Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-02-24
ECLI:NL:RBLIM:2025:1660
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,812 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.288003.24 (OWV)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2025 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
BRP-inschrijving te [adresgegevens verdachte] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. C.A.D. Oomes, advocaat te Son en Breugel.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 februari 2025. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.288003.24. Op 24 februari 2025 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.
2De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 166.786,13.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Op de terechtzitting van 10 februari 2025 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat zij het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.500,- schat. Daarmee heeft zij aansluiting gezocht bij de verklaring van [verdachte] dat hij een deel van zijn woning ter beschikking stelde voor de teelt van hennep en dat hij daarvoor maandelijks € 750,- zou ontvangen. Voor de maanden februari en maart was deze ‘huur’ al vooruitbetaald, hetgeen [verdachte] een totaal bedrag van € 1500,- heeft opgeleverd.
3Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] in totaal € 1.500,- heeft ontvangen als compensatie voor het ter beschikking stellen van een deel van zijn woning. Aangezien hij zal opdraaien voor de schade die door de benadeelde partijen als gevolg van de hennepteelt is geleden, en deze schade het bedrag van € 1.500,- ruim overschrijdt, dient het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te worden vastgesteld.
Beoordeling
Bij voormeld vonnis van 24 februari 2025 is [verdachte] veroordeeld wegens:
feit 1 primair
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 2 primair
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
feit 3 primair
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
De rechtbank acht in dit vonnis bewezen dat hij op 10 april 2024 in een woning in Eygelshoven een hennepkwekerij aanwezig had met daarin 1200 hennepplanten en in de periode daaraan voorafgaand elektriciteit en water heeft gestolen ten behoeve van die hennepkwekerij.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan. De basis voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage is dat er een eerdere oogst heeft plaatsgevonden. In genoemd vonnis van 24 februari 2025, heeft de rechtbank dat echter niet kunnen vaststellen. Daarmee kan deze rapportage niet gebruikt worden als middel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te begroten.
[verdachte] heeft verklaard dat hij van andere personen € 1.500,- heeft gekregen. In genoemd vonnis is de rechtbank echter tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat er ook andere personen in het spel waren. Daarmee kan ook deze verklaring niet dienen ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Nu ook anderszins niet blijkt dat [verdachte] voordeel heeft genoten, zal de rechtbank de vordering afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst de vordering af.
Deze uitspraak is gewezen door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.R.G. van Kerkhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 februari 2025.
Mr. De Groot is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.288003.24 (OWV)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2025 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
BRP-inschrijving te [adresgegevens verdachte] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. C.A.D. Oomes, advocaat te Son en Breugel.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 februari 2025. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.288003.24. Op 24 februari 2025 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.
2De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 166.786,13.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Op de terechtzitting van 10 februari 2025 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat zij het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.500,- schat. Daarmee heeft zij aansluiting gezocht bij de verklaring van [verdachte] dat hij een deel van zijn woning ter beschikking stelde voor de teelt van hennep en dat hij daarvoor maandelijks € 750,- zou ontvangen. Voor de maanden februari en maart was deze ‘huur’ al vooruitbetaald, hetgeen [verdachte] een totaal bedrag van € 1500,- heeft opgeleverd.
3Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] in totaal € 1.500,- heeft ontvangen als compensatie voor het ter beschikking stellen van een deel van zijn woning. Aangezien hij zal opdraaien voor de schade die door de benadeelde partijen als gevolg van de hennepteelt is geleden, en deze schade het bedrag van € 1.500,- ruim overschrijdt, dient het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te worden vastgesteld.
Beoordeling
Bij voormeld vonnis van 24 februari 2025 is [verdachte] veroordeeld wegens:
feit 1 primair
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 2 primair
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
feit 3 primair
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
De rechtbank acht in dit vonnis bewezen dat hij op 10 april 2024 in een woning in Eygelshoven een hennepkwekerij aanwezig had met daarin 1200 hennepplanten en in de periode daaraan voorafgaand elektriciteit en water heeft gestolen ten behoeve van die hennepkwekerij.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan. De basis voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage is dat er een eerdere oogst heeft plaatsgevonden. In genoemd vonnis van 24 februari 2025, heeft de rechtbank dat echter niet kunnen vaststellen. Daarmee kan deze rapportage niet gebruikt worden als middel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te begroten.
[verdachte] heeft verklaard dat hij van andere personen € 1.500,- heeft gekregen. In genoemd vonnis is de rechtbank echter tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat er ook andere personen in het spel waren. Daarmee kan ook deze verklaring niet dienen ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Nu ook anderszins niet blijkt dat [verdachte] voordeel heeft genoten, zal de rechtbank de vordering afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst de vordering af.
Deze uitspraak is gewezen door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.R.G. van Kerkhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 februari 2025.
Mr. De Groot is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.