Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-08-27
ECLI:NL:RBLIM:2025:13065
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/329564 / HA ZA 24-173 Vonnis van 27 augustus 2025 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. A.G.D.M. van Hoek, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. D. Stikkelbroeck. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de producties 1 tot en met 12,- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 24, - de akte houdende vermeerdering van eis, tevens overlegging aanvullende producties 13 tot en met 19 bij mondelinge behandeling van [eiseres] , - de akte overlegging aanvullende producties met de producties 25 tot en met 30 van [gedaagde] , - de spreekaantekeningen van [eiseres] , - de spreekaantekeningen van [gedaagde] , - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 februari 2025, - de brief van 10 maart 2025 van mr. Van Hoek met aanvullingen op het proces-verbaal, - de brief van 11 maart 2025 van mr. Stikkelbroeck met opmerkingen bij het proces-verbaal, - de advocaatwijziging van 12 maart 2025, waarbij mr. A.G.D.M. van Hoek zich heeft gesteld voor [eiseres] in plaats van mr. Van den Bergh. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiseres] is een vennootschap naar Engels recht, die een in [vestigingsplaats 1] gevestigde galerie ( [naam 1] ) exploiteert met een internationale reputatie op het gebied van Europese sculpturen en kunstwerken. [eiseres] neemt jaarlijks deel aan prestigieuze kunstbeurzen, waaronder TEFAF Maastricht (hierna ook: TEFAF). 2.2. [gedaagde] is een vennootschap naar Italiaans recht, die een kunsthandel in [vestigingsplaats 2] exploiteert, gericht op Italiaanse kunst uit de periode tussen de 12e en de 18e eeuw. De kunsthandel wordt gedreven door [naam 2] en zijn zoon [naam 3] . [gedaagde] neemt sinds 2001 deel aan TEFAF Maastricht. 2.3. In oktober 2019 heeft [gedaagde] op een veiling van veilinghuis [naam veilinghuis] in [vestigingsplaats 3] een 16-eeuwse Italiaanse wandkast van walnoothout met verguld profiel en ingesneden wapen van de Borromeo-familie (hierna: de wandkast) gekocht . 2.4. [gedaagde] heeft de wandkast voorafgaand aan de veiling laten bekijken door haar vaste restaurateur, restauratiestudio [naam restauratiestudio] in [vestigingsplaats 3] . Deze heeft bevestigd aan [gedaagde] dat de wandkast authentiek was en afkomstig uit de periode van het einde van de 16e tot het begin van de 17e eeuw. 2.5. Op 13 december 2019 heeft het Italiaanse Ministerie voor Cultureel Erfgoed (Ministero per i Beni e le Attività Culturali) een exportvergunning voor de wandkast aan [gedaagde] afgegeven. 2.6. In februari 2020 heeft [gedaagde] de wandkast tentoongesteld op een antiekbeurs in Modena (Italië). [eiseres] gaf tijdens deze antiekbeurs aan bereid te zijn de wandkast van [gedaagde] te kopen, mocht de door [gedaagde] voorgenomen verkoop met een andere partij geen doorgang vinden. 2.7. In maart 2020 waren beide partijen standhouder op kunstbeurs TEFAF Maastricht. Voorafgaand aan de opening van TEFAF, op 1 maart 2020, dan wel 2 maart 2020, hebben partijen mondelinge overeenstemming bereikt over de verkoop van de kast voor € 65.000,00. 2.8. Op 2 maart 2020 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een deelfactuur doen toekomen voor een bedrag van € 12.000,00. Deze deelfactuur bevat (onder meer) de volgende omschrijving: “ADVANCE PAYMENT ON SALE FOR 01 Large Drawing Bookcase in walnut wood with gold highlights Milan, 1580 ca (…) TOTAL INVOICE € 12.000,00 We guarantee the authenticity, the legal possession and legitimate origin. (…)” 2.9. Als voorwaarde voor deelname aan TEFAF moeten deelnemers zich expliciet committeren aan de zogeheten Vetting Guidelines , die onder meer inhouden dat de ten toon te stellen objecten worden gekeurd door de vettingcom Voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiseres] voor de door haar geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; en D. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 7.944,00 aan opslag- en vervoerskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; en E. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.425,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; en F. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. 3.2. [eiseres] legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat sprake is van bedrog dan wel (wederzijdse) dwaling. De vernietiging heeft tot gevolg dat [gedaagde] is gehouden tot terugbetaling van de koopsom, die dan immers onverschuldigd is betaald, aldus [eiseres] . Subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming, op grond waarvan zij ontbinding en schadevergoeding vordert. Daarnaast voert [eiseres] aan dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en om die reden is gehouden tot schadevergoeding. 3.3. [gedaagde] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1. Omdat partijen zijn gevestigd in het Verenigd Koninkrijk ( [eiseres] ) en Italië ( [gedaagde] ), heeft het geschil een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is. Rechtsmacht 4.2. Gelet op de aard van het geschil (een handelszaak), de vestigingsplaats van [gedaagde] (Italië) en het moment waarop de rechtsvordering is ingesteld (na 10 januari 2015), is de Brussel I bis-Verordening (hierna: Brussel I bis-Vo) bepalend voor het antwoord op de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 10 tot en met 25 Brussel I bis-Vo in dit geval geen bevoegd gerecht aanwijzen. Daarmee geldt – zowel voor de vordering uit overeenkomst als de vordering uit onrechtmatige daad – in beginsel de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo, dat het gerecht van de woonplaats van de gedaagde partij als bevoegd gerecht aanwijst, dan wel, zoals betoogd door [eiseres] , één van de alternatieve fora genoemd in artikel 7 Brussel I bis-Vo. Aangezien [gedaagde] in rechte is verschenen en geen beroep heeft gedaan op onbevoegdheid van de rechtbank, is de rechtbank (in ieder geval) bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 26 lid 1 Brussel I-bis vo. Een nader onderzoek of de rechtbank ook op grond van artikel 7 Brussel I bis-Vo bevoegd is, kan daarom achterwege blijven. Toepasselijk recht 4.3. Voor zover de vordering is gebaseerd op een verbintenis uit overeenkomst moet de vraag naar het toepasselijke recht door de Nederlandse rechter worden beantwoord aan de hand van de Rome I-verordening (hierna: Rome I-Vo). Deze verordening wijst in beginsel, bij afwezigheid van een rechtskeuze tussen partijen, de gewone verblijfplaats van de verkoper (in dit geval: Italië) aan als aanknopingspunt bij het bepalen van het toepasselijke recht (artikel 4 lid 1 sub a Rome I-Vo). [eiseres] heeft echter aangevoerd dat in dit geval toch Nederlands recht moet worden toegepast, omdat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland (artikel 4 lid 3 Rome I-Vo). [gedaagde] heeft om proceseconomische redenen geen verweer ten aanzien van het toepasselijke recht gevoerd. De rechtbank is, met [eiseres] , van oordeel dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland, nu de overeenkomst waarop het geschil betrekking heeft is gesloten op TEFAF 4.8. Dit is anders voor het beroep op bedrog. Het WKV kent geen regeling voor wilsgebreken zoals bedrog, zodat deze grondslag van de vordering beoordeeld moet worden naar nationaal Nederlands recht. Stellingen van partijen 4.9. [eiseres] stelt dat de wandkast niet voldoet aan haar gerechtvaardigde verwachtingen. [gedaagde] heeft de wandkast, die in het bezit zou zijn geweest van de familie [familienaam] en afkomstig uit de ‘alta epoca’, herhaaldelijk als authentiek aangeprezen, maar dit blijkt niet het geval te zijn, aldus [eiseres] . De wandkast heeft op meerdere vlakken restauraties dan wel renovaties ondergaan, in ieder geval waar het gaat om de verguldsels, de polijsting van de wandkast en de kastdeuren, die – volgens [eiseres] – deels zijn vervangen. Dat de wandkast deze restauraties en renovaties heeft ondergaan en daardoor niet meer authentiek is, volgt uit het oordeel van de vettingcommissie van 3 maart 2020: “ Please mention gilding of later date and whole piece repolished with modifications to doors” . Daarnaast blijkt uit het oordeel van de vettingcommissie van 4 maart 2020 dat [gedaagde] een onjuiste periode heeft vermeld: de wandkast is niet gemaakt in de renaissance, maar in de 18e eeuw, en wel ‘in de stijl van de 16e eeuw’. [gedaagde] heeft [eiseres] niet in kennis gesteld van de rapporten van de vettingcommissie en daarmee cruciale informatie over de authenticiteit van de wandkast achtergehouden, terwijl het op haar weg had gelegen dit aan haar mede te delen, aldus [eiseres] . Toen [eiseres] de wandkast ter verkoop wilde aanbieden op TEFAF 2023 kreeg zij van de vettingcommissie TEFAF 2023 te horen dat de wandkast bedekt met een kleed ‘ not for sale ’ gelabeld moest worden. Op het bezwaar van [eiseres] berichtte de vettingcommissie TEFAF 2023 dat zij niet geloofde dat het om vroeg 16e-eeuws antiek ging, hetgeen al op TEFAF 2020 was medegedeeld. Hierdoor kon [eiseres] de wandkast niet op TEFAF 2023 aanbieden, terwijl dat wel haar bedoeling was. Pas op dit moment raakte [eiseres] bekend met het rapport van de vettingcommissie van 3 maart 2020. Volgens [eiseres] is de wandkast in de huidige staat niet meer dan € 20.000,00 waard. Voor [eiseres] zelf heeft de wandkast echter geen enkele waarde meer, nu los van vernieuwde verguldsels, de nieuwe polijsting en andere datering, sprake is van een zogeheten ‘civil appearance’ in plaats van ‘original religious appearance’ door (gedeeltelijke) vervanging van de kastdeuren, zoals aangegeven in het keuringsrapport. [gedaagde] heeft niet alleen informatie achtergehouden over de authenticiteit, maar bovendien de authenticiteit gegarandeerd, aldus [eiseres] , verwijzend naar mondelinge uitlatingen op de beurs in Modena en de tekst op de door [gedaagde] voor de wandkast verstrekte facturen. [eiseres] zou de wandkast nooit hebben gekocht als zij van deze reparaties dan wel van de afwijkende periode op de hoogte was geweest. 4.10. [gedaagde] stelt – afgezien van haar juridische verweren die hierna beoordeeld zullen worden – voorop dat zij eerst drie jaar na de verkoop van de wandkast door [eiseres] is benaderd met de mededeling dat de wandkast niet authentiek zou zijn. [gedaagde] heeft herhaaldelijk aangeboden om de wandkast door een expert te laten beoordelen, maar [eiseres] heeft dat geweigerd. [eiseres] wist precies wat zij kocht en de wandkast bezit alle eigenschappen die [eiseres] redelijkerwijs mocht verwachten, aldus [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat de wandkast niet authentiek is: zij heeft deze voorafgaand aan haar eigen aankoop laten keuren door haar vaste restaurateur en zij heeft een exportvergunning verkregen voor de wandkast. Als de wandkast niet authentiek was geweest was dit bij één van deze beide onderzoeken naar voren gekomen, aldus [gedaagde] . [eiseres] , die zelf een ervaren kunsthandelaar is, heeft bovendien de wandkast zelf aandachtig bekeken en onderzocht op de beurs in Modena en vragen gesteld over de aangeduide tijdsperiode van de wandkast. Het oordeel va Dit zijn immers geen constitutieve vereisten voor de totstandkoming van de overeenkomst, terwijl evenmin is gebleken dat de overeenkomst is aangegaan onder voorwaarden die verband hielden met het resultaat van de keuring. Dat de overdracht zonder levering nog niet voltooid was doet in dit verband niet ter zake. Bij het voorgaande merkt de rechtbank, ten overvloede, op dat de in algemene bewoordingen gestelde authenticiteitsgarantie op de facturen op zichzelf onvoldoende grond vormt voor het aannemen van bedrog. 4.13. Op basis van het voorgaande zal de vordering tot vernietiging van de overeenkomst op grond van bedrog als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. De overige door [gedaagde] aangevoerde verweren behoeven daarom geen bespreking. Beroep op schending klachtplicht (Weens Koopverdrag) 4.14. [eiseres] stelt, zoals hiervoor (rov. 4.9) weergegeven, dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt. Afgezien van vernieuwde verguldsels, de nieuwe polijsting en andere datering, is sprake van een zogeheten ‘civil appearance’ in plaats van ‘original religious appearance’ door (gedeeltelijke) vervanging van de kastdeuren, zoals aangegeven in het keuringsrapport van TEFAF. [gedaagde] heeft de wandkast enerzijds herhaaldelijk aangeprezen als authentieke 16e-eeuwse wandkast en anderzijds nagelaten om cruciale informatie over het ontbreken van de authenticiteit met [eiseres] te delen. Ook heeft [gedaagde] een onjuiste periode vermeld. 4.15. [gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer naar voren gebracht dat de klachtplicht van artikel 39 WKV (zowel de relatieve klachttermijn van lid 1 als de absolute klachttermijn van lid 2) heeft geschonden, zodat zijn recht om zich te beroepen op non-conformiteit is vervallen. 4.16. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 39, lid 1 WKV verliest de koper het recht zich te beroepen op non-conformiteit indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij deze heeft ontdekt of had behoren te ontdekken de verkoper hiervan in kennis stelt. Op grond van artikel 39 lid 2 WKV verliest de koper in ieder geval het recht om zich op non-conformiteit te beroepen indien hij niet uiterlijk binnen een termijn van twee jaar na de feitelijke afgifte van de zaak heeft geklaagd over de gebreken. Deze laatste termijn betreft een vervaltermijn. 4.17. In de onderhavige zaak heeft de feitelijke afgifte plaatsgevonden op 3 april 2020, door het e-mailbericht van [gedaagde] aan de kunstopslag in Parijs (tevens gericht aan [eiseres] ), dat de wandkast (die zich bij die kunstopslag bevond) vanaf dat moment op naam van [eiseres] geregistreerd kon worden. De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat [eiseres] voor het eerst bij [gedaagde] heeft geklaagd na kennisneming van het oordeel van de vettingcommissie 2023 van 7 maart 2023. De vervaltermijn van twee jaar uit artikel 39 lid 2 WKV was toen reeds verstreken. Hieruit volgt dat het recht van [eiseres] om zich te beroepen op non-conformiteit te beroepen in beginsel is vervallen. 4.18. Echter, op grond van artikel 40 WKV – waarop [eiseres] een beroep heeft gedaan – kan de verkoper zich niet beroepen op het bepaalde in artikel 39 WKV, indien het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten die hij kende of waarvan hij niet onkundig had kunnen zijn en die hij niet aan de koper bekend heeft gemaakt. In dit geval zijn de stellingen van [eiseres] met betrekking tot de non-conformiteit volledig gebaseerd op de opmerkingen van de vettingcommissie van 3 en 4 maart 2020. Vaststaat dat deze opmerkingen bij [gedaagde] bekend waren. Naar het oordeel van de rechtbank staat ook vast dat [gedaagde] deze niet aan [eiseres] heeft bekendgemaakt. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de verkoper – teneinde aan een beroep op art. 40 WKV te ontsnappen – het gebrek tijdig aan zijn koper dient te melden, te weten vóór of uiterlijk bij de aflevering van de zaken. Dit komt overeen met het peilmoment voor een beroep op non-conformiteit, Niet uit te sluiten valt bovendien dat dit een ‘wezenlijke tekortkoming’ in de zin van artikel 25 WKV betreft. Dit kan echter pas daadwerkelijk worden vastgesteld als vaststaat of sprake is van gebreken en zo ja wat de aard en ernst daarvan is. 4.22. Of in dit geval sprake is van restauratie of renovatie waardoor de wandkast haar authenticiteit heeft verloren, kan de rechtbank bij de huidige stand van het debat niet vaststellen. De opmerkingen van de vettingcommissie van 3 en 4 maart 2020 bevatten enerzijds – mede gelet op de reputatie en deskundigheid van die commissie – voldoende ernstige aanwijzingen dat aan de wandkast mogelijk gebreken kleven die gevolgen hebben voor de authenticiteit van de kast. In zoverre heeft [eiseres] haar stellingen voldoende gemotiveerd. Anderzijds heeft [gedaagde] gemotiveerd verweer gevoerd door te stellen dat de beoordeling door verschillende vettingcommissies (ook bij dezelfde kunstbeurs) verschillend kan zijn, dat de vettingcommissie zelf niets heeft opgemerkt met betrekking tot de authenticiteit van de wandkast en dat het oordeel van de vettingcommissie niet kan dienen als grondslag voor de vorderingen in deze procedure, nu dit geen ‘definitief’ deskundigenoordeel, maar een ‘prima facie’-beoordeling betreft en dit oordeel bovendien niet onderbouwd is. Gelet hierop is de rechtbank voornemens een deskundige te benoemen teneinde aan deze de vraag voor te leggen of de door [eiseres] gestelde gebreken aanwezig zijn met betrekking tot het verguldsel, de ‘polishing’, (ten dele) de vervanging van de deuren en de periode waaruit de wandkast stamt, en zo ja, of deze gebreken meebrengen dat de wandkast niet authentiek is. De rechtbank komt hierop in het navolgende terug. 4.23. Met betrekking tot de door [eiseres] gestelde vervanging van de kastdeuren is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat hierdoor de verschijningsvorm van de wandkast is gewijzigd (van religieus naar civiel), ook als zou komen vast te staan dat dit het geval is, niet kan leiden tot de conclusie dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dit is immers een kenmerk van de kast dat duidelijk waarneembaar was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. [eiseres] heeft de kast gekocht met de verschijningsvorm zoals die op dat moment was (dus zonder deuren met religieuze elementen); dat is dus de verschijningsvorm waarop de overeenkomst ziet. Wel is in beginsel mogelijk dat de wandkast niet aan de overeenkomst beantwoordt indien blijkt dat de deuren (of deurpanelen) uit een andere tijd stammen dan de rest van de wandkast. Dit betreft een aspect dat voor [eiseres] wellicht niet zonder meer zichtbaar of kenbaar was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank zal de vragen aan de deskundige met betrekking tot de kastdeuren daarom tot dit laatste punt beperken. 4.24. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het beroep op non-conformiteit niet kan slagen, omdat [eiseres] de opmerkingen van de vettingcommissie in 2020 zelf heeft kunnen zien; de aangepaste labels waren immers zichtbaar bij de wandkast geplaatst en [eiseres] is nog regelmatig naar de wandkast komen kijken. Het kan niet anders dan dat [eiseres] het aangepaste label is opgevallen. [eiseres] moet toen dus al op de hoogte zijn geweest van het oordeel van de vettingcommissie, aldus [gedaagde] . Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] , als ervaren antiekhandelaar, zelf onderzoek had moeten en kunnen verrichten. Deze stellingen van [gedaagde] gaan niet op: waar zij zelf heeft nagelaten de vereiste mededelingen te doen over de opmerkingen van de vettingcommissie kan zij [eiseres] niet verwijten dat hij zijn onderzoeksplicht (met betrekking tot hetzelfde onderwerp) heeft verzaakt. Daarbij mocht [gedaagde] er niet zonder meer van uitgaan dat [eiseres] kennis had van de opmerkingen van de vettingcommissie op grond van het enkele feit dat deze werden getoond bij de wandkast tijdens de TEFAF 2020. Benoeming deskundige 4.25. Zoals reeds overwo