Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-11
ECLI:NL:RBLIM:2025:2757
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,470 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummer: C/03/339243 / JE RK 25-302
Datum uitspraak: 11 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Limburg, locatie Roermond,
hierna te noemen de raad,
over
[het kind]
, geboren op [datum] 2010 in [plaatsnaam] ,
hierna te noemen [het kind] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaatsnaam] , [gemeente] ,
advocaat mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond,
[belanghebbende 2]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaatsnaam] , [gemeente] ,
advocaat mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[pleegouder 1]
en:
[pleegouder 2]
,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
beiden bijgestaan door mr. D. Dronkers, kantoorgenoot van mr. Teeuwen;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg als toehoorders;
- de pleegouders.
1.3.
De kinderrechter heeft [het kind] naar haar mening gevraagd. [het kind] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [het kind] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [het kind] uit.
2.3.
[het kind] verblijft momenteel bij de pleegouders.
3Het verzoek
3.1.
De raad verzoekt [het kind] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. [het kind] verblijft sinds 18 februari 2025 bij de pleegouders, nadat zij haar vader heeft beschuldigd van jarenlang seksueel misbruik. [het kind] wil daarom geen contact meer met de vader hebben. De verhalen en belevingen van [het kind] en de ouders liggen dusdanig ver uit elkaar dat dit in de weg staat aan herstel van contact tussen [het kind] en de ouders. Het lukt niet om hierover afspraken te maken. Sinds [het kind] heeft verteld over het seksueel misbruik zijn de onderlinge verhoudingen tussen [het kind] , haar ouders en haar [broer] erg ingewikkeld geworden.
[het kind] is verder bekend met leer-, concentratie-, gehoor- en motorische problemen; in het verleden is bovendien een taalontwikkelingsstoornis vastgesteld.
De moeder kampt al lange tijd met psychische en fysieke problemen. Zij heeft behoefte aan controle en wil daarom veel zelf doen. De moeder ervaart structureel overbelasting.
De vader zegt geen fijne jeugd te hebben gehad en in verband hiermee therapie te hebben gehad. Het CJG geeft aan hier geen zicht op te hebben.
Tenslotte wijst de raad erop dat de ouders nauwelijks een sociaal netwerk hebben.
Dit alles heeft tot gevolg dat [het kind] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling, terwijl de ouders de noodzakelijke hulpverlening niet vrijwillig aanvaarden. Verblijf van [het kind] bij de ouders is op dit moment, gezien alles wat gebeurd is, geen optie. Daarom zijn ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (dag en nacht bij de pleegouders) voor de duur van één jaar noodzakelijk.
4De mening van [het kind]
4.1.
heeft in haar gesprek met de kinderrechter gezegd dat zij het prettig vindt dat zij nu bij de pleegouders woont. Sinds zij daar woont gaat het beter met haar. Zij begrijpt wat de verzoeken inhouden en is het met die verzoeken eens.
5Het standpunt van de ouders
5.1.
De ouders hebben gemengde gevoelens over de verzoeken. Aan de ene kant begrijpen ze dat het voor [het kind] niet mogelijk is om bij hen thuis te wonen. Maar met name de vader is erg boos op [het kind] . Hij heeft bij de raad gezegd dat hij aangifte tegen haar wil doen (van het doen van valse aangifte) en dit ter zitting herhaald. De ouders kunnen instemmen met de verzochte ondertoezichtstelling. Zij hebben echter hun bedenkingen bij de machtiging tot uithuisplaatsing. De pleegouders stellen zich naar hun mening niet neutraal op in de kwestie van de beschuldiging van het seksueel misbruik; de pleegouders praten met [het kind] mee, waardoor zij alleen maar verder overtuigd raakt van de juistheid van haar (onterechte) beschuldiging. Anderzijds begrijpen de ouders dat terugkeer van [het kind] op dit moment gewoon niet gaat.
De ouders vestigen hun hoop op de hulpverlening en bepleiten daarom een kortere termijn voor de machtiging tot uithuisplaatsing, bijvoorbeeld drie of vier maanden en een aanhouding van de daarna resterende termijn. De ouders willen op die manier druk op de ketel houden en voorkomen dat de hulpverlening, als gevolg van de lange termijn, pas laat op gang komt; mogelijk zelfs pas op een moment dat zaken onomkeerbaar zijn geworden en [het kind] definitief niet meer terug wil. Met een kortere termijn moet de hulpverlening eerder in actie komen en komt de zaak ook eerder op zitting.
6De mening van de informanten
6.1.
De pleegouders zijn van mening dat [het kind] voorlopig goed op haar plaats is in het pleeggezin. [het kind] komt tot rust en is open en vrij. Ze heeft nog veel moeite met contact met haar ouders. De pleegouders merken dat [het kind] op dit moment geen vertrouwen in haar ouders heeft. De pleegouders geven [het kind] gelegenheid om met hen over wat gebeurd is te praten en zeggen haar dat zij haar geloven. Dit is volgens de pleegouders geen kwestie van partij kiezen maar van het bieden van een voor [het kind] veilige omgeving waar zij vrijuit kan praten.
De pleegouders zijn het eens met de verzoeken en willen [het kind] gedurende de hulpverlening een stabiele omgeving bieden en in dat kader ook meehelpen aan het herstel van het contact tussen [het kind] en het gezin.
Beoordeling
De ondertoezichtstelling
7.1.
Volgens de wet kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.
7.2.
De kinderrechter overweegt als volgt. Er is sprake van een ingewikkelde situatie. [het kind] beschuldigt haar vader van seksueel misbruik en de vader ontkent dit. Het is voor de kinderrechter onmogelijk om vast te stellen wat nu wel of niet is gebeurd. De beschuldiging heeft echter wel ernstige gevolgen voor [het kind] , haar ouders en haar broer en de kinderrechter zal die gevolgen als uitgangspunt voor haar beoordeling moeten nemen. De verhoudingen zijn volkomen verstoord geraakt en [het kind] wil haar vader niet meer zien. Haar moeder heeft zich voor wat betreft de beschuldiging aan de zijde van de vader gevoegd, met als gevolg dat [het kind] zich door haar eigen moeder in de steek gelaten voelt. Er is sprake van een ware patstelling en de betrokkenen zijn niet in staat om deze zelf te doorbreken. Daarnaast is bij [het kind] sprake van kindeigen problemen zoals leer-, concentratie-, gehoor- en motorische problemen. Er is gelet op dit alles bij [het kind] sprake van een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling.
7.3.
De kinderrechter acht professionele hulpverlening daarbij nodig. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders niet (voldoende) bereid zijn om deze hulp vrijwillig te aanvaarden.
De kinderrechter heeft gezien dat de ouders erg geraakt en verdrietig zijn over de ontstane situatie en niets liever willen dan de gezinsverhoudingen weer te herstellen.
Er zijn wel zorgen over de vraag of de ouders bereid en in staat zijn om daarin zelf handreikingen te doen of stil te staan bij wat de situatie, ongeacht hoe die is ontstaan, voor [het kind] moet betekenen. Zo kondigt de vader aan dat hij aangifte wil doen tegen zijn pas veertienjarige dochter. Dit is niet (zoals ter zitting betoogd) als een primaire en spontane uitlating aan te merken. De vader heeft deze opmerking immers in een gesprek met de raadsmedewerker gedaan en ter zitting, veel later dus, duidelijk herhaald. Deze opstelling baart de kinderrechter grote zorgen.
Ook hebben de ouders kennelijk in het verleden aanleiding gezien met elkaar af te spreken dat de vader geen seksueel contact met andere vrouwen, maar ook niet met kinderen, zou opzoeken. De kinderrechter vraagt zich af waarom die afspraak over kinderen zo gemaakt moest worden, nu dit toch geheel voor zich zou moeten spreken. De ouders hebben verklaard dat zij dit hebben gedaan omdat zij wel eens wat hebben gehoord. Dit acht de kinderrechter geen afdoende verklaring. Dat de ouders de zorg over een beladen thema op zo’n simpele manier wegwuiven werpt vragen op over de mate waarin zij op hun eigen gedrag kunnen reflecteren.
7.4.
De kinderrechter is van oordeel dat hiermee is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en stelt [het kind] onder toezicht voor de duur van één jaar. Die termijn is nodig om de ingewikkelde problematiek aan te pakken.
De machtiging tot uithuisplaatsing
7.5.
Volgens de wet kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.6.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de hiervoor beschreven problematiek volgt onomstotelijk dat terugkeer van [het kind] naar huis op dit moment niet mogelijk is. De verhoudingen zijn totaal verstoord. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing nodig is in het belang van de verzorging en opvoeding van [het kind] . Het verblijf bij de pleegouders, waar [het kind] zelf graag wil blijven, is in deze situatie de meest passende en hopelijk tijdelijke oplossing. De kinderrechter verleent de machtiging voor de duur van één jaar en gaat daarbij voorbij aan het betoog van de ouders om de machtiging voor kortere duur te verlenen en voor de resterende termijn aan te houden. De situatie is te ingewikkeld om de machtiging voor kortere duur te verlenen. Wanneer de machtiging voor kortere duur wordt verleend, zal dit naar verwachting zeker bij [het kind] onnodig druk op de ketel zetten. De zaak moet dan tussentijds op zitting komen terwijl de hulpverlening dan nog loopt. Daar is niemand bij gebaat.
7.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
stelt [het kind] onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 11 maart 2025 tot 11 maart 2026;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 maart 2025 tot 11 maart 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025 door mr. E.F.M. van Swaaij, kinderrechter, in aanwezigheid van J.H.J. van Daal als griffier, en op schrift gesteld op 21 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 1:265b lid 1 BW.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummer: C/03/339243 / JE RK 25-302
Datum uitspraak: 11 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Limburg, locatie Roermond,
hierna te noemen de raad,
over
[het kind]
, geboren op [datum] 2010 in [plaatsnaam] ,
hierna te noemen [het kind] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaatsnaam] , [gemeente] ,
advocaat mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond,
[belanghebbende 2]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaatsnaam] , [gemeente] ,
advocaat mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[pleegouder 1]
en:
[pleegouder 2]
,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
beiden bijgestaan door mr. D. Dronkers, kantoorgenoot van mr. Teeuwen;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg als toehoorders;
- de pleegouders.
1.3.
De kinderrechter heeft [het kind] naar haar mening gevraagd. [het kind] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [het kind] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [het kind] uit.
2.3.
[het kind] verblijft momenteel bij de pleegouders.
3Het verzoek
3.1.
De raad verzoekt [het kind] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. [het kind] verblijft sinds 18 februari 2025 bij de pleegouders, nadat zij haar vader heeft beschuldigd van jarenlang seksueel misbruik. [het kind] wil daarom geen contact meer met de vader hebben. De verhalen en belevingen van [het kind] en de ouders liggen dusdanig ver uit elkaar dat dit in de weg staat aan herstel van contact tussen [het kind] en de ouders. Het lukt niet om hierover afspraken te maken. Sinds [het kind] heeft verteld over het seksueel misbruik zijn de onderlinge verhoudingen tussen [het kind] , haar ouders en haar [broer] erg ingewikkeld geworden.
[het kind] is verder bekend met leer-, concentratie-, gehoor- en motorische problemen; in het verleden is bovendien een taalontwikkelingsstoornis vastgesteld.
De moeder kampt al lange tijd met psychische en fysieke problemen. Zij heeft behoefte aan controle en wil daarom veel zelf doen. De moeder ervaart structureel overbelasting.
De vader zegt geen fijne jeugd te hebben gehad en in verband hiermee therapie te hebben gehad. Het CJG geeft aan hier geen zicht op te hebben.
Tenslotte wijst de raad erop dat de ouders nauwelijks een sociaal netwerk hebben.
Dit alles heeft tot gevolg dat [het kind] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling, terwijl de ouders de noodzakelijke hulpverlening niet vrijwillig aanvaarden. Verblijf van [het kind] bij de ouders is op dit moment, gezien alles wat gebeurd is, geen optie. Daarom zijn ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (dag en nacht bij de pleegouders) voor de duur van één jaar noodzakelijk.
4De mening van [het kind]
4.1.
heeft in haar gesprek met de kinderrechter gezegd dat zij het prettig vindt dat zij nu bij de pleegouders woont. Sinds zij daar woont gaat het beter met haar. Zij begrijpt wat de verzoeken inhouden en is het met die verzoeken eens.
5Het standpunt van de ouders
5.1.
De ouders hebben gemengde gevoelens over de verzoeken. Aan de ene kant begrijpen ze dat het voor [het kind] niet mogelijk is om bij hen thuis te wonen. Maar met name de vader is erg boos op [het kind] . Hij heeft bij de raad gezegd dat hij aangifte tegen haar wil doen (van het doen van valse aangifte) en dit ter zitting herhaald. De ouders kunnen instemmen met de verzochte ondertoezichtstelling. Zij hebben echter hun bedenkingen bij de machtiging tot uithuisplaatsing. De pleegouders stellen zich naar hun mening niet neutraal op in de kwestie van de beschuldiging van het seksueel misbruik; de pleegouders praten met [het kind] mee, waardoor zij alleen maar verder overtuigd raakt van de juistheid van haar (onterechte) beschuldiging. Anderzijds begrijpen de ouders dat terugkeer van [het kind] op dit moment gewoon niet gaat.
De ouders vestigen hun hoop op de hulpverlening en bepleiten daarom een kortere termijn voor de machtiging tot uithuisplaatsing, bijvoorbeeld drie of vier maanden en een aanhouding van de daarna resterende termijn. De ouders willen op die manier druk op de ketel houden en voorkomen dat de hulpverlening, als gevolg van de lange termijn, pas laat op gang komt; mogelijk zelfs pas op een moment dat zaken onomkeerbaar zijn geworden en [het kind] definitief niet meer terug wil. Met een kortere termijn moet de hulpverlening eerder in actie komen en komt de zaak ook eerder op zitting.
6De mening van de informanten
6.1.
De pleegouders zijn van mening dat [het kind] voorlopig goed op haar plaats is in het pleeggezin. [het kind] komt tot rust en is open en vrij. Ze heeft nog veel moeite met contact met haar ouders. De pleegouders merken dat [het kind] op dit moment geen vertrouwen in haar ouders heeft. De pleegouders geven [het kind] gelegenheid om met hen over wat gebeurd is te praten en zeggen haar dat zij haar geloven. Dit is volgens de pleegouders geen kwestie van partij kiezen maar van het bieden van een voor [het kind] veilige omgeving waar zij vrijuit kan praten.
De pleegouders zijn het eens met de verzoeken en willen [het kind] gedurende de hulpverlening een stabiele omgeving bieden en in dat kader ook meehelpen aan het herstel van het contact tussen [het kind] en het gezin.
Beoordeling
De ondertoezichtstelling
7.1.
Volgens de wet kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.
7.2.
De kinderrechter overweegt als volgt. Er is sprake van een ingewikkelde situatie. [het kind] beschuldigt haar vader van seksueel misbruik en de vader ontkent dit. Het is voor de kinderrechter onmogelijk om vast te stellen wat nu wel of niet is gebeurd. De beschuldiging heeft echter wel ernstige gevolgen voor [het kind] , haar ouders en haar broer en de kinderrechter zal die gevolgen als uitgangspunt voor haar beoordeling moeten nemen. De verhoudingen zijn volkomen verstoord geraakt en [het kind] wil haar vader niet meer zien. Haar moeder heeft zich voor wat betreft de beschuldiging aan de zijde van de vader gevoegd, met als gevolg dat [het kind] zich door haar eigen moeder in de steek gelaten voelt. Er is sprake van een ware patstelling en de betrokkenen zijn niet in staat om deze zelf te doorbreken. Daarnaast is bij [het kind] sprake van kindeigen problemen zoals leer-, concentratie-, gehoor- en motorische problemen. Er is gelet op dit alles bij [het kind] sprake van een ernstige bedreiging in haar ontwikkeling.
7.3.
De kinderrechter acht professionele hulpverlening daarbij nodig. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders niet (voldoende) bereid zijn om deze hulp vrijwillig te aanvaarden.
De kinderrechter heeft gezien dat de ouders erg geraakt en verdrietig zijn over de ontstane situatie en niets liever willen dan de gezinsverhoudingen weer te herstellen.
Er zijn wel zorgen over de vraag of de ouders bereid en in staat zijn om daarin zelf handreikingen te doen of stil te staan bij wat de situatie, ongeacht hoe die is ontstaan, voor [het kind] moet betekenen. Zo kondigt de vader aan dat hij aangifte wil doen tegen zijn pas veertienjarige dochter. Dit is niet (zoals ter zitting betoogd) als een primaire en spontane uitlating aan te merken. De vader heeft deze opmerking immers in een gesprek met de raadsmedewerker gedaan en ter zitting, veel later dus, duidelijk herhaald. Deze opstelling baart de kinderrechter grote zorgen.
Ook hebben de ouders kennelijk in het verleden aanleiding gezien met elkaar af te spreken dat de vader geen seksueel contact met andere vrouwen, maar ook niet met kinderen, zou opzoeken. De kinderrechter vraagt zich af waarom die afspraak over kinderen zo gemaakt moest worden, nu dit toch geheel voor zich zou moeten spreken. De ouders hebben verklaard dat zij dit hebben gedaan omdat zij wel eens wat hebben gehoord. Dit acht de kinderrechter geen afdoende verklaring. Dat de ouders de zorg over een beladen thema op zo’n simpele manier wegwuiven werpt vragen op over de mate waarin zij op hun eigen gedrag kunnen reflecteren.
7.4.
De kinderrechter is van oordeel dat hiermee is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en stelt [het kind] onder toezicht voor de duur van één jaar. Die termijn is nodig om de ingewikkelde problematiek aan te pakken.
De machtiging tot uithuisplaatsing
7.5.
Volgens de wet kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.6.
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de hiervoor beschreven problematiek volgt onomstotelijk dat terugkeer van [het kind] naar huis op dit moment niet mogelijk is. De verhoudingen zijn totaal verstoord. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing nodig is in het belang van de verzorging en opvoeding van [het kind] . Het verblijf bij de pleegouders, waar [het kind] zelf graag wil blijven, is in deze situatie de meest passende en hopelijk tijdelijke oplossing. De kinderrechter verleent de machtiging voor de duur van één jaar en gaat daarbij voorbij aan het betoog van de ouders om de machtiging voor kortere duur te verlenen en voor de resterende termijn aan te houden. De situatie is te ingewikkeld om de machtiging voor kortere duur te verlenen. Wanneer de machtiging voor kortere duur wordt verleend, zal dit naar verwachting zeker bij [het kind] onnodig druk op de ketel zetten. De zaak moet dan tussentijds op zitting komen terwijl de hulpverlening dan nog loopt. Daar is niemand bij gebaat.
7.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
stelt [het kind] onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 11 maart 2025 tot 11 maart 2026;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 maart 2025 tot 11 maart 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025 door mr. E.F.M. van Swaaij, kinderrechter, in aanwezigheid van J.H.J. van Daal als griffier, en op schrift gesteld op 21 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 1:265b lid 1 BW.