te verlenen voor – kort gezegd – de activiteiten van een horecabedrijf (het verstrekken van drank voor gebruik ter plaatse), biedt dit artikel geen mogelijkheid voor het verlenen van de door verzoekster gevraagde ontheffing voor het verkopen van zwak-alcoholhoudende dranken vanuit een marktkraam (voor gebruik elders dan ter plaatse).
5. De burgemeester heeft nog onderzocht of een ontheffing zou kunnen worden verleend op grond van artikel 18 van de Alcoholwet, maar ook die bepaling is niet van toepassing op het verstrekken van alcoholhoudende drank vanuit een marktkraam voor gebruik elders dan ter plaatse. Dat staat verder ook niet tussen partijen ter discussie.
5.1.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de Alcoholwet geen grondslag biedt voor de toewijzing van de door verzoekster gevraagde ontheffing. De burgemeester heeft verder aangegeven dat hij de verkoop van zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse tijdens de Paas- en Pinkstermarkt niet wil of kan gedogen. Gedogen is niet afdwingbaar en het is dus niet aan de voorzieningenrechter om die keuze van de burgemeester te beoordelen. De conclusie is dat de burgemeester de aanvraag van verzoekster terecht heeft afgewezen. De verwachting van de voorzieningenrechter is dat het besluit van de burgemeester in bezwaar (of rechtstreeks beroep) stand zal houden. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Wat verder nog aan de orde is geweest
6. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen ziet de voorzieningenrechter geen reden om de burgemeester het griffierecht te laten vergoeden dat verzoekster voor de behandeling van het verzoek heeft moeten betalen. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
7. De voorzieningenrechter heeft partijen tot slot nog gezegd dat tegen de uitspraak geen rechtsmiddel openstaat en dat partijen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak binnen twee weken toegestuurd krijgen.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door mr. G. Leijten, voorzieningenrechter, en mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 29 april 2025.
Uitspraak van 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4941.