Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-11-26
ECLI:NL:RBLIM:2025:13209
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,864 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2025:13209 text/xml public 2026-03-05T09:15:16 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-11-26 C/03/329564 / HA ZA 24-173 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Maastricht Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:13065 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13209 text/html public 2026-03-05T09:14:45 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:13209 Rechtbank Limburg , 26-11-2025 / C/03/329564 / HA ZA 24-173 Civiel recht. Tussenvonnis. Aankondiging benoeming deskundige. Bijzondere overeenkomst. Koop en ruil. Koop anderszins. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/329564 / HA ZA 24-173 Vonnis van 26 november 2025 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. A.G.D.M. van Hoek, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. D. Stikkelbroeck. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 augustus 2025, - de akte houdende uitlating tussenvonnis tevens overlegging aanvullende productie 20 van [eiseres] , - de akte uitlating na tussenvonnis van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is een deskundige te benoemen. Tevens zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het specialisme van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht aan de zijde van beide partijen. Inschakelen deskundige en de te benoemen deskundige 2.2. Beide partijen hebben bij akte gereageerd op de wenselijkheid van een deskundigenbericht. 2.3. [eiseres] heeft bij akte houdende uitlating tussenvonnis, tevens overlegging productie 20, naar voren gebracht dat door het oordeel van de vettingcommissie van de TEFAF een smet op de wandkast rust, die maakt dat de wandkast niet langer verhandelbaar is, althans niet binnen de markt waarin partijen zich begeven. Het oordeel van de TEFAF is volgens [eiseres] cruciaal voor de uitkomst van de procedure. Volgens [eiseres] kan een deskundigenbericht daar weinig aan toevoegen. 2.4. [gedaagde] heeft bij akte uitlating na tussenvonnis ingestemd met het voorstel van de rechtbank een deskundige te benoemen. 2.5. De stellingen van partijen geven de rechtbank geen aanleiding haar voornemen tot benoeming van een deskundige te herzien. Naar het oordeel van de rechtbank kan met de benoeming van één deskundige worden volstaan. 2.6. Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt over de beoogde deskundige in de persoon van de heer Chiarugi van Studio di Restauro Chiarugi te Florence (hierna: Chiarugi). Zij zijn het met elkaar eens dat Chiarugi over de benodigde ervaring en deskundigheid beschikt, terwijl hij bovendien bedrijf houdt in Florence, in de buurt van de huidige locatie van de wandkast. Partijen verzoeken de rechtbank daarom Chiarugi als deskundige te benoemen. 2.7. De rechtbank volgt het voorstel van partijen en zal contact opnemen met de door partijen beoogde deskundige Chiarugi, teneinde hem te vragen of hij zich in staat acht de hierna te formuleren vragen te beantwoorden, bereid is een eventuele benoeming te aanvaarden en of dit hem vrij staat. De vraagstelling 2.8. [eiseres] wenst de vragen zoals deze door de rechtbank in rov. 4.25 van het tussenvonnis zijn geformuleerd, als volgt bij te stellen dan wel uit te breiden. 1. Ten aanzien van vraag 3 stelt [eiseres] een herformulering voor, te weten: ‘Constateert u aanpassingen die dateren van ná de in vraag 1 genoemde periode met betrekking tot de verguldingen, het polijsten en/of (de panelen van) de deuren van de wandkast?’ 2. Daarnaast stelt [eiseres] een aanvulling voor, door de toevoeging van vraag 3b: ‘Constateert u dat (delen van) de panelen zijn vervangen en/of aanpassingen aan een reeds bestaande reliëfstructuur op de deuren van de wandkast zijn doorgevoerd?’ 3. Bij vraag 4 stelt [eiseres] een aanvulling voor, door de toevoeging van vraag 4b: ‘Kunt u deze aanpassingen objectief onderbouwen met behulp van Carbon-14-datering? Zo ja, wat zijn de bevindingen van dit onderzoek?’ 4. Vraag 7 dient volgens [eiseres] tevens te worden voorgelegd aan experts van Christie’s en/of Sotheby’s, en wel na de conclusies van Chiarugi, zelfs indien Chiarugi de echtheid van het meubel bevestigt. 2.9. [gedaagde] kan zich vinden in de door de rechtbank voorgestelde vragen en stelt voor daar nog één vraag aan toe te voegen: ‘Kunt u beschadigingen aan de kast waarnemen die zich recent, in de periode vanaf april 2020, hebben voorgedaan?’ 2.10. Voorts laat [gedaagde] weten geen bezwaar te hebben tegen de door [eiseres] voorgestelde koolstofdatering (carbon-14 datering) op de belangrijkste delen van de wandkast. Zij stelt in dit kader de volgende vraagstelling voor: ‘Kunt u aan de hand van een carbon-14 datering (bij benadering) de leeftijd vaststellen van het hout dat gebruikt is voor het frame van de kast, de deurlijsten en de deurpanelen?’ 2.11. De rechtbank overweegt omtrent de aan de deskundige voor te leggen vragen als volgt. 2.12. De rechtbank ziet aanleiding om de door haar geformuleerde vraag 3 te wijzigen op de wijze zoals door [eiseres] naar voren gebracht, nu uit die formulering duidelijker blijkt dat het onderzoek met betrekking tot het polijsten en de verguldingen betrekking heeft op de gehele wandkast. De door [eiseres] voorgestelde toevoeging van vraag 3b zal worden afgewezen, nu, zoals reeds overwogen in rov. 4.23 van het tussenvonnis van 27 augustus 2025, ook al zou komen vast te staan dat dit het geval zou zijn, dit niet kan leiden tot de conclusie dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit betreft zoals overwogen immers een kenmerk van de kast dat duidelijk waarneembaar was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Ten aanzien van vraag 4 hebben zowel [eiseres] als [gedaagde] een aanvullende vraag inzake koolstofdatering voorgesteld. De rechtbank zal het voorstel van [gedaagde] in deze volgen, nu deze vraagstelling naar haar oordeel het meest passend is. Het voorstel van [eiseres] om vraag 7 tevens voor te leggen aan experts van Christie’s en/of Sotheby’s, zal door de rechtbank niet worden gevolgd aangezien zij hiertoe vooralsnog geen aanleiding ziet. De door [gedaagde] voorgestelde vraag, te weten of er beschadigingen aan de kast waar te nemen zijn die zich recent, in de periode vanaf april 2020, hebben voorgedaan, zal eveneens niet worden meegenomen nu deze vraag niet relevant is voor de thans voorliggende vorderingen. 2.13. De vraagstelling aan de deskundige zal met inachtneming van het voorgaande komen te luiden als weergegeven onder de beslissing. 2.14. De rechtbank zal, alvorens een deskundige te benoemen, dit tussenvonnis en het tussenvonnis van 27 augustus 2025 aan de beoogde deskundige voorleggen. Indien deze bereid en in staat is om in deze zaak als deskundige op te treden zal hij, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over het voorschot, bij latere beschikking tot deskundige worden benoemd. Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis van 27 augustus 2025 zal het voorschot door [eiseres] , als eisende partij, moeten worden betaald. 2.15. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. 2.16.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2025:13209 text/xml public 2026-03-05T09:15:16 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-11-26 C/03/329564 / HA ZA 24-173 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Maastricht Civiel recht Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2025:13065 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:13209 text/html public 2026-03-05T09:14:45 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:13209 Rechtbank Limburg , 26-11-2025 / C/03/329564 / HA ZA 24-173 Civiel recht. Tussenvonnis. Aankondiging benoeming deskundige. Bijzondere overeenkomst. Koop en ruil. Koop anderszins. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/329564 / HA ZA 24-173 Vonnis van 26 november 2025 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. A.G.D.M. van Hoek, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. D. Stikkelbroeck. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 augustus 2025,- de akte houdende uitlating tussenvonnis tevens overlegging aanvullende productie 20 van [eiseres] ,- de akte uitlating na tussenvonnis van [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is een deskundige te benoemen. Tevens zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het specialisme van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht aan de zijde van beide partijen. Inschakelen deskundige en de te benoemen deskundige 2.2. Beide partijen hebben bij akte gereageerd op de wenselijkheid van een deskundigenbericht. 2.3. [eiseres] heeft bij akte houdende uitlating tussenvonnis, tevens overlegging productie 20, naar voren gebracht dat door het oordeel van de vettingcommissie van de TEFAF een smet op de wandkast rust, die maakt dat de wandkast niet langer verhandelbaar is, althans niet binnen de markt waarin partijen zich begeven. Het oordeel van de TEFAF is volgens [eiseres] cruciaal voor de uitkomst van de procedure. Volgens [eiseres] kan een deskundigenbericht daar weinig aan toevoegen. 2.4. [gedaagde] heeft bij akte uitlating na tussenvonnis ingestemd met het voorstel van de rechtbank een deskundige te benoemen. 2.5. De stellingen van partijen geven de rechtbank geen aanleiding haar voornemen tot benoeming van een deskundige te herzien. Naar het oordeel van de rechtbank kan met de benoeming van één deskundige worden volstaan. 2.6. Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt over de beoogde deskundige in de persoon van de heer Chiarugi van Studio di Restauro Chiarugi te Florence (hierna: Chiarugi). Zij zijn het met elkaar eens dat Chiarugi over de benodigde ervaring en deskundigheid beschikt, terwijl hij bovendien bedrijf houdt in Florence, in de buurt van de huidige locatie van de wandkast. Partijen verzoeken de rechtbank daarom Chiarugi als deskundige te benoemen. 2.7. De rechtbank volgt het voorstel van partijen en zal contact opnemen met de door partijen beoogde deskundige Chiarugi, teneinde hem te vragen of hij zich in staat acht de hierna te formuleren vragen te beantwoorden, bereid is een eventuele benoeming te aanvaarden en of dit hem vrij staat. De vraagstelling 2.8. [eiseres] wenst de vragen zoals deze door de rechtbank in rov. 4.25 van het tussenvonnis zijn geformuleerd, als volgt bij te stellen dan wel uit te breiden. 1. Ten aanzien van vraag 3 stelt [eiseres] een herformulering voor, te weten: ‘Constateert u aanpassingen die dateren van ná de in vraag 1 genoemde periode met betrekking tot de verguldingen, het polijsten en/of (de panelen van) de deuren van de wandkast?’ 2. Daarnaast stelt [eiseres] een aanvulling voor, door de toevoeging van vraag 3b: ‘Constateert u dat (delen van) de panelen zijn vervangen en/of aanpassingen aan een reeds bestaande reliëfstructuur op de deuren van de wandkast zijn doorgevoerd?’ 3. Bij vraag 4 stelt [eiseres] een aanvulling voor, door de toevoeging van vraag 4b: ‘Kunt u deze aanpassingen objectief onderbouwen met behulp van Carbon-14-datering? Zo ja, wat zijn de bevindingen van dit onderzoek?’ 4. Vraag 7 dient volgens [eiseres] tevens te worden voorgelegd aan experts van Christie’s en/of Sotheby’s, en wel na de conclusies van Chiarugi, zelfs indien Chiarugi de echtheid van het meubel bevestigt. 2.9. [gedaagde] kan zich vinden in de door de rechtbank voorgestelde vragen en stelt voor daar nog één vraag aan toe te voegen: ‘Kunt u beschadigingen aan de kast waarnemen die zich recent, in de periode vanaf april 2020, hebben voorgedaan?’ 2.10. Voorts laat [gedaagde] weten geen bezwaar te hebben tegen de door [eiseres] voorgestelde koolstofdatering (carbon-14 datering) op de belangrijkste delen van de wandkast. Zij stelt in dit kader de volgende vraagstelling voor: ‘Kunt u aan de hand van een carbon-14 datering (bij benadering) de leeftijd vaststellen van het hout dat gebruikt is voor het frame van de kast, de deurlijsten en de deurpanelen?’ 2.11. De rechtbank overweegt omtrent de aan de deskundige voor te leggen vragen als volgt. 2.12. De rechtbank ziet aanleiding om de door haar geformuleerde vraag 3 te wijzigen op de wijze zoals door [eiseres] naar voren gebracht, nu uit die formulering duidelijker blijkt dat het onderzoek met betrekking tot het polijsten en de verguldingen betrekking heeft op de gehele wandkast. De door [eiseres] voorgestelde toevoeging van vraag 3b zal worden afgewezen, nu, zoals reeds overwogen in rov. 4.23 van het tussenvonnis van 27 augustus 2025, ook al zou komen vast te staan dat dit het geval zou zijn, dit niet kan leiden tot de conclusie dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit betreft zoals overwogen immers een kenmerk van de kast dat duidelijk waarneembaar was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Ten aanzien van vraag 4 hebben zowel [eiseres] als [gedaagde] een aanvullende vraag inzake koolstofdatering voorgesteld. De rechtbank zal het voorstel van [gedaagde] in deze volgen, nu deze vraagstelling naar haar oordeel het meest passend is. Het voorstel van [eiseres] om vraag 7 tevens voor te leggen aan experts van Christie’s en/of Sotheby’s, zal door de rechtbank niet worden gevolgd aangezien zij hiertoe vooralsnog geen aanleiding ziet. De door [gedaagde] voorgestelde vraag, te weten of er beschadigingen aan de kast waar te nemen zijn die zich recent, in de periode vanaf april 2020, hebben voorgedaan, zal eveneens niet worden meegenomen nu deze vraag niet relevant is voor de thans voorliggende vorderingen. 2.13. De vraagstelling aan de deskundige zal met inachtneming van het voorgaande komen te luiden als weergegeven onder de beslissing. 2.14. De rechtbank zal, alvorens een deskundige te benoemen, dit tussenvonnis en het tussenvonnis van 27 augustus 2025 aan de beoogde deskundige voorleggen. Indien deze bereid en in staat is om in deze zaak als deskundige op te treden zal hij, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over het voorschot, bij latere beschikking tot deskundige worden benoemd. Zoals reeds overwogen in het tussenvonnis van 27 augustus 2025 zal het voorschot door [eiseres] , als eisende partij, moeten worden betaald. 2.15. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. 2.16.
Volledig
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de (beoogde) deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken. 2.17. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen: Uit welke periode stamt de kast? Hoe moet de aanduiding ‘ca. 1580’ worden opgevat? Constateert u aanpassingen die dateren van na de bij vraag 1 genoemde periode met betrekking tot de verguldingen, het polijsten en/of (de panelen van) de deuren van de wandkast? A. Zo ja, wanneer zijn deze aanpassingen aangebracht? B. Kunt u aan de hand van een carbon-14 datering (bij benadering) de leeftijd vaststellen van het hout dat gebruikt is voor het frame van de kast, de deurlijsten en de deurpanelen? 5. Kunt u, zowel per afzonderlijk type aanpassingen (de verguldingen, het polijsten, et cetera) als voor het geheel van aanpassingen, aangeven of dit gevolgen heeft voor de authenticiteit van de kast? 6. Kwalificeert u de kast in de huidige staat als authentiek? 7. Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt: hebben de aanpassingen gevolgen voor de (verkoop)waarde van de kast in april 2020? Zo ja, op welke waarde taxeert u de kast op genoemd peilmoment met en zonder de aanpassingen? 8. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling? 3.2. bepaalt dat de deskundige bij afzonderlijk vonnis zal worden benoemd, 3.3. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden, het voorschot 3.4. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de beoogde deskundige het volgende: - de beoogde deskundige moet binnen twee weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten, - de griffie zal de opgave van de beoogde deskundige vervolgens toezenden aan partijen, - partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting, - als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de beoogde deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag, - als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld, het onderzoek 3.5. bepaalt dat [eiseres] – na vaststelling van het voorschot – het procesdossier in afschrift aan de deskundige moeten toesturen, 3.6. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats, 3.7. wijst de deskundige erop dat: - de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl), - de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot, - de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn, - de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken, - de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan, - als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd, 3.8. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten, het schriftelijk rapport 3.9. wijst de deskundige erop dat: - uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd, - de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden, 3.10. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren, overige bepalingen 3.11. partijen zullen bericht ontvangen zodra een deskundige bereid is gevonden de benoeming als deskundige te aanvaarden. 3.12. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.C.M. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025. AP
Volledig
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de (beoogde) deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken. 2.17. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen: Uit welke periode stamt de kast? Hoe moet de aanduiding ‘ca. 1580’ worden opgevat? Constateert u aanpassingen die dateren van na de bij vraag 1 genoemde periode met betrekking tot de verguldingen, het polijsten en/of (de panelen van) de deuren van de wandkast? A. Zo ja, wanneer zijn deze aanpassingen aangebracht? B. Kunt u aan de hand van een carbon-14 datering (bij benadering) de leeftijd vaststellen van het hout dat gebruikt is voor het frame van de kast, de deurlijsten en de deurpanelen? 5. Kunt u, zowel per afzonderlijk type aanpassingen (de verguldingen, het polijsten, et cetera) als voor het geheel van aanpassingen, aangeven of dit gevolgen heeft voor de authenticiteit van de kast? 6. Kwalificeert u de kast in de huidige staat als authentiek? 7. Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt: hebben de aanpassingen gevolgen voor de (verkoop)waarde van de kast in april 2020? Zo ja, op welke waarde taxeert u de kast op genoemd peilmoment met en zonder de aanpassingen? 8. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling? 3.2. bepaalt dat de deskundige bij afzonderlijk vonnis zal worden benoemd, 3.3. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden, het voorschot 3.4. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de beoogde deskundige het volgende: - de beoogde deskundige moet binnen twee weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten, - de griffie zal de opgave van de beoogde deskundige vervolgens toezenden aan partijen, - partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting, - als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de beoogde deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag, - als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld, het onderzoek 3.5. bepaalt dat [eiseres] – na vaststelling van het voorschot – het procesdossier in afschrift aan de deskundige moeten toesturen, 3.6. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats, 3.7. wijst de deskundige erop dat: - de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl), - de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot, - de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn, - de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken, - de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan, - als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd, 3.8. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten, het schriftelijk rapport 3.9. wijst de deskundige erop dat: - uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd, - de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden, 3.10. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren, overige bepalingen 3.11. partijen zullen bericht ontvangen zodra een deskundige bereid is gevonden de benoeming als deskundige te aanvaarden. 3.12. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.C.M. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025. AP