Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-26
ECLI:NL:RBLIM:2025:2924
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11459727 CV EXPL 25-43
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.P.M. Bergmans,
tegen
[gedaagde]
handelend onder de naam [handelsnaam],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het aan [gedaagde] verleende uitstel, waarna [gedaagde] niet meer heeft geantwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
Ter rolzitting van 5 februari 2025 heeft [gedaagde] verzuimd om te antwoorden. Ter rolzitting van 12 februari 2025 heeft de kantonrechter bepaald dat uitspraak wordt gewezen.
De kantonrechter is ermee bekend dat [gedaagde] daarna, op 18 februari 2025, door de rechtbank Limburg in staat van faillissement is verklaard. Ingevolge artikel 30 FW is artikel 29 FW (een ambtshalve schorsing van de procedure ingeval van faillissement) niet van toepassing op procedures die voor vonnis staan. Daarmee kan vonnis worden gewezen.
2.2.
[eiser] vordert de veroordeling van [gedaagde] tot nakoming van de gemaakte betalingsafspraken in de vaststellingsovereenkomst door voldoening van het restantbedrag van € 7.099,81, met rente en kosten.
2.3.
De stellingen van [eiser] kunnen het gevorderde dragen en zijn door [gedaagde] niet weersproken. Het gevorderde aan hoofdsom en wettelijke rente daarover moet daarom worden toegewezen.
2.4.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing en het gevorderde bedrag is ermee in overeenstemming. Daarom zal € 729,99 worden toegewezen.
2.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
868,38
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.099,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 729,99 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 868,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.
NIv
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11459727 CV EXPL 25-43
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.P.M. Bergmans,
tegen
[gedaagde]
handelend onder de naam [handelsnaam],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het aan [gedaagde] verleende uitstel, waarna [gedaagde] niet meer heeft geantwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
Ter rolzitting van 5 februari 2025 heeft [gedaagde] verzuimd om te antwoorden. Ter rolzitting van 12 februari 2025 heeft de kantonrechter bepaald dat uitspraak wordt gewezen.
De kantonrechter is ermee bekend dat [gedaagde] daarna, op 18 februari 2025, door de rechtbank Limburg in staat van faillissement is verklaard. Ingevolge artikel 30 FW is artikel 29 FW (een ambtshalve schorsing van de procedure ingeval van faillissement) niet van toepassing op procedures die voor vonnis staan. Daarmee kan vonnis worden gewezen.
2.2.
[eiser] vordert de veroordeling van [gedaagde] tot nakoming van de gemaakte betalingsafspraken in de vaststellingsovereenkomst door voldoening van het restantbedrag van € 7.099,81, met rente en kosten.
2.3.
De stellingen van [eiser] kunnen het gevorderde dragen en zijn door [gedaagde] niet weersproken. Het gevorderde aan hoofdsom en wettelijke rente daarover moet daarom worden toegewezen.
2.4.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing en het gevorderde bedrag is ermee in overeenstemming. Daarom zal € 729,99 worden toegewezen.
2.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
868,38
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.099,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 729,99 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 868,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.
NIv