Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-07-02
ECLI:NL:RBLIM:2025:12650
vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/322514 / HA ZA 23-432 Vonnis in de hoofdzaak en in incident van 2 juli 2025 in de zaak van 1 [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident sub 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het incident sub 2] , wonende te [woonplaats] , eiseressen in de hoofdzaak, eiseressen in het incident, advocaat mr. S.J.M. Peters, tegen [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. G.M.O. Puddu. Partijen zullen hierna [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] genoemd worden. 1 De procedure in de hoofdzaak en in incident 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de producties 1 tot en met 23, - de conclusie van antwoord, tevens “voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie,” met de producties 1 tot en met 5, - de conclusie van antwoord “in voorwaardelijke reconventie,” tevens overlegging nadere producties 24 tot en met 27, - de door mr. Peters en mr. Puddu ter mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling 9 juli 2024, - het door de (bij verzoekschrift benoemde) deskundige E.J.M. Beeren van Beeren bouwconsultant vof (Bbc) opgesteld deskundigenbericht van 26 september 2024, ingediend bij de rechtbank op 17 maart 2025, - de akte na voorlopig deskundigenbericht, tevens inhoudende akte wijziging van eis, tevens inhoudende voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv van [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] , - de akte na deskundigenbericht van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , - de conclusie van antwoord in incident ex artikel 223 Rv. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 De feiten in de hoofdzaak en in incident 2.1. [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] zijn eigenaar van en wonen sinds 1976 in de woning, staande en gelegen aan de [adres 1] , [woonplaats] . 2.2. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] is eigenaar van de woning aan de [adres 2] , [woonplaats] . 2.3. [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] en [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] zijn buren van elkaar. 2.4. Begin 2020 is [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] de woning gaan verbouwen. Begin 2020 heeft [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] de verbouwing onderbroken. 2.5. In mei 2021 hebben [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] aan [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] kenbaar gemaakt dat in de woonkamer van hun woning het parket omhoog kwam als gevolg van vochtproblemen. 2.6. Bij aangetekende brief van 25 februari 2022 hebben [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij aan [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] heeft toegebracht (productie 5 bij dagvaarding). 2.7. Op 9 augustus 2022 heeft in opdracht van [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] een onderzoek aan hun woning plaatsgevonden door ing. [naam ingenieur 1] namens TOP expertise. In dit rapport staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld (productie 8 bij dagvaarding): ‘(…). Beantwoording van de onderzoeksvragen: a. a) Wat is de omvang van de schade? De schade betreft: a. a) Vochtschade aan parket en ondervloer in de woonkamer. b) Scheuren in siepleiser scheidingsmuur van de woonkamer. c) Lokaal loslatende stuc en verf in plafond en vochtplekken in muren en vloer van de kelder. d) Schimmelvorming op alle meubilair en inboedel in de kelder. e) Kapotte printer en laptop. b) Wat is de oorzaak van de schade? De oorzaak van de schade is het langdurig (sinds begin 2021) niet treffen van preventieve maatregelen door wederpartij die hadden kunnen voorkomen 30% zijn bijkomende vervorming \zettingsverschillen niet uit te sluiten. • Fundatie met verschillende aanzetniveau’s (kelder(-trap) op ca 2,5 m -P en uitbreiding op erfgrens (vorstvrij ca 0,85 m). Is ontstaan van scheurvorming (bijv. in achtergevel uitbouw) hieraan toe te schrijven. Niet uit te sluiten is dat nieuwe scheurvorming kan zich na meerdere jaren tot decennia in de muren zichtbaar worden. hiervan is de niet eerder opgemerkte scheur (zie par. 3.3 met foto 1, par. 2. 1) in gevel als een voorbeeld. Bij de opname op 15-01-2025 is het (extra) waterbelasting op geheven waardoor de ondergrond “tot rust komt” en zijn oorspronkelijke eigenschappen weer benaderd. Met dit gegeven komt ook een verdere vervorming in de ondergrond tot afgeremd c.q. stilstand. Advies is de herstelwerkzaamheden over ca negen maanden na heden aan te vangen. Gevolg van bovenstaande bevindingen is het advies de fundatie te versterken, dit om grondspanningen te nivelleren met de overige gronddrukken onder fundament en zodoende zettingsverschillen te minimaliseren, zie bijlage B. (…). Bijlage B: Voorstel / advies: Voorstel / advies. Noodzaak versterking fundatie bij gemeenschappelijke muur is om grondspanningen te nivelleren en daardoor (bijkomende) zettingen (zettingsverschillen) te terugdringen. De versterking is noodzakelijk om de extra belasting uit achtergevel op te nemen én verweking van de ondergrond te compenseren. (…).’ 2.10. In het deskundigenrapport van 27 maart 2025 dat door E.J.M. Beeren is samengesteld, staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld: ‘ Samenvattend: De erfgrens muur boven maaiveld van [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] – [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft ca. drie á drieënhalf jaar grotendeels open gelegen zonder een adequate afscherming tegen weersinvloeden. In deze ruim drie jaar durende periode heeft fam. [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] wateroverlast ondervonden. Nu de ruwbouw is voltooid, is de oorzaak weggenomen, waardoor er nu geen wateroverlast meer optreedt. Dit is onderbouwt met vochtmetingen door deskundige uitgevoerd. De meetresultaten werden bij opname geclassificeerd als droog. De constructeur vermeld: dat de fundatie een extra belasting van 30% moet opnemen, dan van voor de recente verbouwing met plaatsing van balk in achtergevel ( [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , zie. Par. 3.4.e Rapport [naam constructeur] ). dat de gevolgen van optreden verweking in de ondergrond nabij de fundamenten uitbouw achtergevel zijn opgemerkt, zie scheuren in metselwerk FOTO 24a en 24b. het gevolg van opheffen oorzaak is dat de ondergrond nu “toe rust komt” en zijn oorspronkelijke eigenschappen weer gaat aannemen. Met dit gegeven zal het proces van een verdere vervorming in de ondergrond verder stagneren dan wel tot stilstand komen. Gevolg van het bovenstaande is dat bijkomende zettingsverschillen niet uit te sluiten zijn t.p.v. penant gevelbalk, waardoor ontstaan van scheuren een reële verwachting is, zie bijv. FOTO 24a en 24b. Het hersteladvies is uitvoeren van een versterking fundatie, zie rapport [naam constructeur] met Bijlage B Voorstel/advies. Bouwkundig gevolg hiervan is de in dit rapport voorgestelde algehele herstelwerkzaamheden eerst na ca. negen maanden na heden kunnen worden aangevangen, met dienverstande dat op korte termijn de versterking bij [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] wel is gerealiseerd. Samenvatting constructieve gebreken zie par. 1.3 rapport [naam constructeur] : Er zijn meerdere constructieve tekortkomingen geconstateerd (zie 1.3.f: rapport [naam constructeur] ), die deels buiten deze Deskundigenrapportage (Bbc) vallen. Het is aan [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] om hieraan een vervolg te geven plus het verkrijgen van gemeentelijke goedkeuring bij B&W te Sittard. Enkel voor opstellen van een kostenberaming betreffende versterking fundatie bij [gedaagde in de hoofdzaak, v [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen om binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] te voldoen een bedrag van € 1.000,00 uit hoofde van immateriële schadevergoeding; en C. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen om binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] te voldoen, een bedrag van € 500,00 uit hoofde van esthetische schade; en D. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen om binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] te voldoen, een bedrag van € 8.227,98 inclusief BTW uit hoofde van materiële schadevergoeding aan de onroerende zaak; III. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen om binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] te voldoen, een bedrag van € 1.341,73 inclusief BTW ten titel van buitengerechtelijke (incasso)kosten; IV. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen om binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] te voldoen, een bedrag van € 1.610,00 excl. BTW, zijnde € 1.948,10 incl. BTW, in verband met het deskundigenrapport van TOP expertise; V. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen in de kosten van deze procedure, beslagkosten van € 1.371,98 daaronder ook begrepen, evenals deskundigenkosten van € 6.050,00, alsmede in de nakosten van € 131,00, te vermeerderen met € 68,00 en de kosten van het exploot indien gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen van dit vonnis voldoet; VI. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen om over alle toegewezen bedragen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te voldoen aan eisers, primair vanaf 1 juni 2021, subsidiair vanaf 1 maart 2022, meer subsidiair vanaf 7 december 2022, meest subsidiair vanaf de dag der dagvaarding, zulks tot aan de dag der algehele betaling; VII. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] te veroordelen om binnen twee maanden na het in dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen enige andere redelijke termijn die de rechtbank passend acht: A. tot het vakkundig dichten muurwerk + opening links van erfscheidingslijn achtergevel (zie FOTO 22 rapport Beeren); B. tot het vakkundig afwerken overgang waterdichte inwerking opgaand werk op dak [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] - [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] (FOTO 31 rapport Beeren); C. tot het stabiel maken van de onroerende zaak, meer in het bijzonder door bij de halfsteens muur een stalen kolom met brandwerende bekleding aan te brengen, zulks conform advies [naam constructeur] , en om aan te tonen dat de onroerende zaak stabiel is, zulks middels het overleggen aan [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] van een volledige constructie-berekening en -tekening van de volledige verbouwing en om deze documenten ter goedkeuring voor te leggen bij (het college van B&W van) de gemeente [woonplaats] ; D. tot het versterken van de fundatie, dit om grondspanningen te nivelleren met de overige gronddrukken onder fundament en zodoende zettingsverschillen te minimaliseren, zulks conform advies [naam constructeur] , meer in liet bijzonder conform diens bijlage B; Een en ander op verbeurte van een dwangsom van €500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] niet tijdig aan al deze verplichtingen heeft voldaan, zulks tot een maximum van € 100.000,00. 3.2. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] heeft verweer gevoerd tegen de oorspronkelijke eis. Het geschil in incident 3.3. [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] vorderen dat de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv bij vonnis, voor In dit geval zou toewijzing echter kunnen betekenen dat [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] bij voorlopige voorziening wordt veroordeeld tot het uitvoeren van werkzaamheden, terwijl deze vordering in de bodemprocedure wellicht dient te worden afgewezen, nu het gevorderde enkel berust op een advies van [naam constructeur] terwijl geenszins vaststaat dat de gemeente [woonplaats] (hierna: de gemeente) dezelfde mening is toegedaan betreffende het aanbrengen van de stalen kolom met brandwerende bekleding en het versterken van de fundering teneinde grondspanningen te nivelleren en zettingsverschillen te minimaliseren. Het is niet ondenkbaar dat de gemeente volstrekt andere maatregelen zal voorschrijven teneinde de constructie stabiel te maken. Daarenboven kan het zijn dat de gemeente de constructie wel veilig acht en er derhalve geen werkzaamheden zoals door [naam constructeur] geadviseerd noodzakelijk zijn. De kans is aanzienlijk dat deze geadviseerde werkzaamheden zullen afwijken van de door de gemeente voor te schrijven constructieve maatregelen. Daarenboven zijn de gevorderde werkzaamheden constructief van aard, hetgeen maakt dat ze niet zomaar ongedaan kunnen worden gemaakt. Bovendien dient te worden opgemerkt dat hetgeen [naam constructeur] opmerkt over de stabiliteit van de woning enkel betrekking heeft op de woning van [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] en niet geldt voor de woning van [eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident] [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] zal op basis van de bevindingen van de deskundige een constructeur benaderen en opdracht geven tot het opstellen van de benodigde berekeningen zodat deze aan de gemeente kunnen worden voorgelegd ter toetsing en accordering van de constructie. [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] zal vrijwillig gehoor geven aan de uitvoering van de eventueel door de gemeente voorgeschreven constructieve maatregelen. Daarbij is het waarschijnlijk onmogelijk om te voldoen aan het in incident gevorderde, nu het onwaarschijnlijk is dat binnen een termijn van twee maanden kan worden voldaan aan het gevorderde. Waarschijnlijk zal alleen al het verkrijgen van de goedkeuring van de gemeente langer dan twee maanden op zich laten wachten, nog afgezien van de daadwerkelijk uit te voeren werkzaamheden, gelet op de naderende bouwvak, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, verweerster in het incident] . 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling in incident 4.1. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 223, eerste lid Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Het is in beginsel aan de rechter overgelaten of hij, gelet op de inhoud van het verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige en voortvarende procesvoering, het verzoek aanstonds behandelt en beslist. 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening samen met de vorderingen in de hoofdzaak. De rechtbank overweegt verder dat het algemene vereiste voor toewijsbaarheid van een voorlopige (provisionele) voorziening, te weten dat de verzoekende partij bij zijn vordering belang heeft, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een dergelijke voorziening op grond van artikel 223 Rv, ertoe leidt dat het belang bij de gevraagde voorziening zodanig dringend moet zijn dat van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht. Het enkele feit dat een partij stelt recht te hebben op het gevorderde in de hoofdzaak is daarvoor onvoldoende. Daarnaast zal ook moeten worden gesteld waarom de uitspraak in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Is er sprake van belang aan de zijde