Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-12-18
ECLI:NL:RBLIM:2025:12668
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/3438 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen Dutch Long Range Association, uit Krimpen aan den IJssel, eiseres (gemachtigde: mr. E.M. Oskam) en de Minister van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigden: mr. M.R. Vennegoor, J.L. Nuijs en A.M.A. Moeskop). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres over de erkenning van verschillende langeafstandsschietsportdisciplines. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de erkenning van de langeafstandsschietsportdisciplines heeft mogen weigeren. De betreffende schietsportdisciplines kunnen in Nederland feitelijk niet in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend. De rechtbank kan het standpunt van de minister dan ook volgen dat dit al reden genoeg is om te concluderen dat het redelijk belang voor het erkennen van deze schietsportdisciplines ontbreekt. Daarnaast zal erkenning van deze langeafstandsschietsportdisciplines leiden tot aangroei van zeer krachtige vuurwapens met grote kalibers. De minister heeft in het geval van eiseres zijn restrictief beleid mogen toepassen op vuurwapenbezit om de veiligheid in de samenleving te waarborgen. Dit levert geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel. Verder heeft eiseres niet voldaan aan het vereiste dat een schietsportdiscipline gedetailleerd en duidelijk omschreven moet zijn. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 12 juli 2022 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres tot erkenning van verschillende schietsportdisciplines ‘Long Range’ en de toevoeging daarvan tot bijlage C8 van de Circulaire wapens en munitie (de circulaire) afgewezen. 2.1. Met het besluit van 10 oktober 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [gemachtigde 1] (voorzitter van eiseres), [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] (beiden namens eiseres) en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Bevoegdheid van de rechtbank 3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van eiseres. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Eiseres is statutair gevestigd in Krimpen aan de IJssel. Deze plaats behoort tot de relatieve competentie van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft dit tijdens het onderzoek (een paar weken voor de zitting) geconstateerd. De rechtbank heeft deze constatering aan partijen voorgehouden. Partijen hebben vóór de zitting schriftelijk aangegeven geen bezwaar te hebben dat deze rechtbank uitspraak doet in het onderhavige beroep. De rechtbank zal daarom het beroep inhoudelijk beoordelen. Relevante feiten en omstandigheden 4. Eiseres is een vereniging, die (kort gezegd) de belangen behartigt van de long range sportschutter in Nederland. Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel houden de activiteiten van eiseres het volgende in: “ Schietsport beoefenen en wel specifiek het lange afstand schieten, bevorderen van de kennis ten aanzien van het lange afstand schieten onder de leden, reguleren van schieten met kalibers binnen het wettelijke kader voor lange afstanden .”. 4.1. Op 20 september 2019 heeft eiseres onder meer een aanvraag ingediend bij de minister om verschillende langeafstandsschietspo In dit kader wordt onder meer rekening gehouden met de gevaarzetting van het wapen zelf (bijvoorbeeld bepaalde kalibergrootte en/of kalibersoorten). Ook wordt een vergelijk gemaakt met de al erkende schietsportdisciplines, in die zin dat wordt gekeken of de beperkingen in die disciplines van dien aard zijn dat het individuele belang van de aanvrager moet prevaleren boven het doel van de wet om een strikt beleid toe te passen op het gebied van wapens en munitie. 6.5. Bij voornoemde afweging die wordt gemaakt bij de erkenning van schietsportdisciplines beschikt de minister over beoordelingsruimte. Deze ruimte houdt feitelijk in dat hij kan bepalen in welke gevallen een uitzondering op het wapenverbod gerechtvaardigd is, en wanneer er dus sprake is van een redelijk belang tot het voorhanden hebben van wapens en munitie. Gelet op de beoordelingsruimte die de minister heeft, toetst de rechtbank het bestreden besluit dan ook terughoudend. 6.6. De minister heeft (kort gezegd) het verzoek van eiseres om de erkenning van de verschillende schietsportdisciplines ‘Long Range’ afgewezen, omdat (i) deze schietsportdisciplines feitelijk niet binnen Nederland kunnen worden beoefend, (ii) de beoogde kalibers te ruim zijn voor het schietsportbeleid binnen Nederland met betrekking tot grootte en reikwijdte en (iii) de door eiseres aangeleverde reglementen voor de schietsportdisciplines te ruim zijn voor wat betreft de te hanteren regels. 6.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiseres verzochte langeafstandsschietsportdisciplines niet door de minister hoeven te worden erkend. De beroepsgronden die eiseres in dat kader naar voren heeft gebracht, slagen namelijk niet. De rechtbank zal dat hierna per beroepsgrond nader toelichten. Schiet en wedstrijdregels 7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de schiet- en wedstrijdregels van de verzochte schietsportdisciplines voldoende gespecificeerd en concreet zijn. Volgens eiseres zijn er voor wat betreft de afstanden voor schieten en het aantal schoten en stages voldoende duidelijke regels; deze zijn internationaal uniform geregeld. Eiseres heeft in dat kader de schiet- en wedstrijdregels overgelegd uit onder meer de Verenigde Staten (van de National Rifle Association, de NRA) van de schietsportdiscipline King Of 1 Mile (KO1M), King Of 2 Miles (KO2M) en de schietsportdiscipline Precision Rifle Series (PRS); voor wat betreft PRS in Europa heeft eiseres verwezen naar een link van een website. Ook heeft eiseres in het beroepschrift de regels over langeafstandsschieten van de Franse schietbond opgenomen. 7.1. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de schiet- en sportregels van de verzochte schietsportdisciplines door eiseres onvoldoende zijn gespecificeerd. Uit de door eiseres verschafte informatie van de NRA, de Franse schietbond en de discipline PRS blijkt dat de wijze waarop de schietsport op lange afstand wordt beoefend, verschilt per land en – anders dan eiseres stelt – deze reglementen dus niet uniform zijn. Zo zijn de afstanden waarop geschoten wordt verschillend. In de Amerikaanse reglementen wordt gesproken van een doelbereik van 1.500 meter tot en met 2.600 meter op de eerste en tweede dag van een wedstrijd en op de derde dag varieert het doelbereik tussen de 2.600 meter en 3.600 meter. Bij de Franse reglementen is de wedstrijdafstand tussen 731,5 meter tot 1.828,9 meter in de voorrondes, terwijl in de finale het doelbereik 1.463 meter tot 2.286 meter is. De minister heeft terecht gesteld dat er sprake is van honderden meters verschil tussen deze twee reglementen; de afstanden in deze reglementen zijn te breed om te kunnen worden aangemerkt als duidelijke, concrete afstandsnormen. Dit geldt evenzeer voor de afstanden die worden toegepast bij de schietsportdiscipline PRS. Daarnaast maakt de rechtbank uit de voorhanden zijnde gedingstukken en de toelichting op de zitting op dat eiseres niet de schietsport wil beoefenen in Neder De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat erkenning van de schietsportdisciplines in kwestie, met een groter kaliber dan 8 mm, zal leiden tot het verkrijgen van wapenverloven voor een brede reikwijdte van wapens en kalibers en zodoende dus een nieuwe weg wordt opengesteld voor zwaardere wapens op grond van de Wwm. Dit wordt niet wenselijk geacht, gelet op het doel van de wetgever om de openbare orde en veiligheid te waarborgen door het bezit, gebruik en handel in wapens en munitie streng te reguleren en te beheersen en het restrictieve beleid dat door de minister wordt gevoerd. 9.2. Voor wat betreft de recente erkenning van de schietsportdiscipline ‘Lever Action Geweer’, overweegt de rechtbank dat de minister voldoende heeft aangetoond dat deze schietsportdiscipline onder een andere wapengroep valt dan de door eiseres verzochte langeafstandsschietsportdisciplines. Daarnaast is het zo dat weliswaar geschoten mag worden met een kalibergrootte van meer dan 8 mm, maar is op grond van normerende regulering vanuit de KNSA en koepelorganisaties in het kader van de veiligheid de schietafstand beperkt tot 25 tot 50 meter. Dat is naar het oordeel van de rechtbank heel wat anders dan schieten met grote kalibers op een afstand van bijvoorbeeld 1 of 2 kilometer. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. De beroepsgrond van eiseres treft geen doel. 9.3. Voor zover eiseres op zitting heeft betoogd dat er schietsportdisciplines zijn opgenomen in bijlage C8 van de circulaire, waarbij (zware) wapens worden gebruikt van militaire oorsprong of de schietdiscipline zelf een militaire achtergrond heeft, overweegt de rechtbank dat namens de minister is verklaard dat dit ook schietsportdisciplines zijn die destijds zijn erkend door de KNSA. Volgens de minister worden deze schietsportdisciplines, die nu niet meer passen binnen zijn strikte beleid, bij de volgende herziening van de Wwm meegenomen. 10. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel ook is geschonden, omdat er andere regels gelden voor de jacht. Daar wordt volgens eiseres wel toegestaan dat met grotere kalibers kan worden geschoten en levert buitenlandse beoefening van de jacht wel een redelijk belang op. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat een vergelijking met de jacht niet opgaat. De jacht is een andere discipline dan de schietsport. Bovendien kan de jacht in het buitenland – in tegenstelling tot de schietsport – een redelijk belang opleveren, omdat het beoefenen van de jacht binnen de Europese Unie gezien moet worden als het verrichten van een dienst, wat valt onder de vrijheid van dienstenverkeer en de Dienstenrichtlijn . Het beoefenen van een schietsport kan niet worden gezien als een dienst. De rechtbank verwijst in dit verband naar onderdeel B/5.9. van de circulaire. 10.2. Dat in de jacht geschoten wordt met een groter kaliber heeft te maken met het feit dat geschoten wordt op een levend doel en niet op een statisch doel (een object), zoals bij de schietsport. In het kader van dierenwelzijn kan het noodzakelijk zijn om met een groter kaliber te schieten, zodat een dier niet onnodig hoeft te lijden. 10.3. Gezien het voorgaande is het gerechtvaardigd dat voor de jacht een andere maatstaf geldt dan voor de schietsport, waardoor er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Vereiste van redelijk belang en strijd met de vuurwapenrichtlijn 11. Eiseres heeft aangevoerd dat de schietsportdisciplines ‘Long Range’ voldoen aan het vereiste van een redelijk belang, zoals bedoeld in B/2.1. van de circulaire, waardoor deze disciplines erkend hadden moeten worden. Volgens eiseres worden deze schietsportdisciplines wereldwijd en in Europa beoefend. Eiseres stelt ook dat het niet erkennen van de schietsportdisciplines in kwestie in strijd is met de Vuurwapenrichtlijn . Verder stelt eiseres dat bij de International Practical S Voor zover eiser stelt dat schietsportdisciplines ‘Long Range’ wel beoefend kunnen worden in Nederland door middel van simulatie op afstanden van 100, 300 of 500 meter, overweegt de rechtbank het volgende. 11.6. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank op dit punt het advies van de werkgroep Wwm van 16 februari 2023 kunnen volgen, waarin staat dat oefenen op een baan van 100 tot 300 meter niet bijdraagt aan de vaardigheden die nodig zijn voor schieten op 1 of 2 kilometer. Dit komt doordat de vaardigheden voor schieten op korte afstand niet zomaar zijn op te schalen naar de veel grotere afstanden waarop eiseres wil schieten. Op zulke grote afstanden spelen factoren als kromming van de aarde, windsnelheid en weersomstandigheden een aanzienlijke rol. Deze omstandigheden kunnen niet op een kortere afstand worden gesimuleerd. Eiseres heeft het standpunt van de minister onvoldoende ontkracht. Overige gronden 12. Het betoog van eiseres op zitting waarin zij zich afvraagt wie in de werkgroep Wwm zitting neemt en zij de deskundigheid van de leden in twijfel trekt, slaagt ook niet. De rechtbank wijst naar artikel 2 van het Besluit Werkgroep Advies Wet wapens en munitie waarin de leden van deze werkgroep staan vermeld. Voor zover de deskundigheid van de leden van de werkgroep in twijfel wordt getrokken, heeft eiseres dit niet onderbouwd. 13. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de gebruikte wapens voor de verzochte schietsportdisciplines niet vallen onder de lijst van ongewenste wapens, zoals bedoeld in B/2.7.2. van de circulaire, of verboden zijn in de Wwm. Eiseres is van mening dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. 13.1. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat de soorten wapens die eiseres wil gebruiken voor de schietsportdisciplines in kwestie niet van doorslaggevend belang waren bij het nemen van het bestreden besluit. Relevant was vooral dat eiseres schietsportdisciplines wil beoefenen waarvoor een ruimere kalibergrootte nodig is dan volgens het huidige beleid van de minister wenselijk wordt geacht (te weten maximaal 8 mm). De afweging is dus mede gemaakt binnen het restrictieve beleid van de minister dat erop is gericht de wapenomloop binnen Nederland te beperken. Van een onvoldoende motivering van het bestreden besluit op dit punt is geen sprake. Conclusie en gevolgen 14. Gezien het voorgaande heeft de minister de aanvraag van eiseres mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht van eiseres en de proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, voorzitter, en mr. M.E.J. Sprakel en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025 griffier de voorzitter is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 december 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: wettelijk kader Wet wapens en munitie (Wwm) Artikel 28 1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef. 2. Een verlof wordt verleend indien: a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert; b. de aanvrager geen gevaar v Binnen dit kader wordt afgewogen of iemand in aanmerking komt voor een verlof. Hieronder wordt uiteengezet hoe aan dit kader in de praktijk invulling dient te worden gegeven. Geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid Gelet op de grote gevaarzetting van vuurwapens is er een noodzaak het voorhanden daarvan streng te reguleren. Daarom kan er alleen sprake zijn van het legaal beoefenen van de schietsport, wanneer iemand dit in Nederland op een veilige en gecontroleerde wijze doet. Hiervoor moet sprake zijn van een zogenoemd redelijk belang om wapens en munitie voorhanden te hebben. Dit is verder uitgewerkt onder het kopje redelijk belang en onder het kopje erkende en gereglementeerde takken van schietsport. Daarnaast mag er tegen de aanvrager van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie geen vrees voor misbruik bestaan. Dit is uitgewerkt in paragraaf B/1.2. In het geval de aanvrager een schietvereniging is mag er behalve jegens de vereniging, ook jegens de bestuurders van die vereniging en jegens de beheerders geen vrees voor misbruik bestaan. Van een wapenverlofhouder en een schietvereniging wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende (wapen)wettelijke regels en deze stipt volgt. De wapens waarmee en de schietbaan of schietterrein waarop geschoten wordt, moeten geschikt zijn om op een veilige wijze de schietsport te beoefenen. Ook het systeem van de opbouw in wapentypes (zie onder 2.2.2, 2.2.3, 2.2.5 en 2.4.6) is een uitwerking van het wettelijk criterium dat de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, openbare orde en veiligheid mag vormen: voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens. Bepaalde wapens zijn voor iedere discipline te gevaarlijk om te schieten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf B2.7. De wapens moeten zowel door een schutter met een privé verlof als een schietvereniging op een veilige wijze worden opgeborgen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk B 8. Het belang van de openbare orde en veiligheid van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wwm vereist een adequaat overheidstoezicht op de wijze waarop verlofhouders met wapens omgaan. Het lidmaatschap van een vereniging is een passend en proportioneel middel om concreet gestalte te geven aan dit toezicht. Aan schietsportverenigingen worden derhalve eisen gesteld om te waarborgen dat er toezicht wordt gehouden op de wijze waarop individuele leden met hun wapens omgaan. Een schietsport vereniging respectievelijk een vereniging waar traditioneel schieten wordt beoefend moet om die reden door de KNSA respectievelijk de KNTS zijn gecertificeerd. Deze certificering draagt er toe bij dat het schieten op een veilige en gecontroleerde wijze wordt beoefend en een sportschutter c.q. traditioneel schutter geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde en veiligheid kan vormen. De certificering wordt hierna nog nader toegelicht. Schieten buiten een door de KNSA of KNTS gecertificeerde schietvereniging is in het kader van de openbare orde en veiligheid ongewenst. Er zijn drie mogelijkheden voor een vereniging om gecertificeerd te worden. In de eerste plaats kan een vereniging lid zijn van de KNSA. In dat geval bestaat de mogelijkheid om binnen het KNSA-verband een vorm van de daar geldende certificering te verkrijgen. Binnen de KNSA zijn 2 certificaten mogelijk: de zogenoemde basiscertificering die voldoet aan de certificering die is voorgeschreven door de Minister, en de certificering met één kroon voor verenigingen die voldoen aan aanvullende kwaliteitseisen die door de KNSA zelf zijn gesteld. Een tweede mogelijkheid is dat een vereniging waar traditioneel wordt geschoten, lid kan worden van de KNTS en daar gecertificeerd wordt. Als laatste kan een vereniging op haar verzoek gecertificeerd worden door de KNSA zonder lid te zijn van de KNSA. Het staat de KNSA en de KNTS vrij om andere (extra) voorwaarden te verbinden aan de certificering voor de bij hun aangesloten vereni Gezien het voorgaande zou het dan niet of nauwelijks te bepalen zijn of de schutter een redelijk belang heeft bij het voorhanden hebben van het door hem gewenste wapens en munitie ten behoeve van het beoefenen van de schietsport. Bovendien is dan niet goed meer vast te stellen of het beoefenen van de schietsportdiscipline een gevaar voor de openbare orde en veiligheid oplevert. Om invulling te geven aan wat ik onder een schietsportdiscipline versta, is in bijlag C8 een overzicht opgenomen van de schietsportdisciplines die naar mijn oordeel een redelijk belang op kunnen leveren voor het verkrijgen van een wapenverlof. Dit betreft schietsportdisciplines die in verenigings- en wedstrijdverband worden beoefend en waarvan ik van oordeel ben dat dit gangbare schietsportdisciplines zijn. Daarbij is ook opgenomen welke eigenschappen de wapens hebben om in redelijkheid noodzakelijk zijn voor de beoefening van deze schietsportdisciplines. Zie verder 2.6 Schietsportdisciplines. 2.4.3. Buitenlandse schietverenigingen Het kunnen beoefenen van de schietsport in buitenlands verenigingsverband levert voor de betrokkene weliswaar een belang op bij het voorhanden mogen hebben van vuurwapens, maar dit enkele belang is geen ‘redelijk belang’ in de zin van artikel 28 van de WWM. Gelet op de restrictieve wetgeving en het dienovereenkomstige beleid, wordt geen verlof verleend indien de aanvrager slechts de bedoeling heeft buiten Nederland de schietsport te beoefenen. De betrokkene zal zich, om in het desbetreffende land de bevoegdheid te krijgen om over een wapen te beschikken, tot de autoriteiten van dat land moeten wenden. Hij zal er voorts voor moeten zorgen dat het wapen in dat land – ten behoeve van het doel waarvoor hij het voorhanden wil houden – kan worden bewaard. 2.6. Schietsportdisciplines Schietsportdisciplines vormen een indeling van vormen van schietsport (binnen een wapengroep), die kunnen worden onderscheiden op grond van onder meer houding en positie, aantal schoten, soort wapen, gewicht, trekkerdruk, soort kaliber en schietafstand (takken van schietsport). Zoals ook onder B2.1 vermeld kan alleen de beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline in verenigingsverband naar mijn oordeel een redelijk belang opleveren in de zin van artikel 28, tweede lid, WWM. Dat betekent dat alleen een verlof kan worden verleend, als sprake is van beoefening van een aangewezen schietsportdiscipline. In bijlage C8 zijn deze schietsportdisciplines aangewezen, waarbij tevens de wapentechnische eisen zijn benoemd, die gelden voor de binnen de schietsport te gebruiken vuurwapens. Het gaat om schietsportdisciplines die een gereglementeerde tak van schietsport betreffen. Het maatschappelijk belang is ermee gediend dat niet meer wapens in de samenleving in omloop komen dan uitsluitend die, die geschikt zijn voor schietsportdoeleinden. De technische eisen die aan de wapens worden gesteld betreffen naar mijn oordeel een wezenlijke aspecten van wapens en zijn daarom eveneens opgenomen in bijlage C8. Verder gelden de door de KNSA en KNTS opgestelde reglementen voor wat betreft de sporttechnische eigenschappen van de schietsportdisciplines. De reglementering staat ook onder invloed van de internationale regels voor de schietsport van de International Shooting Sport Federation (I.S.S.F.). Ik laat het reglementeren van de sporttechnische eigenschappen van de schietdisciplines aan deze verenigingen over, omdat het bepalen welke sporttechnische eisen gesteld worden aan een schietsportactiviteit bij uitstek een taak van de landelijke schietsportbond of de landelijke bond van traditionele schutters is. Hierbij zij aangetekend dat er – doordat de Nederlandse sportschutter onder meer door het deelnemen aan buitenlandse schietwedstrijden kennis neemt van nieuwe wedstrijdvormen – ook in Nederland een aantal nieuwe schietsportdisciplines zijn ontstaan. Nieuwe of (nog) niet aangewezen schietsportdisciplines kunnen voor aanwijzing schriftelijk bij de Minister van Justitie