Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-10-14
ECLI:NL:RBLIM:2025:13247
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2025:13247 text/xml public 2026-05-07T12:24:15 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-10-14 11729782 \ OV VERZ 25-27 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13247 text/html public 2026-05-07T12:23:18 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:13247 Rechtbank Limburg , 14-10-2025 / 11729782 \ OV VERZ 25-27 Uitleg testament door de kantonrechter (art. 96 Rv jo. 4:46 BW). De kantonrechter houdt rekening met de verklaringen van erflaatster die zij buiten het testament heeft afgelegd. De verhoudingen die erflaatster wenste te regelen zijn niet zorgvuldig, en zelfs onjuist, in het testament neergelegd. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: 11729782 \ OV VERZ 25-27 Beschikking van 14 oktober 2025 in de zaak van 1 [verzoeker sub 1] , hierna te noemen [verzoeker sub 1] , wonende te [plaatsnaam] , 2. [verzoeker sub 2] , hierna te noemen [verzoeker sub 2] , wonende te [plaatsnaam] , 3. [verzoeker sub 3] , hierna te noemen [verzoeker sub 3] , wonende te [plaatsnaam] , 4. [verzoeker sub 4] , hierna te noemen [verzoeker sub 4] , wonende te [plaatsnaam] , 5. [verzoeker sub 5] , hierna te noemen [verzoeker sub 5] , wonende te [plaatsnaam] , verzoekers, procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 3 juni 2025 ontvangen verzoekschrift ex artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), - de op 30 juni 2025 door [verzoeker sub 3] overgelegde akte van executele, - de mondelinge behandeling van 12 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - het door [verzoeker sub 3] tijdens de mondelinge behandeling overgelegde samenlevingscontract en testament van haarzelf. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op [overlijdensdatum] 2024 is te [plaatsnaam] overleden [erflater] (hierna: [erflater] ), geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 1967. Zij was laatstelijk woonachtig te [plaatsnaam] . 2.2. [erflater] woonde sinds [datum] 2008 samen met [verzoeker sub 3] . 2.3. Voordat [erflater] een relatie kreeg met [verzoeker sub 3] had zij een relatie met [naam X] . Tijdens die relatie is [verzoeker sub 5] geboren. [naam X] is de biologische moeder van [verzoeker sub 5] . Op dat moment was het wettelijk nog niet mogelijk voor [erflater] als ‘duomoeder’ om [verzoeker sub 5] te erkennen. [erflater] heeft [verzoeker sub 5] verzorgd en opgevoed als ware hij haar biologische zoon. Na de beëindiging van de relatie en de samenwoning tussen [naam X] en [erflater] , is het contact tussen [erflater] en [verzoeker sub 5] behouden gebleven. 2.4. [erflater] heeft bij testament, verleden op [datum] 2011 ten overstaan van mr. A.G.M. Moonen, destijds notaris te Venlo, voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. [erflater] heeft haar moeder als erfgenaam in haar nalatenschap uitgesloten. In het testament van [erflater] zijn de volgende erfstellingen opgenomen: ‘ ERFSTELLING I Voor het geval ik mocht overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner, zonder achterlating van afstammelingen, benoem ik [verzoeker sub 3] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] negentienhonderd zeven en zeventig, hierna te noemen: mijn partner, met wie ik sedert [datum] tweeduizend acht samenleefde en met wie ik een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst ben aangegaan, tot enig erfgename van mijn gehele nalatenschap. ERFSTELLING II Indien erfstelling I geen effect sorteert benoem ik tot mijn enige erfgenamen: Voor de ene helft van mijn nalatenschap: [verzoeker sub 5] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] negentienhonderd zes en negentig, die ik vanaf zijn geboorte gezamenlijk met zijn moeder gedurende twaalf jaren heb verzorgd en opgevoed als mijn eigen kind; en: voor de andere helft: diegenen, die de erfgenamen volgens de wet van mijn partner zouden zijn, wanneer zij tegelijk met mij zou zijn overleden, zulks voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf is bepaald. De regels van plaatsvervulling van het thans geldende erfrecht bij versterf zijn op deze benoemingen voorzover nodig van toepassing. ERFSTELLING III Indien erfstelling I en II geen effect sorteren benoem ik tot enig erfgenamen diegenen, die de erfgenamen volgens de wet van mijn partner zouden zijn, wanneer zij tegelijk met mij zou zijn overleden, zulks voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf is bepaald.’ 2.5. Ook [verzoeker sub 3] heeft op [datum] 2011 ten overstaan van notaris Moonen bij testament over haar nalatenschap beschikt. In het testament van [verzoeker sub 3] zijn de volgende erfstellingen opgenomen: ‘ ERFSTELLING I Voor het geval ik mocht overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner, zonder achterlating van afstammelingen, benoem ik [erflater] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] negentienhonderd zeven en zestig, hierna te noemen: mijn partner, met wie ik sedert [datum] tweeduizend acht samenleef en met wie ik een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst ben aangegaan, tot enig erfgenaam van mijn gehele nalatenschap. ERFSTELLING II Voor het geval ik overlijd tegelijk met mijn partner, ongehuwd en niet als partner geregistreerd, zonder achterlating van één of meer afstammelingen, benoem ik tot mijn enige erfgenamen mijn wettelijke erfgenamen, voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf is bepaald. De regels van plaatsvervulling van het thans geldende erfrecht bij versterf zijn op deze benoeming voorzover nodig van toepassing. ERFSTELLING III Voor het geval ik overlijd na mijn partner, ongehuwd en niet als partner geregistreerd en zonder achterlating van één of meer afstammelingen én ik als erfgenaam ben opgekomen in de nalatenschap van mijn partner, benoem ik tot mijn enige erfgenamen: voor de ene helft van mijn nalatenschap: mijn wettelijke erfgenamen, voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf is bepaald; en: voor de andere helft: [verzoeker sub 5] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] negentienhonderd zes en negentig. De regels van plaatsvervulling van het thans geldende erfrecht bij versterf zijn op deze benoemingen voorzover nodig van toepassing. Indien genoemde [verzoeker sub 5] of zijn afstammelingen om welke reden dan ook niet als mijn erfgenaam in mijn nalatenschap zal opkomen, benoem ik in zijn plaats mijn wettelijke erfgenamen voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf is bepaald.’ 2.6. [erflater] en [verzoeker sub 3] zijn daarnaast, eveneens op [datum] 2011, ten overstaan van notaris Moonen, een notarieel samenlevingscontract aangegaan. 2.7. Op [datum] 2024, één maand voor haar overlijden, heeft [erflater] haar zoon [verzoeker sub 5] erkend en is zij juridisch ouder van [verzoeker sub 5] geworden. 2.8. [erflater] heeft [verzoeker sub 3] in haar testament tot executeur benoemd. Die benoeming heeft [verzoeker sub 3] aanvaard. 2.9. Na het overlijden van [erflater] op [overlijdensdatum] 2024, heeft [verzoeker sub 3] zich gewend tot Moonen notarissen te [plaatsnaam] met het verzoek om een verklaring van erfrecht op te maken. De notaris heeft geconstateerd dat [erflater] een afstammeling - [verzoeker sub 5] - heeft achtergelaten waardoor erfstelling I uit het testament volgens de notaris geen effect sorteert. Volgens de notaris is erfstelling II van het testament van toepassing. 3 Het verzoek 3.1. Verzoekers hebben zich gezamenlijk tot de kantonrechter gewend en verzocht om op grond van artikel 96 Rv in samenhang met artikel 4:46 Burgerlijk Wetboek (BW) het testament van [erflater] uit te leggen in die zin dat [verzoeker sub 3] enig en algeheel erfgenaam is van [erflater] . 3.2. Aan het verzoek hebben verzoekers het volgende ten grondslag gelegd. Op basis van de letterlijke tekst van het testament is [verzoeker sub 3] geen erfgenaam van [erflater] .
Volledig
[erflater] heeft vlak voordat zij is overleden [verzoeker sub 5] erkend en zij is daarmee juridisch ouder geworden van [verzoeker sub 5] . In erfstelling I staat omschreven dat deze erfstelling onder andere niet geldt op het moment dat er een afstammeling is; vanaf dat moment is erfstelling II van toepassing. [verzoeker sub 5] krijgt dan de ene helft van de nalatenschap en de vader en de twee broers van [verzoeker sub 3] de andere helft. [verzoeker sub 3] krijgt helemaal niets. Dit is nooit de bedoeling van [erflater] geweest. Het was de bedoeling dat de langstlevende alle tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen zou verkrijgen en dat [verzoeker sub 5] pas als erfgenaam tot de nalatenschap van [erflater] zou zijn gerechtigd als zowel [erflater] als [verzoeker sub 3] niet meer in leven zouden zijn. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter begrijpt het verzoek, gelet op de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting, zo dat wordt verzocht om bij beschikking voor recht te verklaren dat erfstelling I effect sorteert en dat deze inhoudt dat [verzoeker sub 3] enig en algeheel erfgenaam is van [erflater] . Een dergelijk verzoek c.q. vordering ziet op de uitleg van een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in artikel 4:46 van het Burgerlijk Wetboek en zou volgens de gewone regels van het burgerlijk procesrecht in een dagvaardingsprocedure moeten worden voorgelegd aan de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank. In alle zaken die slechts rechtsgevolgen hebben die ter vrije bepaling van partijen staan, kunnen partijen zich echter samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden en zijn beslissing inroepen (artikel 96 Rv). Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het verzoek aan de eisen van artikel 96 Rv en zij acht zich dan ook bevoegd om over het verzoek te beslissen. De kantonrechter stelt vast dat partijen zich niet het recht hebben voorbehouden om in hoger beroep te komen van deze beschikking (zie artikel 333 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 4.2. In zijn arrest van 10 november 2023 heeft de Hoge Raad het volgende geoordeeld over (de wijze van) uitleg van een testament: “Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. In het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013. ligt besloten dat voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, mede acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd. Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.” 4.3. In deze zaak is dezelfde kwestie aan de orde als in de zaak die heeft geleid tot het hiervoor genoemde arrest van 10 november 2023. Vast staat dat het op het moment dat [erflater] haar testament heeft opgemaakt - op [datum] 2011 - niet mogelijk was om als niet-biologische ouder het kind van de biologische moeder te erkennen. De wet die het mogelijk maakt als ‘duomoeder’ een kind te erkennen, is pas op 1 april 2014 in werking getreden. [erflater] is in haar testament niet vooruitgelopen op de latere wijziging in haar gezinssituatie, te weten dat zij [verzoeker sub 5] (toch) zou (kunnen) erkennen (en dus als gevolg daarvan een afstammeling in juridische zin heeft). Dit brengt, echter niet mee dat die wijziging bij de uitleg van het testament geen rol kan spelen. Als de erflater, [erflater] in dit geval, bij het opmaken van de uiterste wil geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van het nalaten van afstammelingen, dringt zich de vraag op of de erflater met de uiterste wil ook de door die omstandigheid gewijzigde verhoudingen kennelijk wilde regelen. De kantonrechter verwijst naar rechtsoverweging 3.2.2. van het arrest van 10 november 2023. 4.4. De kantonrechter stelt vast dat verzoekers allemaal eenduidig hebben verklaard over de verhoudingen die [erflater] met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. 4.5. Uit die verklaringen blijkt het volgende: Ten tijde van het opmaken van het testament van [erflater] woonden [erflater] en [verzoeker sub 3] al enige jaren samen. Zij hadden inmiddels samen een woning gekocht en zij wilden hun relatie in familierechtelijke zin formaliseren. [erflater] en [verzoeker sub 3] wilden er allebei voor zorgen dat de langstlevende in hun relatie enig erfgenaam zou zijn. Alle verzoekers - ook [verzoeker sub 5] - hebben heel eenduidig en stellig verklaard dat [erflater] bij leven telkens heeft verklaard dat ze iets wilde regelen voor de situatie waarin [verzoeker sub 3] als langstlevende partner zou achterblijven en ook [verzoeker sub 5] en de vader en de broers van [verzoeker sub 3] nog in leven zouden zijn. Ook wilde [erflater] iets regelen voor de verhouding tussen [verzoeker sub 5] en de vader en de broers van [verzoeker sub 3] na een overlijden van [verzoeker sub 3] als langstlevende. Kortom, [erflater] wilde de verhouding tussen [verzoeker sub 3] als erfgenaam en [verzoeker sub 5] en de vader en de broers van [verzoeker sub 3] als erfgenamen. 4.6. [verzoeker sub 3] heeft verklaard dat een eventuele wetswijziging met betrekking tot de erkenning van een niet-biologisch kind ten tijde van het opmaken van het testament bij de notaris geen onderwerp van gesprek is geweest, en dat de notaris ook niet erop heeft gewezen dat de wet op dit punt mogelijk zou kunnen wijzigen en wat de gevolgen zouden zijn in het geval [erflater] alsdan over zou gaan tot erkenning van [verzoeker sub 5] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker sub 3] verklaard dat zij in de periode waarin [erflater] al ernstig ziek was en de erkenning van [verzoeker sub 5] aan de orde was, nog samen met [erflater] naar het testament heeft gekeken. Aangezien onder erfstelling I de naam van [verzoeker sub 3] was vermeld, gingen zij ervan uit dat ook na de erkenning zou gelden dat [verzoeker sub 3] erfgenaam van [erflater] , zou zijn. Gezien de vermeldingen onder erfstelling II en III gingen zij ook ervan uit dat - na een overlijden van [verzoeker sub 3] , [verzoeker sub 5] en de familie van [verzoeker sub 3] erfgenaam zouden zijn en dat in geval [verzoeker sub 5] al voor [verzoeker sub 3] zou zijn overleden, dat de familie van [verzoeker sub 3] erfgenaam zou zijn. 4.7. Gelet op het voorgaande beantwoordt de kantonrechter de vraag of [erflater] met de uiterste wil ook de door de erkenning gewijzigde verhoudingen kennelijk wilde regelen, ontkennend. Met andere woorden, met het testament heeft [erflater] niet beoogd de door de erkenning van [verzoeker sub 5] gewijzigde verhoudingen te regelen. Het oordeel dat aan het testament geen rechten kunnen worden ontleend, zoals is gebeurd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, is in deze zaak echter niet op zijn plaats. Dat zou namelijk ertoe leiden dat het wettelijk versterferfrecht van toepassing is.