Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-11-14
ECLI:NL:RBLIM:2025:13158
RECHTBANK LIMBURG Toezicht Locatie Maastricht toezichtnummer : NL:TZ:0000226874:B001 CBM-nummer : BM380630 beschikkingsnummer : 001 datum : 14 november 2025 Beschikking van de kantonrechter op verzoek van: Verder Bewind Zuid B.V.,Postbus 164, 6440 AD Brunssum,Kamer van Koophandel-nummer 14051037, hierna te noemen: verzoeker, met betrekking tot: [betrokkene] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,wonende te [adres] , [woonplaats] ,hierna te noemen: betrokkene. 1 Procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 13 oktober 2025. 1.2. De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling. 2 Beoordeling 2.1. Verzoeker vraagt om een beloning toe te kennen voor een verhuizing. 2.2. Verzoeker licht het verzoek als volgt toe: “Bij deze het verzoek tot extra beloning voor de extra werkzaamheden voor de verhuizing van de heer de [betrokkene] . De extra werkzaamheden omvatten het doorgeven van de adreswijziging aan de relaties. ” 2.3. De kantonrechter heeft in eerdere soortgelijke zaken beloningsverzoeken afgewezen met de volgende motivering: Op grond van artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de bewindvoerder aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij de Regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Deze regels zijn vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de regeling). In artikel 3 lid 1 van de regeling staat dat de kantonrechter de beloning van een bewindvoerder vaststelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid. In lid 2 staat de standaard jaarbeloning. In lid 5 staat een aantal aanvullende beloningen, bijvoorbeeld ‘voor verkoop of ontruiming van een woning, of in geval er geen mentor is, een verhuizing’. De vraag is dan of een bewindvoerder in het geval er geen mentor is en rechthebbende verhuist altijd recht heeft op de vergoeding. Het antwoord op deze vraag kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij de Regeling beloning. Hierin staat voor zover van belang: ‘Naast de jaarbeloning kunnen professionele vertegenwoordigers in voorkomende gevallen tevens aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden, zoals werkzaamheden in verband met een verhuizing. Uitgangspunt is dat de curator, bewindvoerder en mentor adequaat worden beloond voor de uitoefening van hun taken. (…) Een adequate beloning betekent ook dat vertegenwoordigers in staat moeten worden gesteld om hun werkzaamheden in het belang van de betrokkene [hier kan ook worden gelezen: rechthebbende] naar behoren uit te voeren. De jaarbeloning geldt als gemiddelde. Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen. De beloning voor werkzaamheden in verband met de verkoop of ontruiming van de woning van rechthebbende, of in geval er geen mentor is, de verhuizing van de rechthebbende, bedraagt (5 uren * € 65 =) € 325. [Toevoeging kantonrechter: inmiddels bedraagt deze vergoeding € 412,-.] De werkzaamheden in het kader van een verhuizing vallen in beginsel onder de taak van de mentor. Daarom dient een beloning voor werkzaamheden in het kader van een verhuizing alleen te worden toegekend indien de rechthebbende daartoe zelf niet in staat is en er geen mentor is die de verhuizing kan regelen.” Als een rechthebbende een mentor heeft, ontvangt een bewindvoerder geen aanvullende beloning in het geval van een verhuizing. Dit terwijl een verhuizing wel extra werk betekent voo Ook de Raad voor de Rechtspraak moet dus wel het oog hebben gehad op de niet-administratieve werkzaamheden die normaliter door anderen (mentor/rechthebbende/andere persoon) worden verricht. Ten slotte overweegt het Hof Arnhem-Leeuwarden dat met de toevoeging van de verhuizing aan de forfaitaire beloningsregeling de administratieve afhandeling van het beloningsverzoek relatief eenvoudig werd en de regeldruk voor de rechterlijke macht werd verminderd. Het Hof vervolgt: ‘ De Aanbevelingen [toevoeging kantonrechter: van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK)] lijken die ‘regeldruk’ weer naar de rechterlijke macht toe te trekken, met het risico dat de daarvoor benodigde capaciteit niet langer beschikbaar is voor inhoudelijk toezicht op het door de (professionele) bewindvoerder (en curator en mentor) in het kader van zijn taakuitoefening gevoerde beleid. ’ De bewindvoerder hoeft echter slechts dezelfde onderbouwing te geven aan een verzoek voor een verhuisvergoeding als een mentor die hierop recht meent te hebben. In die zin valt het met die regeldruk dus wel mee. Gelet op voorstaande oordeelt de kantonrechter dat enkel aanspraak bestaat op de forfaitaire verhuisvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van een verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn verricht dan de standaard administratieve werkzaamheden. Uit de door de bewindvoerder gegeven toelichting blijkt hier niet van. Er bestaat derhalve geen recht op de forfaitaire verhuisvergoeding. Wel zou recht kunnen bestaan op een aanvullende vergoeding op grond van artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning. Hiervoor is echter vereist dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Ook hiervan is niet gebleken. 2.4. Slotsom was daarom steeds dat het beloningsverzoek werd afgewezen In dit geval wil de kantonrechter, alvorens definitief te beslissen, echter prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad en wel vanwege het volgende. 2.5. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft al voor eerdergenoemde beschikking d.d. 21 augustus 2025 in een soortgelijke verzoek beslist tot toewijzing (4 februari 2025, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2025:563). Na deze beschikking is het onderwerp besproken op een vergadering van de Expertgroep CBM en is besloten de lijn te handhaven dat verzoeken waarbij enkel de standaardwerkzaamheden zijn verricht die ook worden verricht als er wel een mentor is worden afgewezen. Dit besluit is per brief van 4 april 2025 gecommuniceerd aan de brancheverenigingen van bewindvoerders. Hierin stond onder meer: ‘In genoemde uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat zodra er sprake is van een verhuizing en er geen mentor is die betrokkene bij de verhuizing kon ondersteunen de bewindvoerder de aangewezen persoon is om dat te doen en dat dan de betreffende forfaitaire beloning wordt toegekend. Anders dan het Hof zijn de leden van de Expertgroep CBM van oordeel dat de administratieve handelingen die een bewindvoerder altijd dient te verrichten bij de verhuizing van een cliënt (of er nu wel of geen mentor is) vallen onder de standaardwerkzaamheden van een bewindvoerder en daarmee niet onder de werkzaamheden vallen waarvoor de regeling een beloning bij verhuizing toekent. Als een bewindvoerder geen andere werkzaamheden dan de genoemde administratieve handelingen heeft gesteld, wordt dus niet voldaan aan voornoemd criterium. (…) Conclusie De kantonrechters hebben in de Expertgroep CBM afgesproken dat een verzoek tot het toekennen van een beloning voor werkzaamheden voor een verhuizing van betrokkene moet worden onderbouwd met de feitelijke werkzaamheden die zijn verricht. Als die onderbouwing achterwege blijft of als uit de onderbouwing volgt dat het alleen gaat om administratieve handelingen, zal het verzoek in beginsel worden afgewezen (zie bijvoorbeeld deze uitspraken van 31 maart jl.: ECLI:NL:RBZWB:2025:1805 en ECLI:NL:RBZWB:2025:1826).’ 2.6. Het besluit is in overeenstemming met de toenmali Voor zover bekend bij deze kantonrechter volgen in ieder geval drie rechtbanken de nieuwe aanbeveling niet (rechtbank Limburg, rechtbank Oost-Brabant en rechtbank Noord-Holland) en twee rechtbanken beraden zich nog (Den Haag en Zeeland-West-Brabant). De overige rechtbanken volgen wel de lijn van het Hof Arnhem-Leeuwarden. Dit alles geldt in beginsel, want individuele beslissingen kunnen weer anders uitvallen, omdat het aan iedere afzonderlijke kantonrechter is om de aanbeveling wel of niet te volgen en binnen sommige gerechten is er intern geen consensus. Het is overigens lastig één en ander te concretiseren aangezien meerdere rechtbanken verzoeken zonder schriftelijke beschikkingen afdoen in het digitale systeem van Toezicht en, voor zover er wel beschikkingen worden geschreven, deze vrijwel nooit worden gepubliceerd. Zie voor een voorbeeld van een afwijzing sinds de nieuwe aanbeveling de beschikking die is gepubliceerd door deze rechtbank, vindplaats ECLI:NL:RBLIM:2025:9160 d.d. 23 september 2025. 2.10. Op 24 september 2025, dus na verzending van voornoemde e-mail van 11 september 2025 werd een hieraan voorafgaand gewezen beschikking van het gerechtshof ’sHertogenbosch gepubliceerd (vindplaats: ECLI:NL:GHSHE:2025:2330, d.d. 28 augustus 2025). Dit hof heeft een beloningsverzoek van een bewindvoerder afgewezen. Het ging om een verhuizing zonder mentor waarbij geen andere werkzaamheden waren verricht dan de standaardwerkzaamheden. Het Hof overwoog: ‘In de inleidende verzoeken heeft [de bewindvoerder] slechts aangegeven dat zij administratieve werkzaamheden rondom de verhuizing van [de rechthebbende] heeft uitgevoerd en dat er geen meerdere werkzaamheden zijn verricht. Uit de toelichting op art. 3, vijfde lid, onder b van de Regeling en uit de Aanbevelingen volgt dat genoemde administratieve werkzaamheden in beginsel tot de normale taak van de bewindvoerder behoren. Derhalve is niet gesteld of gebleken dat [de bewindvoerder] naast administratieve werkzaamheden nog andere werkzaamheden ten behoeve van de verhuizing van [de rechthebbende] heeft verricht.’ 2.11. Op 8 oktober 2025, heeft het gerechtshof Den Haag ook een beschikking gewezen over deze materie (ECLI:NL:GHDHA:2025:2086), en hierin wordt de lijn van Arnhem-Leeuwarden gevolgd en is een beloningsverzoek van een bewindvoerder, die enkel de standaardwerkzaamheden had verricht, toegewezen, omdat er geen mentor was. 2.12. Kortom: in den lande worden door rechters tegenstrijdige beslissingen genomen en de hiermee gepaard gaande rechtsonzekerheid is onwenselijk. Hierbij komt dat er veelvuldig zodanige verzoeken worden gedaan (deze kantonrechter heeft er de afgelopen maand tientallen afgewezen, waarvan er één is gepubliceerd, en heeft nu weer een veertigtal nieuwe verzoeken liggen, en dat zal voor andere kantonrechters niet anders zijn). Gelet op deze aantallen en de tegenstrijdige beschikkingen (vanuit eerste aanleg zoals hiervoor al overwogen veelal niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) is de eenduidige beantwoording van de vraag of altijd recht bestaat op aanvullende beloning als een rechthebbende die onder bewind staat verhuist en geen mentor heeft, voor de praktijk van de kantonrechters van groot belang. Aldus wordt voldaan aan het vereiste van artikel 392 lid 1, aanhef en onder b, Rv, waarin staat: ‘1. De rechter kan (…) ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen en rechtstreeks van belang is: (…) b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.’ 2.13. De kantonrechter heeft het voornemen om prejudiciële vragen te stellen besproken tijdens de vergadering van de landelijke Expertgroep CBM op 30 oktober 2025. De leden van de Expertgroep onderschrijven het verzoek aan de Hoge Raad om prejudiciële vragen te beantwoorden, omdat het ge