Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-26
ECLI:NL:RBLIM:2025:2709
Civiel recht
Eerste aanleg - meervoudig
5,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/269266 / HA ZA 19-492
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaatsnaam X] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [broer 1] ,
advocaat: mr. N.E. Koelemaij te Assen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaatsnaam X] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaatsnaam Y] ,gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [broer 2] en [broer 3] ,
advocaat: mr. W.B. Brusse te Almelo.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de vonnissen van 21 februari, 30 maart en 1 mei 2024
het deskundigenbericht van A.A.H. van der Bruggen RA van 17 oktober 2024
de akten uitlating deskundigenbericht van partijen d.d. 4 december 2024
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij vonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar vonnis van 20 september 2023, aan de deskundige A.A.H. van der Bruggen RA (hierna: “de deskundige”) opgedragen de waarde van het vennootschapsaandeel van [broer 1] in de personenvennootschappen [maatschap 1] en [maatschap 2] per datum van
20 september 2023 te begroten.
2.2.
De deskundige heeft over de aan hem voorgelegde vraag gerapporteerd bij deskundigenbericht van 17 oktober 2024. De waarde van het vennootschapsaandeel van [broer 1] heeft de deskundige begroot op € 254.069,-. Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:
a) aandeel in [maatschap 2] € 0,-
b) aandeel in [maatschap 1] € 104.809,-
c) aandeel in een opgebouwd (im)materieel actief € 139.825,-
d) aandeel in nog niet verdeelde winst/verlies € 9.435,-
2.3.
Zowel [broer 1] enerzijds als [broer 2] en [broer 3] anderzijds hebben in hun reactie op het deskundigenbericht te kennen gegeven dat zij het op bepaalde punten niet eens zijn met de bevindingen van de deskundige. De rechtbank deelt de bezwaren van partijen niet en neemt de conclusies van de deskundige over. Dit betekent dat de waarde van het aandeel van [broer 1] in de personenvennootschappen [maatschap 1] en [maatschap 2] overeenkomstig de begroting van de deskundige per 20 september 2023 zal worden vastgesteld op € 254.069,-
Dit oordeel heeft de rechtbank gebaseerd op de volgende overwegingen.
2.4.
De rechtbank stelt voorop dat het volgens vaste rechtspraak aan de rechtbank is om te beoordelen welke bewijskracht aan het deskundigenbericht toekomt. Daarbij geldt een beperkte motiveringsplicht. Omdat de rechtbank niet zelf kan beoordelen of het rapport inhoudelijk juist is, zal de rechtbank in beginsel afgaan op de inhoud en conclusie van het deskundigenbericht, dat is opgesteld door een deskundige waarmee beide partijen hebben ingestemd. Echter kunnen door een partij aangevoerde zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het deskundigenbericht ertoe leiden dat de rechtbank (de conclusie van) het expertiserapport bij de beoordeling buiten beschouwing zal laten. Daarvan is onder andere sprake wanneer het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2017:9799 en ECLI:NL:RBLIM:2018:8504).
2.5.
Het deskundigenbericht voldoet aan de hiervoor genoemde eisen. De door partijen gemaakte opmerkingen over de door de deskundige genomen uitgangspunten bij de waardering van de vennootschappen brengen daarin geen verandering. Dit oordeel zal hieronder per vennootschap aan de hand van de door partijen gemaakte opmerkingen worden toegelicht.
[maatschap 2]
2.6.
De deskundige heeft in paragraaf 6.1.4. van het deskundigenbericht op pagina 16 onder “Conclusies” als volgt overwogen:
“[maatschap 2] is geen zelfstandig opererend samenwerkingsverband. De oprichting en inschrijving in het Handelsregister van de KvK heeft als doel gehad de financiering van [adres 1] en [adres 2] (inclusief de bouw van de verblijfsaccomodatie voor buitenlandse werknemers (ook wel genoemd: “Polenhotel”)), waarvoor de hypotheek [hypotheeknummer] bij ING Bank N.V. is verkregen. Omdat zowel de registergoederen als de financiering als de inkomsten en uitgaven via de bijbehorende rekening-courant bankrekeningen bij ING Bank N.V. eindigend op [nummer X] en op [nummer Y] inmiddels al zijn verdeeld door de rechtbank in het tussenvonnis van 20 september 2023 en in het vonnis van 1 mei 2024, kan worden geconcludeerd dat er geen vermogensbestanddelen meer bestaan ten aanzien van [maatschap 2] , die nog dienen te worden verdeeld. Een eventuele waardering van [maatschap 2] kan aldus worden begroot op € 0.”
2.7.
Tegen deze conclusie heeft alleen [broer 1] bezwaren aangevoerd. [broer 1] is van mening dat via de ING-bankrekening die op naam stond van [broer 2] en [broer 3] , geld naar Dubai is weggevloeid en dat de deskundige dit in de waardering had moeten betrekken. Ook maakt [broer 1] melding van inkomsten uit Dubai, het chalet in Oostenrijk en het zogenaamde Polenhotel die [broer 2] en [broer 3] wel ontvangen zouden hebben, maar die niet met hem gedeeld zouden zijn.
2.8.
Deze bezwaren vormen geen dan wel onvoldoende grond om de conclusie van de deskundige ter zijde te schuiven. Nog daargelaten dat dergelijke niet gedeelde inkomsten door [broer 1] op geen enkele wijze zijn geconcretiseerd, is dit een herhaling van eerder betrokken stellingen waarop de rechtbank reeds heeft beslist. De deskundige heeft dan ook terecht overwogen dat de rechtbank al in het vonnis van 20 september 2023 heeft beslist op de vorderingen van [broer 1] ten aanzien van de investeringen in Dubai. De vordering tot verdeling van de onroerende zaken in Dubai is afgewezen. Met juistheid heeft de deskundige overwogen dat de rechtbank bij vonnis van 1 mei 2024 de twee ING-bankrekeningen heeft verdeeld. Gelet hierop heeft de deskundige de conclusie kunnen trekken dat ten aanzien van [maatschap 2] geen vermogensbestanddelen meer bestaan die nog moeten worden verdeeld.
[maatschap 1]
2.9.
Partijen hebben alleen bezwaren aangevoerd tegen de door de deskundige in het deskundigenbericht gehanteerde waardering van de cultuurgrond aan [straatnaam] met een oppervlakte van 10,82 ha, die met een boekwaarde van € 527.276,- in de balans is opgenomen. De deskundige heeft deze cultuurgrond per 20 september 2023 gewaardeerd op € 946.750,- (= € 87.500,- per hectare).
2.10.
[broer 2] en [broer 3] hebben bezwaren geuit tegen de door de deskundige gebruikte waarde van de cultuurgrond zoals die door Arvalis met als waardepeildatum 14 oktober 2021, is getaxeerd. Volgens [broer 2] en [broer 3] is die waarde te hoog omdat het perceel veel last heeft van vernattingsprojecten in de Mariapeel en mondeling is verpacht aan de [maatschap 1] .
2.11.
De rechtbank volgt [broer 2] en [broer 3] niet in hun bezwaren. De deskundige is geen taxateur en heeft als uitgangspunt voor de waardering van de cultuurgrond gebruik gemaakt van de taxatie van Arvalis. Deze taxatie heeft Arvalis uitgevoerd in opdracht van de rechtbank ter uitvoering van een voorlopig deskundigenonderzoek waarbij alle onroerende zaken van partijen in Nederland zijn getaxeerd. Het betreft een onafhankelijke taxateur en bovendien hebben [broer 2] en [broer 3] op 31 januari 2024 bij akte uitlating na tussenvonnis (pagina 3 onder randnummer 5), te kennen gegeven dat voor de waarde van [maatschap 1] kan worden uitgegaan van de marktwaarde van de percelen cultuurgrond, zoals die in opdracht van de rechtbank is vastgesteld door taxateur Albers van Arvalis. Verder heeft de deskundige gemotiveerd de conclusie getrokken dat deze door Arvalis getaxeerde waarde niet onjuist lijkt (zie onder 8.1 op pagina 38 van het deskundigenbericht). De deskundige heeft daarbij de gezichtspunten van taxateurs Arvalis en Aelmans betrokken - waarvan de taxatiewaarden elkaar niet veel ontlopen - en de gezichtspunten van [broer 2] en [broer 3] enerzijds en [broer 1] anderzijds voor wat betreft het risico op wateroverlast.
Conclusie
2.15.
De rechtbank volgt de deskundige in de begroting van de waarde van het aandeel van [broer 1] in de beide personenvennootschappen. De rechtbank zal die waarde per
20 september 2023 (de datum van de gedeeltelijke ontbinding van de personenvennootschappen) dan ook vaststellen op € 254.069,-.
2.16.
Bij tussenvonnis van 20 september 2023 (herhaald in het tussenvonnis van
21 februari 2024) heeft de rechtbank beslist dat [broer 1] , [broer 2] en [broer 3] de kosten van het deskundigenonderzoek naar evenredigheid, dus ieder voor een derde, dienen te dragen. Ook heeft de rechtbank beslist dat [broer 2] en [broer 3] dit moeten voorschieten en het deel van [broer 1] in mindering mogen brengen op het aan hem uit te keren bedrag voor zijn aandeel in de personenvennootschappen. [broer 2] en [broer 3] hebben per saldo aan deskundigenkosten een bedrag van € 20.253,59 inclusief btw betaald.
Zij mogen derhalve een derde deel van dat bedrag, zijnde € 6.751,20, in mindering brengen op het aan [broer 1] uit te keren bedrag van € 254.069,- zodat per saldo een bedrag van € 247.317,80 aan [broer 1] is verschuldigd.
2.17.
Vanwege de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank de (overige) proceskosten van deze procedure compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dictum
De rechtbank
3.1.
stelt de waarde van het aandeel van [broer 1] in [maatschap 1] en [maatschap 2] per 20 september 2023 vast op € 254.069,-,
3.2.
veroordeelt [broer 2] en [broer 3] het onder 3.1 genoemde bedrag aan [broer 1] te betalen, onder aftrek van zijn aandeel in de deskundigenkosten ter hoogte van € 6.751,20,
3.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden, mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer en mr. R.J.M.G. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.
CB
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/269266 / HA ZA 19-492
Vonnis van 26 maart 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaatsnaam X] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [broer 1] ,
advocaat: mr. N.E. Koelemaij te Assen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaatsnaam X] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaatsnaam Y] ,gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [broer 2] en [broer 3] ,
advocaat: mr. W.B. Brusse te Almelo.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de vonnissen van 21 februari, 30 maart en 1 mei 2024
het deskundigenbericht van A.A.H. van der Bruggen RA van 17 oktober 2024
de akten uitlating deskundigenbericht van partijen d.d. 4 december 2024
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij vonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar vonnis van 20 september 2023, aan de deskundige A.A.H. van der Bruggen RA (hierna: “de deskundige”) opgedragen de waarde van het vennootschapsaandeel van [broer 1] in de personenvennootschappen [maatschap 1] en [maatschap 2] per datum van
20 september 2023 te begroten.
2.2.
De deskundige heeft over de aan hem voorgelegde vraag gerapporteerd bij deskundigenbericht van 17 oktober 2024. De waarde van het vennootschapsaandeel van [broer 1] heeft de deskundige begroot op € 254.069,-. Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:
a) aandeel in [maatschap 2] € 0,-
b) aandeel in [maatschap 1] € 104.809,-
c) aandeel in een opgebouwd (im)materieel actief € 139.825,-
d) aandeel in nog niet verdeelde winst/verlies € 9.435,-
2.3.
Zowel [broer 1] enerzijds als [broer 2] en [broer 3] anderzijds hebben in hun reactie op het deskundigenbericht te kennen gegeven dat zij het op bepaalde punten niet eens zijn met de bevindingen van de deskundige. De rechtbank deelt de bezwaren van partijen niet en neemt de conclusies van de deskundige over. Dit betekent dat de waarde van het aandeel van [broer 1] in de personenvennootschappen [maatschap 1] en [maatschap 2] overeenkomstig de begroting van de deskundige per 20 september 2023 zal worden vastgesteld op € 254.069,-
Dit oordeel heeft de rechtbank gebaseerd op de volgende overwegingen.
2.4.
De rechtbank stelt voorop dat het volgens vaste rechtspraak aan de rechtbank is om te beoordelen welke bewijskracht aan het deskundigenbericht toekomt. Daarbij geldt een beperkte motiveringsplicht. Omdat de rechtbank niet zelf kan beoordelen of het rapport inhoudelijk juist is, zal de rechtbank in beginsel afgaan op de inhoud en conclusie van het deskundigenbericht, dat is opgesteld door een deskundige waarmee beide partijen hebben ingestemd. Echter kunnen door een partij aangevoerde zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het deskundigenbericht ertoe leiden dat de rechtbank (de conclusie van) het expertiserapport bij de beoordeling buiten beschouwing zal laten. Daarvan is onder andere sprake wanneer het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2017:9799 en ECLI:NL:RBLIM:2018:8504).
2.5.
Het deskundigenbericht voldoet aan de hiervoor genoemde eisen. De door partijen gemaakte opmerkingen over de door de deskundige genomen uitgangspunten bij de waardering van de vennootschappen brengen daarin geen verandering. Dit oordeel zal hieronder per vennootschap aan de hand van de door partijen gemaakte opmerkingen worden toegelicht.
[maatschap 2]
2.6.
De deskundige heeft in paragraaf 6.1.4. van het deskundigenbericht op pagina 16 onder “Conclusies” als volgt overwogen:
“[maatschap 2] is geen zelfstandig opererend samenwerkingsverband. De oprichting en inschrijving in het Handelsregister van de KvK heeft als doel gehad de financiering van [adres 1] en [adres 2] (inclusief de bouw van de verblijfsaccomodatie voor buitenlandse werknemers (ook wel genoemd: “Polenhotel”)), waarvoor de hypotheek [hypotheeknummer] bij ING Bank N.V. is verkregen. Omdat zowel de registergoederen als de financiering als de inkomsten en uitgaven via de bijbehorende rekening-courant bankrekeningen bij ING Bank N.V. eindigend op [nummer X] en op [nummer Y] inmiddels al zijn verdeeld door de rechtbank in het tussenvonnis van 20 september 2023 en in het vonnis van 1 mei 2024, kan worden geconcludeerd dat er geen vermogensbestanddelen meer bestaan ten aanzien van [maatschap 2] , die nog dienen te worden verdeeld. Een eventuele waardering van [maatschap 2] kan aldus worden begroot op € 0.”
2.7.
Tegen deze conclusie heeft alleen [broer 1] bezwaren aangevoerd. [broer 1] is van mening dat via de ING-bankrekening die op naam stond van [broer 2] en [broer 3] , geld naar Dubai is weggevloeid en dat de deskundige dit in de waardering had moeten betrekken. Ook maakt [broer 1] melding van inkomsten uit Dubai, het chalet in Oostenrijk en het zogenaamde Polenhotel die [broer 2] en [broer 3] wel ontvangen zouden hebben, maar die niet met hem gedeeld zouden zijn.
2.8.
Deze bezwaren vormen geen dan wel onvoldoende grond om de conclusie van de deskundige ter zijde te schuiven. Nog daargelaten dat dergelijke niet gedeelde inkomsten door [broer 1] op geen enkele wijze zijn geconcretiseerd, is dit een herhaling van eerder betrokken stellingen waarop de rechtbank reeds heeft beslist. De deskundige heeft dan ook terecht overwogen dat de rechtbank al in het vonnis van 20 september 2023 heeft beslist op de vorderingen van [broer 1] ten aanzien van de investeringen in Dubai. De vordering tot verdeling van de onroerende zaken in Dubai is afgewezen. Met juistheid heeft de deskundige overwogen dat de rechtbank bij vonnis van 1 mei 2024 de twee ING-bankrekeningen heeft verdeeld. Gelet hierop heeft de deskundige de conclusie kunnen trekken dat ten aanzien van [maatschap 2] geen vermogensbestanddelen meer bestaan die nog moeten worden verdeeld.
[maatschap 1]
2.9.
Partijen hebben alleen bezwaren aangevoerd tegen de door de deskundige in het deskundigenbericht gehanteerde waardering van de cultuurgrond aan [straatnaam] met een oppervlakte van 10,82 ha, die met een boekwaarde van € 527.276,- in de balans is opgenomen. De deskundige heeft deze cultuurgrond per 20 september 2023 gewaardeerd op € 946.750,- (= € 87.500,- per hectare).
2.10.
[broer 2] en [broer 3] hebben bezwaren geuit tegen de door de deskundige gebruikte waarde van de cultuurgrond zoals die door Arvalis met als waardepeildatum 14 oktober 2021, is getaxeerd. Volgens [broer 2] en [broer 3] is die waarde te hoog omdat het perceel veel last heeft van vernattingsprojecten in de Mariapeel en mondeling is verpacht aan de [maatschap 1] .
2.11.
De rechtbank volgt [broer 2] en [broer 3] niet in hun bezwaren. De deskundige is geen taxateur en heeft als uitgangspunt voor de waardering van de cultuurgrond gebruik gemaakt van de taxatie van Arvalis. Deze taxatie heeft Arvalis uitgevoerd in opdracht van de rechtbank ter uitvoering van een voorlopig deskundigenonderzoek waarbij alle onroerende zaken van partijen in Nederland zijn getaxeerd. Het betreft een onafhankelijke taxateur en bovendien hebben [broer 2] en [broer 3] op 31 januari 2024 bij akte uitlating na tussenvonnis (pagina 3 onder randnummer 5), te kennen gegeven dat voor de waarde van [maatschap 1] kan worden uitgegaan van de marktwaarde van de percelen cultuurgrond, zoals die in opdracht van de rechtbank is vastgesteld door taxateur Albers van Arvalis. Verder heeft de deskundige gemotiveerd de conclusie getrokken dat deze door Arvalis getaxeerde waarde niet onjuist lijkt (zie onder 8.1 op pagina 38 van het deskundigenbericht). De deskundige heeft daarbij de gezichtspunten van taxateurs Arvalis en Aelmans betrokken - waarvan de taxatiewaarden elkaar niet veel ontlopen - en de gezichtspunten van [broer 2] en [broer 3] enerzijds en [broer 1] anderzijds voor wat betreft het risico op wateroverlast.
Conclusie
2.15.
De rechtbank volgt de deskundige in de begroting van de waarde van het aandeel van [broer 1] in de beide personenvennootschappen. De rechtbank zal die waarde per
20 september 2023 (de datum van de gedeeltelijke ontbinding van de personenvennootschappen) dan ook vaststellen op € 254.069,-.
2.16.
Bij tussenvonnis van 20 september 2023 (herhaald in het tussenvonnis van
21 februari 2024) heeft de rechtbank beslist dat [broer 1] , [broer 2] en [broer 3] de kosten van het deskundigenonderzoek naar evenredigheid, dus ieder voor een derde, dienen te dragen. Ook heeft de rechtbank beslist dat [broer 2] en [broer 3] dit moeten voorschieten en het deel van [broer 1] in mindering mogen brengen op het aan hem uit te keren bedrag voor zijn aandeel in de personenvennootschappen. [broer 2] en [broer 3] hebben per saldo aan deskundigenkosten een bedrag van € 20.253,59 inclusief btw betaald.
Zij mogen derhalve een derde deel van dat bedrag, zijnde € 6.751,20, in mindering brengen op het aan [broer 1] uit te keren bedrag van € 254.069,- zodat per saldo een bedrag van € 247.317,80 aan [broer 1] is verschuldigd.
2.17.
Vanwege de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank de (overige) proceskosten van deze procedure compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dictum
De rechtbank
3.1.
stelt de waarde van het aandeel van [broer 1] in [maatschap 1] en [maatschap 2] per 20 september 2023 vast op € 254.069,-,
3.2.
veroordeelt [broer 2] en [broer 3] het onder 3.1 genoemde bedrag aan [broer 1] te betalen, onder aftrek van zijn aandeel in de deskundigenkosten ter hoogte van € 6.751,20,
3.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden, mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer en mr. R.J.M.G. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2025.
CB