Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-08-27
ECLI:NL:RBLIM:2025:12693
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/331150 / HA ZA 24-255 Vonnis van 27 augustus 2025 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon UNIVERSITEIT MAASTRICHT , gevestigd te Maastricht, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. J.A. Bloo, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OBINION B.V. , gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. F.F.J. Froger. Partijen zullen hierna Universiteit Maastricht en Obinion genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 13 mei 2024, met producties 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 15, - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte in het geding brengen producties in conventie, met producties 14 tot en met 16, - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - de overgelegde producties 17 en 18 van de Universiteit Maastricht, - de mondelinge behandeling van 25 maart 2025 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de bij die gelegenheid door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Obinion exploiteert een onderneming die onder meer gespecialiseerd is in het leveren van machines voor de kunststofverwerkende industrie. 2.2. De Universiteit Maastricht heeft eind 2021 een aanbesteding uitgeschreven voor de aanschaf van een granulatie-extruder. De granulatie-extruder wordt gebruikt om deeltjes kunststof te verwerken door middel van extrusie (smelten en persen door een matrijsvorm). 2.3. De aanbestedingsprocedure is vormgegeven middels een offerteaanvraag. De offerteaanvraag bevatte diverse stukken die gezamenlijk ‘Request of Quotation’ worden genoemd waaronder het zogenaamde ‘Programme of Requirements (hierna: het Programma van Eisen) dat zichtbaar was voor alle inschrijvers via de online omgeving Negrometrix. 2.4. In het Programma van Eisen zijn dertien eigenschappen opgenomen die de granulatie-extruder dient te bevatten, waaronder de – in deze zaak van belang zijnde – eigenschap in artikel 1.6.7: “(…) 1.6.7. The setup is suitable for processing of rigid flakes sized 2-12 mm of these polymers: PP, HDPE, LDPE, PS, ABS, ABS/PC en PC’. (…)” 2.5. Obinion heeft op de aanbesteding ingeschreven en een offerte uitgebracht. 2.6. De Universiteit Maastricht heeft de opdracht aan Obinion gegund. 2.7. Op 9 en 10 december 2021 hebben de Universiteit Maastricht en Obinion een overeenkomst ondertekend (hierna: de koopovereenkomst). De koopovereenkomst had betrekking op de koop van een granulatie-extruder van het merk Polystar (hierna: de machine). In artikel 1.2 van de koopovereenkomst staat (onder andere) het volgende vermeld: “(…) 1.2 The following documents form part of the Contract. In the event of mutual inconsistencies, a higher ranked document takes precedence over a lower ranked document: (…) (…) 3. The Request for Quotation; (…)” 2.8. De koopprijs van de machine bedroeg € 129.700,00 (exclusief btw) en zou conform artikel 4.3 van de koopovereenkomst in drie tranches worden voldaan, namelijk 30% bij de bestelling, 60% voorafgaand aan de verzending en 10% na levering en acceptatie. 2.9. De machine is op of omstreeks 15 november 2022 bij de Universiteit Maastricht geleverd. De Universiteit Maastricht heeft 30% en 60% van de koopsom betaald. 2.10. Bij brief van 15 februari 2023 (productie 4 bij dagvaarding) heeft de Universiteit Maastricht Obinion medegedeeld dat de machine niet aan de gestelde vereisten voldoet. 2.11. Obinion heeft bij e-mail van 23 februari 2023 (productie 5 bij dagvaarding) gereageerd door (onder andere) te betwisten dat de machine niet aan de overeenkomst beantwoordt. 2.12. De Universiteit Maastricht heeft PILZ GmbH (hierna: PILZ) de opdracht gegeven om onderzoek uit te voeren naar de eigenschappen van de machine. 2.13. Obinion heeft De eigenschappen van de verschillende polymeren zijn zo divers dat daarvoor verschillende onderdelen (andere cutter plates) en instellingen van de extruder nodig zijn. Een machine die, met één instelling en dezelfde set onderdelen al deze polymeren kan verwerken tot een homogeen eindresultaat heeft OBINION niet en heeft OBINION ook niet aangeboden. Als uw cliënte in haar programme of requirements deze eis had gesteld, dan het OBINION nooit ingeschreven op deze aanbesteding. Voor alle duidelijkheid. In punt 1.6.7 van het Programme of Requirements (…) wordt beschreven welke kunststoffen moeten kunnen worden verwerkt en met welke grootte. In dit punt 1.6.7 staat nergens vermeld dat de kunststoffen in een gemengde vorm moeten kunnen worden verwerkt. (…)” 2.17. De Universiteit Maastricht heeft bij brief van 27 december 2023 (productie 13 bij dagvaarding) de overeenkomst ontbonden en Obinion gesommeerd om de betaalde koopsom van € 141.243,30 (inclusief btw) terug te betalen. 3 Het geschil In conventie 3.1. De Universiteit Maastricht vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Obinion veroordeelt tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Universiteit Maastricht te voldoen: I. een bedrag van € 141.243,30 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente althans de wettelijke rente vanaf 11 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, II. het bedrag van € 1.942,30 ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, III. de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis alsmede de nakosten – en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 3.2. De Universiteit Maastricht voert ter onderbouwing van haar vordering – samengevat – aan dat de machine non-conform is en daarom Obinion tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst (meer specifiek het Programma van Eisen) en de vaststellingsovereenkomst. De machine bezit niet de eigenschappen die de Universiteit Maastricht op grond van de overeenkomsten mocht verwachten, reden waarom zij de overeenkomsten heeft ontbonden en er over en weer ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan. De Universiteit Maastricht vordert de door haar betaalde koopsom terug. 3.3. Obinion betwist het gevorderde en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. In reconventie 3.5. Obinion vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad, de Universiteit Maastricht veroordeelt tot betaling van een hoofdsom van € 16.734,30 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 30 november 2022 tot de dag der voldoening en de Universiteit Maastricht wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten. 3.6. Obinion voert ter onderbouwing van haar vordering – samengevat – aan dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten. Volgens Obinion kan de Universiteit Maastricht de overeenkomsten niet ontbinden en daarmee ook niet het reeds betaalde gedeelte van de koopsom terugvorderen. Obinion vordert derhalve nakoming van de koopovereenkomst, meer specifiek vordert Obinion betaling van de laatste factuur van 15 november 2022 ten bedrage van € 16.734,30 (inclusief btw). 3.7. De Universiteit Maastricht betwist het gevorderde en concludeert tot afwijzing van de vordering. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4. De beoordeling In conventie 4.1. De Universiteit Maastricht stelt dat de geleverde machine non-conform is en dat Obinion daarom tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst (meer specifiek het Programma van Eisen) en de vaststellingsovereenkomst. Volgens de Universiteit Maastricht bezit de Obinion heeft de matrijzen tegen inkoopwaarde dan wel kosteloos aan de Universiteit Maastricht aangeboden, maar de Universiteit Maastricht is hier niet op ingegaan vanwege de ongeschiktheid voor het verwerken van gemengd materiaal. Dit mocht de Universiteit Maastricht echter niet verwachten zoals uit de beoordeling ad A (ii) hierna zal blijken. Omdat de Universiteit Maastricht geen vordering tot nakoming heeft ingesteld, beoordeelt de rechtbank niet of de matrijzen wel geleverd hadden moeten worden. Ad A (ii) en B Ongeschiktheid voor verwerking mix van materialen, anders dan ABS/PC een tekortkoming (van voldoende gewicht)? 4.6. De Universiteit Maastricht kan op basis van het Programma van Eisen niet verlangen dat de machine ook andere mix materialen dan de mix ABS/PC moet kunnen verwerken. Dat de machine dit niet kan, is daarom geen tekortkoming. Daartoe is het volgende redengevend. 4.6.1. Vooropgesteld moet worden dat de Universiteit Maastricht de machine heeft aanbesteed, waardoor het aan de Universiteit Maastricht was om de aan de machine gestelde eisen in (onder andere) artikel 1.6.7. van de Programma van Eisen eenduidig te maken. Als het van meet af aan duidelijk was geweest dat alle genoemde materialen in een mix kunnen zitten, had de Universiteit Maastricht dat moeten noemen en niet enkel de mix ABS/PC. De omstandigheid dat Obinion over het Programma van Eisen geen vragen heeft gesteld aan de Universiteit Maastricht doet aan het voorgaande niets af. Uit het voorgaande volgt immers al dat de Universiteit Maastricht haar werkelijke eisen niet duidelijk heeft gemaakt in het Programma van Eisen. Obinion kon de werkelijke eisen niet vermoeden, terwijl de geformuleerde eisen op zichzelf duidelijk zijn. Daarom had Obinion geen aanleiding om vragen te stellen aan de Universiteit Maastricht. 4.6.2. De vaststellingsovereenkomst brengt hier ook geen verandering in. Overeengekomen is dat de machine recyclaat materiaal zou verwerken voor de acceptatietest. Obinion heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat recyclaat ook zuiver materiaal kan zijn. De Universiteit Maastricht heeft daar niets tegenin gebracht. Daarom kan ook op basis van de vaststellingsovereenkomst niet worden vastgesteld dat de machine gemengd materiaal moet kunnen verwerken. Redelijkheid en billijkheid 4.7. Bovendien heeft de Universiteit Maastricht gesteld in (het bij de feiten geciteerde deel van) artikel 1.1. van de vaststellingsovereenkomst te hebben willen verduidelijken wat zij altijd al bedoeld had. Als dat zo evident was geweest, was de vaststellingsovereenkomst niet nodig geweest. Bij deze stand van zaken heeft te gelden dat de Universiteit Maastricht Obinion achteraf heeft willen verbinden aan een resultaat dat (eveneens achteraf) technisch onmogelijk blijkt. Dat Obinion daar pas na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst achter is gekomen, ligt aan de onduidelijkheid die er tot dat moment – ondanks de vaststellingsovereenkomst – over is blijven voortbestaan. Niet weersproken is immers dat Obinion het Programma van Eisen aan leverancier Polystar heeft voorgelegd, dat Polystar akkoord heeft gegeven dat de materialen verwerkt konden worden, op basis waarvan Obinion heeft ingeschreven. Het was voor zowel Polystar als voor Obinion al die tijd onduidelijk dat de machine ook gemengd materiaal (anders dan ABS/PC) moest kunnen verwerken, terwijl Obinion vooraf wel op adequate wijze informatie heeft ingewonnen. 4.8. Aan de andere kant heeft de Universiteit Maastricht te gelden als de ter zake deskundige, die voorafgaand aan de aanbesteding marktonderzoek heeft verricht om de eisen voor de aanbesteding duidelijk te krijgen. De Universiteit Maastricht is degene die wist wat mogelijk was en op wiens weg het lag om daar helder over te zijn. Die onduidelijkheid in deze omstandigheden voor rekening van Obinion te laten komen, zou in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn. Ook om die reden kan de Universiteit Maastricht de koop