Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-09-10
ECLI:NL:RBLIM:2025:12718
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/334213 / HA ZA 24-393 Vonnis van 10 september 2025 in de zaak van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , te [woonplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , advocaat: mr. N.P.H. Vissers, tegen 1 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , te [woonplaats 2] ,2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] , te [woonplaats 2] , gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, hierna samen in enkelvoud te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , advocaat: mr. J.L.H. Holthuijsen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de conclusie van antwoord in reconventie- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 juni 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is sinds 30 april 2018 eigenaar van perceel [adres 1] te [woonplaats 2] , kadastraal bekend als [kadasternummer 1] . 2.2. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is sinds 29 augustus 2008 eigenaar van perceel [adres 2] te [woonplaats 2] , kadastraal bekend als [kadasternummer 2] . 2.3. Er is een hoogteverschil tussen de percelen van partijen. Het perceel van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ligt ongeveer 60 centimeter hoger dan het perceel van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . Richting de [straatnaam] , de straatzijde, wordt het hoogteverschil tussen de percelen kleiner. Steeds als er in dit vonnis wordt gesproken over de hoogte van de heg, wordt daarmee bedoeld de hoogte gemeten vanaf het perceel van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . 2.4. Partijen zijn in 2020 overeengekomen dat de mandelige heg tussen hun percelen vervangen zou worden. De heg is door een hovenier vervangen. 2.5. Voorafgaand aan het vervangen van de heg heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op 22 juli 2020 een brief (hierna: de brief) gestuurd aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . In de brief staat – voor zover van belang – het volgende: “De gezamenlijke heg is nu aan onze zijde, gemeten vanaf ons grasveld, 1.70-1.80 hoog. De nieuwe heg willen we dan ook beperken tot deze hoogte (dus boven het nivo van ons grasveld). Het uitzicht op de beroemde Limburgse heuvels is ons dierbaar.” 2.6. Op 28 juni 2022 heeft de advocaat van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een e-mail gestuurd aan de voormalige advocaat van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] met de mededeling dat het vervangen deel van de heg in 2023 gesnoeid moest worden om deze te toppen op dezelfde hoogte als voorheen de oude heg. Aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] werd gevraagd om te bevestigen dat dit akkoord was. 2.7. Op 6 oktober 2022 heeft de voormalige advocaat van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gereageerd dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ermee instemt en eraan meewerkt dat de heg vanaf 2023 en vervolgens jaarlijks wordt getopt op een hoogte van 2 meter. 2.8. Op 22 november 2022 heeft de advocaat van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een e-mail gestuurd waarin [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in gebreke wordt gesteld en wordt gesommeerd om binnen veertien dagen te bevestigen dat het jaarlijks snoeien op 1,70 tot 1,80 meter hoogte akkoord is. 2.9. In oktober 2023 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de heg gesnoeid tot een hoogte van 1,80 meter. Hierna heeft opnieuw een mailwisseling plaatsgevonden tussen de advocaten van partijen over de hoogte van de heg. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de hoogte de maximale hoogte van de heg op 1,70 tot 1,80 meter, althans dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] met deze afspraak heeft ingestemd, althans dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zijn eventuele recht om zich daartegen te verzetten heeft verwerkt, althans vloeit dit voort uit de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheerst, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . 3.7. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist dat partijen zijn overeengekomen dat de heg maximaal 1,70 tot 1,80 hoog mocht zijn. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft de opmerking van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uit de brief zo begrepen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wilde dat de heg niet hoger zou worden dan de oude heg. Bovendien heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] die brief niet zonder protest onder zich gehouden, maar heeft hij per brief gereageerd dat buren volgens artikel 5:49 BW van elkaar kunnen vorderen dat een scheidingsmuur van 2 meter hoog wordt opgericht. Er is dan ook geen sprake van rechtsverwerking. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de hoogte van de heg. Ook een beroep op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet, aldus [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Scheidsmuur? 4.1. Allereerst moet worden vastgesteld of de heg kan worden aangemerkt als scheidsmuur in de zin van artikel 5:49 BW. 4.2. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft hierover gesteld dat de heg is aangeplant ter vervanging van de oude heg, die meer dan 2 meter hoog was en fungeerde als mandelige erfafscheiding in de zin van artikel 5:49 BW. Ook de nieuwe heg fungeert als mandelig erfafscheiding. Omdat sprake is van vervanging, betekent dat dat er een heg met dezelfde hoogte terug komt. Om die reden moet de heg op 2 meter worden gehouden, aldus [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . 4.3. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft betwist dat een heg kan worden aangemerkt als scheidsmuur in de zin van artikel 5:49 BW. Het wezenlijke verschil tussen een scheidsmuur en heg is dat een scheidsmuur naar haar aard niet groeit, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . 4.4. Artikel 5:49 lid 1 BW geeft de eigenaar van een perceel in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente het recht te allen tijde te vorderen dat de eigenaar van een aangrenzend perceel zijn medewerking eraan verleent dat op de grens van de percelen een scheidsmuur van 2 meter hoogte wordt opgericht, voor zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte van de afscheiding niet anders regelt. Volgens artikel 5:43 BW wordt onder een muur in (onder meer) artikel 5:49 BW verstaan iedere van steen, hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting. 4.5. De rechtbank oordeelt dat de heg kan worden aangemerkt als scheidsmuur in de zin van artikel 5:49 BW. Volgens de wettekst is de aard van het materiaal van de grensafscheiding niet van doorslaggevende betekenis. Het moet gaan om een ondoorzichtige afsluiting. Met artikel 5:49 BW heeft de wetgever beoogt dat de persoonlijke levenssfeer van eigenaren van percelen in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente wordt beschermd. Daarvan kan ook sprake zijn bij ondoorzichtige beplanting die in de winter haar loof niet verliest. De mandelige heg van partijen bestaat uit thuja’s. Door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is niet aangevoerd dat thuja’s hun naaldvormige bladeren in de winter verl [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wist dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] prijs stelt op zijn privacy, aldus [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . 4.13. Volgens artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Uit artikel 6:225 lid 1 BW volgt dat een aanvaarding die van het aanbod afwijkt als een nieuw aanbod geldt en als verwerping van het oorspronkelijke. Het nieuwe aanbod moet dan eerst door de wederpartij worden aanvaard, voordat een overeenkomst tot stand komt. In artikel 6:225 lid 2 is echter bepaald dat wanneer een aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod slechts op ondergeschikte punten afwijkt, dit antwoord geldt als een aanvaarding. De overeenkomst komt overeenkomstig deze aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de verschillen. 4.14. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een aanvaarding op een ondergeschikt punt. De hoogte van de heg was, en is nog steeds, een essentieel punt voor partijen. Dat blijkt alleen al uit het feit dat partijen deze procedure voeren die zo goed als uitsluitend betrekking heeft op de hoogte van de heg. Ook uit de brief die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft gestuurd, waarin hij kenbaar maakt hij de nieuwe heg wil beperken tot een hoogte van 1,70 tot 1,80 meter, blijkt dat de hoogte van de heg ook voor [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zelf geen ondergeschikt punt was. Nieuw aanbod door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ? 4.15. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft subsidiair het verweer gevoerd dat de brief gekwalificeerd moet worden als een nieuw aanbod in de zin van artikel 6:225 lid 1 BW. Een aanvaarding kan in iedere vorm geschieden en kan ook uit meerdere gedragingen bestaan volgens artikel 3:37 lid 1 BW. Die gedragingen kunnen zowel uit een doen als nalaten bestaan, dus ook in zwijgen kan een aanvaardingsverklaring besloten liggen. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft de brief zonder voorbehoud of protest behouden en heeft dus gezwegen na kennisneming van de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gestelde voorwaarde omtrent de hoogte van de heg. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft vervolgens, zoals door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de brief verzocht, aan de hovenier de opdracht gegeven om gesplitste offertes uit te brengen. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft ook opdracht gegeven aan de hovenier om het werk aan de gezamenlijke heg uit te voeren, hetgeen impliceert dat overeenstemming was bereikt. Dit zijn allemaal gedragingen in de zin van artikel 3:37 lid 1 BW. Hieruit moet worden afgeleid dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] akkoord was met de brief die als nieuw aanbod van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gekwalificeerd moet worden, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . 4.16. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist dat de brief gekwalificeerd moet worden als een nieuw aanbod van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . De brief heeft niet het karakter van een aanbod, maar moet worden gezien als het uitspreken van een wens over de hoogte van de heg. Deze wens moet, gelet op de feiten en omstandigheden, zo worden begrepen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een heg wilde die net zo hoog was als de oude heg. De oude heg was 2 meter hoog. Pas eind 2022 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] [eiser in conventie, verweerder in reconventie] verzocht of hij wilde instemmen met een maximale hoogte van de heg van 1,80 meter. Hieruit blijkt dat er voor die tijd nog geen afspraken tussen partijen waren gemaakt. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft eind 2022 dan ook niet ingestemd met het voorstel van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Bovendien kan uit [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft, zoals hiervoor geoordeeld, wel geprotesteerd tegen het snoeien van de heg op 1,70 tot 1,80 meter hoog en wel direct op het moment dat de discussie over de hoogte van de heg op gang kwam. Bovendien blijkt uit het uitvoeren van de werkzaamheden met betrekking tot de heg niet dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] akkoord was met een maximale hoogte, zeker gelet op de offerte waarin staat dat de taxussen (later thuja’s) 1,80 tot 2,00 meter hoog zouden zijn ten tijde van de aanplant. Redelijkheid en billijkheid? 4.21. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft ten slotte betoogd dat partijen verplicht zijn om zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is van mening dat die eisen van redelijkheid en billijkheid hem toestaan de heg tweemaal per jaar terug te snoeien tot een hoogte van 1,70 tot 1,80 meter. Daarbij is van belang dat vast staat dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de brief uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat het uitzicht op de Zuid-Limburgse heuvels hem dierbaar was en dat hij de nieuwe heg daarom tot die hoogte wilde beperken. Eveneens moet worden meegewogen dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op de uitgesproken wens van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen enkel voorbehoud of protest heeft gemaakt, maar wel vervanging van de heg heeft laten uitvoeren, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . 4.22. De rechtbank oordeelt dat het beroep op redelijkheid en billijkheid van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet slaagt. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft ter zitting erkend dat het uitzicht op de Zuid-Limburgse heuvels vooral een gezocht belang is voor deze rechtszaak. Bovendien kan, zoals hiervoor al is geoordeeld, het stilzitten van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bij het uitspreken van de wens niet tot de conclusie leiden dat hij akkoord is gegaan met een maximale hoogte van de heg van 1,70 tot 1,80 meter. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft niet stilgezeten, maar heeft wel degelijk gereageerd op het moment dat de discussie over de hoogte van de heg op gang kwam. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aldus onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval met zich zouden brengen dat toegestaan moet worden dat de heg tweemaal per jaar tot een hoogte van 1,70 tot 1,80 meter teruggesnoeid zou moeten worden. Conclusie 4.23. De rechtbank oordeelt dat de heg, die als scheidsmuur wordt aangemerkt, een hoogte van 2 meter mag hebben. Niet is gebleken dat sprake is van een verordening of plaatselijke gewoonte die de wijze of de hoogte van de afscheiding anders regelt. Ook niet is gebleken dat partijen andersluidende afspraken hebben gemaakt. Er is evenmin sprake van rechtsverwerking of van schending van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank zal de vorderingen in conventie toewijzen en de vorderingen in reconventie afwijzen. Proceskosten in conventie 4.24. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 138,97 - griffierecht € 320,00 - salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten x € 614,00) - nakosten € 139,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.825,97 4.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Proceskosten in reconventie 4.26. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de vorderingen in reconventie sterk samenhangen met de vorderingen in conventie wordt