Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-03-05
ECLI:NL:RBLIM:2025:2114
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,848 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11365221 \ CV EXPL 24-5301
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R.A. Wijnands,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- [gedaagde] heeft om uitstel gevraagd maar heeft geen conclusie van antwoord genomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben samengewoond in een huurwoning waarvan [eiseres] alleen huurder was. Partijen hebben in juli 2022 besloten dat hun relatie diende te worden beëindigd, waarna [eiseres] de woning heeft verlaten. [eiseres] heeft [gedaagde] per brief van 1 maart 2023 een termijn van één maand gegeven om de woning te verlaten, hetgeen [gedaagde] niet heeft gedaan. Op 5 februari 2024 ontving [eiseres] van de verhuurder de bevestiging van de huuropzegging per 1 maart 2024. [eiseres] heeft in de periode tussen juli 2022 en 1 maart 2024 alle lasten gedragen voor de woning, terwijl [gedaagde] alleen in de woning verbleef.
2.2.
Op 12 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiseres] een brief gestuurd naar [gedaagde] waarin hij namens [eiseres] verzoekt, en zover nodig sommeert, de geleden schade te vergoeden.
2.3.
Partijen hebben daarna nog gecorrespondeerd. Daarbij is door [eiseres] aan [gedaagde] de gelegenheid geboden om de schadevergoeding alsnog te voldoen. [gedaagde] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Er is door [gedaagde] ook geen voorstel gedaan tot minnelijke regeling.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert - samengevat – te verklaren voor recht dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking zijdens [gedaagde] en hem om die reden te veroordelen tot het voldoen van een schadevergoeding van € 17.738,06, te voldoen binnen twee weken na datum vonnis.
3.2.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat er zijdens hem sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. Als gevolg hiervan is [gedaagde] verplicht de door [eiseres] geleden schade te vergoeden. De hoogte van de hoofdsom is door hem ook niet weersproken, zodat deze voor toewijzing gereed ligt.
4.2.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking zijdens [gedaagde] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 17.738,06, welke schadevergoeding [gedaagde] binnen twee weken na vandaag aan [eiseres] dient te voldoen,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11365221 \ CV EXPL 24-5301
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R.A. Wijnands,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- [gedaagde] heeft om uitstel gevraagd maar heeft geen conclusie van antwoord genomen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben samengewoond in een huurwoning waarvan [eiseres] alleen huurder was. Partijen hebben in juli 2022 besloten dat hun relatie diende te worden beëindigd, waarna [eiseres] de woning heeft verlaten. [eiseres] heeft [gedaagde] per brief van 1 maart 2023 een termijn van één maand gegeven om de woning te verlaten, hetgeen [gedaagde] niet heeft gedaan. Op 5 februari 2024 ontving [eiseres] van de verhuurder de bevestiging van de huuropzegging per 1 maart 2024. [eiseres] heeft in de periode tussen juli 2022 en 1 maart 2024 alle lasten gedragen voor de woning, terwijl [gedaagde] alleen in de woning verbleef.
2.2.
Op 12 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiseres] een brief gestuurd naar [gedaagde] waarin hij namens [eiseres] verzoekt, en zover nodig sommeert, de geleden schade te vergoeden.
2.3.
Partijen hebben daarna nog gecorrespondeerd. Daarbij is door [eiseres] aan [gedaagde] de gelegenheid geboden om de schadevergoeding alsnog te voldoen. [gedaagde] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Er is door [gedaagde] ook geen voorstel gedaan tot minnelijke regeling.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert - samengevat – te verklaren voor recht dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking zijdens [gedaagde] en hem om die reden te veroordelen tot het voldoen van een schadevergoeding van € 17.738,06, te voldoen binnen twee weken na datum vonnis.
3.2.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat er zijdens hem sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. Als gevolg hiervan is [gedaagde] verplicht de door [eiseres] geleden schade te vergoeden. De hoogte van de hoofdsom is door hem ook niet weersproken, zodat deze voor toewijzing gereed ligt.
4.2.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking zijdens [gedaagde] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 17.738,06, welke schadevergoeding [gedaagde] binnen twee weken na vandaag aan [eiseres] dient te voldoen,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.