Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-05-20
ECLI:NL:RBLIM:2025:13168
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/1899 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , beide wonende te [woonplaats] , eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, het college (gemachtigde: mr. E.P.B. Moors). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van hun verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben als partij deelgenomen: [eiser 1] (eiser) en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of het college op goede gronden tot (gedeeltelijke) afwijzing van het Woo-verzoek op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Woo is overgegaan. Zij gaat daarbij in op het Woo-verzoek, de totstandkoming van het bestreden besluit, de gehanteerde zoekslag, de toegepaste weigeringsgronden, de voorwaarden die aan de verstrekking van de documenten zijn verbonden en de door eisers gestelde aanwezigheid van klemmende redenen zoals bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, van de Woo. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Zij zal dat hieronder nader toelichten. 2.2. De toepasselijke wet- en regelgeving is als bijlage gevoegd bij deze uitspraak. Wat is de inhoud van het Woo-verzoek? 3. Eisers hebben op 28 november 2022 een verzoek ingediend op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Woo en artikel 5.6. eerste lid, van de Woo. Het verzoek ziet op alle op henzelf betrekking hebbende documenten met betrekking tot hun krediethypotheek. Het verzoek ziet op de periode 1 november 2017 tot en met 28 november 2022. Aanleiding voor het verzoek vormt de omstandigheid dat eisers een uitkering hadden in het kader van de Participatiewet, maar deze uitkering is op 20 mei 2018 omgezet naar een geldlening. 3.1. Eisers verzoeken – samengevat weergegeven – om alle documenten (analoog en digitaal) en concepten van en naar: - Intern: de burgemeester, het college van Burgemeester en Wethouders, de directie, secretariaat en ondersteuning, de concernstaf, juridische zaken, verder betrokken teams (waaronder Team Wijk, Werk, Inkomen, Rechtmatigheid, Sociale Wijkteams, Financiën en Participatie), programmamanagers, griffie, raad en presidium. - Extern : alle documenten, inclusief concepten, van en naar [naam notariskantoor] , inclusief opdrachten, facturen en betalingen. 3.2. Eisers maken daarbij de kanttekening dat documenten die door hen zijn verzonden of ontvangen zijn uitgesloten van dit verzoek. Documenten die door hen zijn verzonden en/of ontvangen en door de gemeente Venlo intern en/of extern zijn doorgestuurd zonder kennisgeving aan en instemming van hen, zijn niet uitgesloten van het verzoek. Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen? 4. Bij het primaire besluit van 24 januari 2023, verzonden 26 januari 2023, heeft het college beslist op het Woo-verzoek van eisers. Het college heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek om verstrekking van informatie die betrekking heeft op hen zelf (artikel 5.5, eerste lid, van de Woo). Het college heeft besloten de gevraagde informatie gedeeltelijk aan eisers te verstrekken. Aan deze gedeeltelijke verstrekking heeft het college – met inachtneming van de in artikel 5.1 en 5.2 van de Woo genoemde weigeringsgronden – de volgende voorwaarden verbonden: de documenten worden op papier aan eisers verstrekt zodra hun identiteit is vastgesteld; de documenten mogen niet gedeeld worden met derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden, nu artikel 5.5 van de Woo zich daartegen verzet. 4.1.1. Uit de bij het besluit gevoegde inventarisatietabel blijkt dat het college de gevraagde informatie gedeeltelijk heeft verstrekt met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo (eerbiediging persoonlijke levenssfeer) en/of artikel 5.2 van de Woo (persoonlijke b Deze documenten zijn evenmin (deels dan wel geheel) geweigerd en zij komen niet voor op de inventarislijst, terwijl deze documenten bij het college behoren te berusten op grond van de Woo en de Archiefwet. Het college stelt niet te kunnen duiden wat eisers bedoelen, terwijl het niet heeft gevraagd om verduidelijking. De niet-verstrekte documenten waarop eisers doelen zijn: overleggen (afspraken, agenda’s), berichten (e-mails en/of chatberichten zoals WhatsApp, sms, Signal etc), offertes, facturen [naam notariskantoor] , die het college in bezwaar weigert te verstrekken en zelfs weigert te behandelen in het verzoek. Eisers verwijzen naar de volgende e-mailberichten waaruit blijkt dat niet alle gevraagde documenten zijn verstrekt: - e-mailbericht van 5 juni 2020; - e-mailbericht van 22 juni 2020; - e-mailbericht van 23 juni 2020; - e-mailbericht van 26 juni 2020; - e-mailberichten van 18 december 2020; - e-mailbericht van 27 juni 2022; - e-mailbericht van 28 juli 2022; - e-mailbericht van 3 augustus 2022; en - e-mailbericht van 21 oktober 2022. 5.2. Wat de externe zoekslag betreft voeren eisers tot slot aan dat er tussen eiser, de Provincie Limburg en de gemeente Venlo in 2022 meerdere malen overleg is geweest met betrekking tot de aangelegenheid “Krediethypotheek”. Het college stelt naar de mening van eisers ten onrechte dat dit onderwerp buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek valt. Het college had het Woo-verzoek op dit punt moeten doorzenden naar de Provincie Limburg op grond van artikel 4.2 van de Woo. Wat is het standpunt van het college? 6. Het college stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat de verrichte zoekslag volledig is geweest. Naar de mening van het college is het helder wie de zoekslag heeft uitgevoerd en waar is gezocht. Het college weerspreekt de niet nader onderbouwde stelling van eisers dat er door bepaalde personen informatie zou zijn achtergehouden. Ook weerspreekt het college dat er bij elk overleg een uitnodiging, agenda en notulen worden gemaakt en dat er niet gezocht zou zijn naar niet-openbare, vertrouwelijke en/of geheime documenten. Het college is in het bestreden besluit verder ingegaan op de door eisers aangehaalde e-mailberichten. Wat is het oordeel van de rechtbank? 7. Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat het een bepaald document niet of niet meer heeft en een dergelijke mededeling komt niet ongeloofwaardig voor, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat het bestuursorgaan, in tegenstelling tot de uitkomst van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch nog heeft. Een bestuursorgaan heeft een document als het document fysiek bij dat bestuursorgaan aanwezig is en voor dat bestuursorgaan bestemd is. Het bestuursorgaan moet uitleggen hoe het naar documenten heeft gezocht. Of de mededeling dat een bestuursorgaan een bepaald document niet of niet meer heeft niet ongeloofwaardig voorkomt hangt af van hoe grondig het bestuursorgaan naar documenten heeft gezocht. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college gelet op de inhoud van het bestreden besluit alsmede de (summiere) toelichting ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de verrichte zoekslag naar de in het Woo-verzoek gevraagde documenten voldoende is geweest. Het college stelt weliswaar dat de zoekslag voldoende is geweest, maar niet gebleken is dat het college gezocht heeft in alle door eisers in rechtsoverweging 5 genoemde systemen en gegevensdragers. Het college heeft de zoekslag ten onrechte beperkt tot de persoonlijke e-mailboxen van de in het Woo-verzoek vermelde personen. Verder kan de rechtbank eisers volgen in hun stelling dat uit de besluitvorming niet blijkt welke persoon of personen de zoekslag hebben uitgevoerd. Met de overlegde stukken, waaronder de in rechtsoverweging 5.1 genoemde e-mailberichten en eisers correspondentie van en met de Provincie Limburg, hebben eisers voldoende aannemelijk gemaakt dat het college zo Daardoor is het niet aannemelijk dat deze persoon daardoor onevenredig zou worden benadeeld. Specifiek wijzen eisers op de e-mailberichten van 4 juni 2020, 5 juni 2020, 23 juni 2020, 1 juli 2020, 22 september 2020, 22 februari 2021 en 3 augustus 2022. Eisers geven verder – onder verwijzing naar de kamerbrieven van minister [naam] – aan dat de gevraagde documenten ouder zijn dan vijf jaar waardoor zowel de persoonlijke beleidsopvattingen als de “gevoelige dossiers” eerder openbaar hadden moet worden gemaakt. 11. De rechtbank stelt vast dat het college de informatie die betrekking heeft op persoonlijke visies, adviezen en standpunten onleesbaar heeft gemaakt. Dat geldt ook voor de specifiek door eisers aangehaalde e-mailberichten. Deze stukken zijn opgesteld voor intern beraad en bevatten – naast persoonsgegevens – tevens persoonlijk beleidsopvattingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze weigeringsgrond terecht toegepast. De beroepsgrond van eisers dat er geen sprake is van een onevenredige benadeling omdat de persoonsgegevens van de betreffende ambtenaar onleesbaar zijn gemaakt, volgt de rechtbank niet. De omstandigheid dat persoonsgegevens van de persoon van wie deze beleidsopvatting afkomstig is geanonimiseerd is, maakt niet dat deze weigeringsgrond niet zou kunnen worden toegepast. De aanwezigheid van persoonlijke beleidsopvattingen vormt immers een zelfstandige weigeringsgrond voor het verstrekken van informatie. Immers ook als de persoonlijke gegevens geanonimiseerd zijn, is het mogelijk dat uit de inhoud van de persoonlijke beleidsopvatting kan worden afgeleid van wie deze afkomstig is. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de stukken eerder openbaar gemaakt hadden moeten worden op grond van artikel 5.3 van de Woo. De stukken waren ten tijde van de besluitvorming immers nog geen vijf jaar oud. Heeft het college aan het verstrekken van de documenten voorwaarden mogen verbinden zoals bedoeld in artikel 5.5, vierde lid van de Woo? 12. Eisers stellen zich op het standpunt dat de aan de informatieverstrekking verbonden voorwaarde dat de informatie niet met derden gedeeld mag worden of op een andere wijze openbaar gemaakt mag worden, onrechtmatig is. Dit levert voor eisers onevenredig nadelige gevolgen op. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de verstrekte informatie alleen voor henzelf is. Het is niet de bedoeling deze informatie voor een ieder openbaar te maken. Eisers hebben de verkregen informatie, onder meer, nodig voor het voeren van juridische procedures waarbij het college of de gemeente betrokken is. Ook willen zij uit maatschappelijk oogpunt over deze stukken beschikken. Zij willen met deze stukken anderen helpen die zich in een vergelijkbare positie vinden. 13. In het bestreden besluit heeft het college alsnog gemotiveerd dat de aan de informatieverstrekking verbonden voorwaarde dat de documenten niet gedeeld mogen worden met derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt mogen worden, is gebaseerd op de belangen zoals genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo en artikel 5.2 van de Woo. De rechtbank deelt het standpunt van eisers dat deze voorwaarde te strikt is. Deze voorwaarde lijkt in te houden dat eisers wel de beschikking mogen hebben over deze informatie, maar deze informatie vervolgens niet mogen gebruiken voor, bijvoorbeeld, het voeren van juridische procedures. Daarnaar gevraagd heeft de gemachtigde van het college ter zitting toegelicht dat dit niet de strekking van deze voorwaarde kan zijn. De rechtbank stelt vast dat de voorwaarde wel op deze wijze is opgenomen in het bestreden besluit. Als het de bedoeling was dat deze voorwaarde niet zo strikt geïnterpreteerd moest worden in het licht van de daaraan gekoppelde belangen, zoals genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo en artikel 5.2 van de Woo, had het college dit deugdelijker moeten motiveren. Het bestreden besluit bevat daarom op dit punt een motiverings Dat is in deze zaak het geval. 17.2. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eisers op 21 februari 2023 tot de datum van deze uitspraak zijn bijna twee jaar en drie maanden verstreken. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaar overschreden, te weten met bijna drie maanden. Eisers hebben daarom recht op een immateriële schadevergoeding van € 500,-. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. In de bezwaarfase is binnen zes maanden beslist. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een bedrag van € 500,- aan eisers zal worden veroordeeld, als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep is gegrond voor zover dat ziet op de verrichte zoekslag en de gehanteerde (te) strikte voorwaarde bij het verstrekken van de informatie. De rechtbank verwijst daarbij naar rechtsoverweging 7.1 en 13. Dat betekent dat het bestreden besluit op deze punten wordt vernietigd. Dat betekent dat het college op deze punten opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eisers met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak. 18.1. Eisers krijgen geen gelijk voor wat betreft hun beroepsgronden tegen de gehanteerde weigeringsgronden en de klemmende redenen van artikel 5.6 van de Woo. Het is aan eisers – als zij het daar niet mee eens zijn – hiertegen tijdig hoger beroep in te stellen. 18.2. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Ook heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten. Deze kosten bestaan uit reiskosten. De rechtbank bepaalt de reiskosten op € 39,48 voor de reis [woonplaats] – Maastricht v.v., per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Ook wordt aan eisers een schadevergoeding toegekend van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals hiervoor berekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond voor zover dat ziet op de verrichte zoekslag en de gehanteerde voorwaarde bij de verstrekking van de informatie en vernietigt het bestreden besluit van 18 juli 2023 in zoverre; draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers; bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 39,48; veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot een vergoeding van de schade aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2025 griffier Rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 mei 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Wet open overheid Artikel 1.1 Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Artikel 4.1 Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoorde