Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-04-02
ECLI:NL:RBLIM:2025:3220
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,045 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11325878 \ CV EXPL 24-4914
Vonnis van 2 april 2025
in de zaak van
INTRUM NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Intrum,
gemachtigde: Inkassier, Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.S. Rozenbeek.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het verzoek om uitstel van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
Intrum vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.587,43 (hoofdsom € 2.122,29, meegevorderde rente € 146,80, buitengerechtelijke incassokosten
€ 318,34), vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.122,29 vanaf 2 september 2024 tot volledige betaling met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.
2.2.
Intrum legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] twee energiecontracten voor twee verschillende adressen heeft gesloten met Essent, ten aanzien van de levering van elektriciteit en gas. [gedaagde] heeft de betalingstermijn van vier voorschotnota’s en een jaarrekening van 22 mei 2022 t/m 21 mei 2023 laten verstrijken. Wegens wanbetaling is de dienstverlening van het leveren van elektriciteit en gas beëindigd. Essent heeft haar vordering op [gedaagde] verkocht en gecedeerd aan Intrum Nederland B.V.
2.3.
[gedaagde] heeft na verkregen uitstel niet meer geantwoord.
Beoordeling
3.1.
[gedaagde] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.
Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
Ambtshalve toetsing infoplichten
3.2.
Vaststaat dat de overeenkomsten op afstand (online en telefonisch) zijn gesloten. Daarom moet bij het aangaan van deze overeenkomsten zijn voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
3.3.
Intrum stelt dat aan de wettelijke precontractuele en contractuele informatieplichten ex artikel 6:230m lid 1 BW is voldaan. Ter onderbouwing hiervan heeft zij printscreens van een voorbeeld van het bestelproces overgelegd en voorzien van een toelichting.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Intrum hiermee voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele en contractuele informatieplichten van artikel 6:230, eerste lid, BW.
3.5.
[gedaagde] heeft geen gebruikt gemaakt van de geboden gelegenheid om te antwoorden, zodat aan hoofdsom een bedrag van € 2.122,29 wordt toegewezen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
3.6.
Daarnaast maakt eisende partij aanspraak op rente en de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over de voornoemde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak.
3.7.
De kantonrechter stelt vast dat uit de toepasselijke algemene voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers (april 2017) in artikel 12.6 een beding bevatten waarvan Intrum aanspraak kan maken op vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.8.
Het rente- en buitengerechtelijke incassokostenbeding in artikel 12.6 van de voornoemde algemene voorwaarden zijn in lijn met de wettelijke bepalingen. Het rentebeding sluit aan bij artikel 6:119 BW, waarbij de consument pas wettelijke rente verschuldigd is als hij niet binnen de overeengekomen betalingstermijn van veertien kalenderdagen betaalt. Daarnaast is het buitengerechtelijke incassokostenbeding conform artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De bedingen zijn daarom niet oneerlijk. Hieruit volgt dat de bedingen niet ambtshalve vernietigd zullen worden.
3.9.
Omdat [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om verweer te voeren tegen de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten, komen ook deze voor toewijzing in aanmerking.
3.10.
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Intrum vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en zonder borgtocht te verklaren. Nu hierover niets is gesteld in het lichaam van de dagvaarding is er geen grondslag aanwezig om het vonnis zonder borgtocht te verklaren. Hieruit volgt dat de kantonrechter de verklaring “zonder borgtocht” zal afwijzen.
3.11.
Nu [gedaagde] in het ongelijk is gesteld en moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen van Intrum. De proceskosten van Intrum worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
238,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
966,54
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Intrum te betalen een bedrag van € 2.587,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.122,29 vanaf 2 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 966,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op
2 april 2025.
Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).