Rechtspraak Rechtbank Limburg 2025-12-17
ECLI:NL:RBLIM:2025:12544
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 24/4463 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen 17 december 2025 [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. M.H.J.M. Stassen), en CZ zorgkantoor B.V., verweerder, (gemachtigde: mr. P.M.M. van der Loo). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit waarin verweerder eiseres heeft bericht dat zij met haar persoonsgebonden budget (pgb) per 1 januari 2024 geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder dit besluit heeft mogen nemen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder dat besluit heeft mogen nemen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten in beroep en het door haar betaalde griffierecht terug. Verweerder heeft namelijk in de bezwaarfase de hoorplicht van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Verweerder heeft eiseres met het besluit van 26 februari 2024 (het primaire besluit) bericht dat zij vanaf 1 januari 2024 geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter [naam dochter] ( [naam dochter] ). 2.1. Met het bestreden besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld van [gemachtigde 1] , de gemachtigde van verweerder, vergezeld van mr. M. van Hassel en [gemachtigde 2] . Beoordeling door de rechtbank Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen? 3. Eiseres, geboren in 1935, heeft een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Zij kocht haar zorg in met een pgb. Haar dochter was haar gewaarborgde hulp en haar zorgverlener. 3.1. Na vier signalen van mogelijke fraude met pgb’s door [naam dochter] en [gemachtigde 1] ( [gemachtigde 1] ) is Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) van verweerder in april 2023 een fraudeonderzoek gestart. 3.2. Op 14 augustus 2023 heeft er met [naam dochter] en [gemachtigde 1] een gesprek op het zorgkantoor plaatsgevonden. 3.3. Op 8 november 2023 heeft BBO een brief gestuurd aan [naam dochter] en [gemachtigde 1] waarin staat dat sprake is van fraude door [naam dochter] en [gemachtigde 1] met betrekking tot het pgb van [naam 1] ( [naam 1] ). Dit heeft tot gevolg dat [naam dochter] vanaf 1 december 2023 geen zorgverlener en ook geen gewaarborgde hulp van eiseres meer mag zijn. 3.4. Bij brief van 22 december 2023 heeft verweerder eiseres bericht dat zij op zoek moet naar een andere gewaarborgde hulp. 3.5. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres bericht dat zij vanaf 1 januari 2024 geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter. De reden hiervoor is dat verweerder er gezien de eerder geconstateerde fraude door [naam dochter] vanuit gaat dat bij het verlenen van zorg aan eiseres niet zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit . 3.6. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat er een afspraak is gemaakt tussen [naam zoon eiseres] ( [naam zoon eiseres] ), [gemachtigde 1] en [naam dochter] ( [bedrijfsnaam] ) met betrekking tot het pgb van [naam 1] . Deze afspraak hield het volgende in. Voor [naam dochter] zouden twintig gewerkte uren worden opgegeven, maar in werkelijkheid verleende [naam dochter] geen uren zorg aan [naam 1] . Het geld dat voor die uren binnen zou komen, zou worden gebruikt om de belasting van [naam zoon eiseres] t De inhoud van deze e-mail sluit volgens verweerder eveneens naadloos aan bij het verhaal van [naam zoon eiseres] . Alleen al doordat deze afspraak is gemaakt, staat volgens verweerder vast dat de door of namens [naam dochter] gedeclareerde zorg niet geleverd is en dat er is gefraudeerd met het pgb van [naam 1] door [naam dochter] en [gemachtigde 1] . 3.6.4. Daarnaast blijkt de fraude met het pgb van [naam 1] volgens verweerder ook uit het volgende. Verweerder heeft geen eenduidig beeld kunnen krijgen over wanneer de zorg nu daadwerkelijk geleverd zou zijn. Er is daarover steeds wisselend verklaard. Daarnaast declareert [naam dochter] gemiddeld in totaal (aan zorg voor eiseres en voor [naam 1] ) 200 uur per maand. In november 2020 heeft ze zelfs 349,62 uur en in december 2020 347,53 uur gedeclareerd. Dit komt neer op gemiddeld zeven dagen in de week minstens tien uur per dag voor een lange periode achter elkaar. Dat vindt verweerder onaannemelijk. Heeft verweerder een onvolledig dossier overgelegd? 4. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder het dossier selectief zou hebben samengesteld en ontlastende stukken niet aan het dossier zou hebben toegevoegd. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat zij hiermee heeft bedoeld de melding van Meander en de onderzoeken met betrekking tot de andere pgb’s waar [naam dochter] en/of [gemachtigde 1] zorgverlener en/of gewaarborgde hulp waren en waarbij geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. 4.1. De rechtbank heeft deze beroepsgrond in die zin opgevat dat eiseres daarmee stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb heeft overgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het aan verweerder is om te beoordelen wat de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres genoemde ontlastende stukken in deze zaak niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorliggende besluitvorming. Het gaat in deze zaak om de door verweerder gestelde fraude met het pgb van [naam 1] en niet om de andere pgb’s waar [naam dochter] en/of [gemachtigde 1] bij betrokken waren. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft toegezonden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Heeft verweerder een onbevangen en/of onafhankelijk onderzoek verricht? 5. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder geen onbevangen en/of onafhankelijk onderzoek gericht op waarheidsvinding heeft verricht. Eiseres wilde in de bezwaarfase een aantal medewerkers van BBO als getuigen (laten) horen over de manier waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft hier niet aan willen meewerken. Verder heeft eiseres [naam 1] en [naam zoon eiseres] nooit zelf kritisch kunnen bevragen. Ook zijn [naam 1] en [naam zoon eiseres] niet onder ede gehoord of erop gewezen dat de inhoud van hun verklaringen verstrekkende gevolgen kan hebben. Volgens eiseres is het in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat zij niet de door haar gewenste getuigen in bezwaar heeft kunnen horen en dat verweerder [naam 1] en [naam zoon eiseres] niet in haar bijzijn heeft gehoord. Verweerder heeft hiermee haar ondervragingsrecht geschonden. 5.1. De rechtbank heeft deze beroepsgrond in die zin opgevat dat eiseres daarmee stelt dat het door verweerder verrichte onderzoek in de bezwaarfase zonder die verklaringen van de medewerkers van BBO en zonder dat eiseres [naam 1] en [naam zoon eiseres] zelf kritisch heeft kunnen bevragen onzorgvuldig en onvolledig is geweest. 5.2. De rechtbank maakt uit het dossier op dat eiseres op de hoorzitting van 8 april 2024 heeft verzocht om getuigen te mogen horen. Bij e-mail van 6 mei 2024 heeft eiseres verweerder bericht dat zij zes getuigen zou Vervolgens heeft verweerder eiseres maar tot en met 6 september 2024 de tijd gegeven om op deze stapel stukken te reageren en het verzoek van eiseres om een reactietermijn tot 1 oktober 2024 afgewezen. Door eiseres pas zo laat in de bezwaarfase dat WhatsApp bericht toe te sturen en eiseres geen redelijke reactietermijn meer te geven, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de hoorplicht van artikel 7:9 van de Awb geschonden. Het e-mailbericht van MEE heeft verweerder in het geheel niet aan eiseres voorgelegd en als bijlage bij het bestreden besluit aan eiseres toegestuurd. 6.2. De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet tot een vernietiging van het bestreden besluit leidt. Eiseres heeft namelijk in beroep gelegenheid gehad om (alsnog) op deze twee stukken te reageren, zodat aannemelijk is dat eiseres daardoor niet is benadeeld. Het gebrek zal daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Heeft verweerder de verleningsbeschikking mogen wijzigen? 7. Eiseres heeft aangevoerd dat haar dochter wel zorg heeft verleend aan [naam 1] en dat er dus geen sprake is van fraude met betrekking tot het pgb van [naam 1] . Volgens eiseres blijkt dit uit de door haar overgelegde foto’s en WhatsApp berichten. [naam dochter] heeft op alle dagen van de week de noodzakelijke zorg ten behoeve van [naam 1] verleend. Er waren dus geen vaste dagen. Op de woensdag ging [naam 1] naar een fysiotherapeut in Valkenburg. Daarna werd zij door [naam zoon eiseres] bij [naam dochter] gebracht en ging [naam zoon eiseres] weg. Dan was eiseres al aanwezig om zorg te krijgen van [naam dochter] . Dit was niet iedere woensdag het geval, omdat [naam 1] niet iedere woensdag naar de fysiotherapeut moest. [naam 1] heeft een indicatie voor 24 uur per dag aan zorg, zeven dagen per week (LG Wonen met intensieve begeleiding). Er waren dus veel uren zorg nodig. 7.1. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit staat dat verweerder het pgb van eiseres heeft gewijzigd in die zin dat eiseres geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter. Verweerder mag het pgb wijzigen als de bij het pgb opgelegde verplichtingen niet worden nagekomen en/of als niet meer voldaan is aan de verleningsgronden zoals het leveren van kwalitatief verantwoorde zorg en op doelmatige wijze voorzien in verantwoorde zorg van voldoende kwaliteit . 7.2. In artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz is bepaald dat – voor zover hier van belang – het pgb wordt verleend, indien naar het oordeel van het zorgkantoor met het pgb op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit. 7.3. In artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz is bepaald dat het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan intrekken of wijzigen met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het pgb of aan de eisen van gewaarborgde hulp. 7.4. Bij besluit van 18 november 2023 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2024 een indicatie voor zorg op grond van de Wlz in de vorm van een pgb toegekend. Dat besluit heeft verweerder met het primaire besluit van 26 februari 2024 gewijzigd. Bij besluit van 9 april 2025 heeft verweerder een vaststellingsbeschikking en budgetafrekening voor het jaar 2024 afgegeven. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat zolang het pgb niet is vastgesteld, verweerder de verleningsbeschikking kan intrekken of wijzigen. Een besluit tot intrekking van de verleningsbeschikking of wijziging van de verleningsbeschikking ten nadele van de verzekerde is een voor de verzekerde belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor de intrekking of wijziging is voldaan in beginsel op verweerder. 7.5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daar in deze zaak in geslaagd. Verweerder heeft nauwkeurig uiteengezet en daarmee voldoende De wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het pgb van eiseres te wijzigen, leidt niet tot een voor eiseres onevenredige uitkomst. Eiseres heeft de beschikking behouden over een pgb, zij het dat zij haar dochter per 1 januari 2024 niet meer mag inhuren als haar zorgverlener. De rechtbank onderschrijft de door verweerder gemaakte belangenafweging. Eiseres heeft hier ook niets over aangevoerd. Het verzoek van eiseres aan de rechtbank om getuigen op te roepen 8. Eiseres heeft op de zitting de rechtbank verzocht om alsnog zeven personen als getuige op te roepen, te weten: [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam dochter] , [gemachtigde 1] , [naam zoon eiseres] en [naam 1] . 8.1. De rechtbank is na ampele overweging tot het oordeel gekomen aan dit verzoek geen gevolg te geven. Allereerst merkt de rechtbank op dat [gemachtigde 1] op de zitting aanwezig was en in de gelegenheid is geweest hetgeen zij van belang achtte naar voren te brengen. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat eiseres op grond van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb de mogelijkheid heeft gehad zelf getuigen mee te brengen naar de zitting, op welke mogelijkheid haar in de uitnodiging voor de zitting is gewezen. Van deze mogelijkheid heeft eiseres echter geen gebruik gemaakt. De rechtbank ziet niet in waarom zij naast [gemachtigde 1] niet ook [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam dochter] mee naar zitting heeft genomen, indien zij belang hechtte aan het horen van hen, te meer nu deze allen ten gunste van eiseres zouden verklaren. Verder heeft eiseres in de bezwaarfase de gelegenheid gehad deze personen te (laten) horen, van welke gelegenheid zij heeft afgezien. Verder bevinden zich in het procesdossier reeds schriftelijke verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . 8.2. De rechtbank realiseert zich dat artikel 8:60, vierde lid, van de Awb eiseres geen soelaas had geboden met betrekking tot het horen van [naam zoon eiseres] en [naam 1] . Immers door hen hoeft aan een oproeping door eiseres om als getuige op de zitting van de rechtbank te worden gehoord, geen gevolg te worden gegeven. Dit is anders wanneer zij door de rechtbank als zodanig worden opgeroepen. De rechtbank gaat hier niet toe over, omdat ook al zou door hen teruggekomen worden op wat eerder is verklaard, dit niet kan afdoen aan het WhatsApp bericht van [gemachtigde 1] aan [naam zoon eiseres] van 8 november 2019 en hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder heeft mogen bepalen dat eiseres met ingang van 1 januari 2024 met haar pgb geen zorg meer mocht inkopen bij haar dochter [naam dochter] . Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb krijgt eiseres wel een vergoeding voor haar proceskosten in beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907,- per punt). Ook krijgt zij het betaalde griffierecht in beroep terug. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-; - bepaalt dat verweerder het door eiseres in beroep betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 51,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzitter, en mr. M.M.L. Goofers en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 december 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inlogg de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen; b. de verzekerde blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres; c. de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen; d. de vertegenwoordiger van de verzekerde niet voldoet aan regels inhoudende beperkingen of eisen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kring van vertegenwoordigers kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de verzekerde of van het waarborgen van de hulp, bedoeld in de onderdelen b en c van het vierde lid. 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. 7. De Sociale verzekeringsbank voert namens de zorgkantoren de betalingen ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit. 8. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op: a. de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget wordt verleend, de mogelijkheid heeft om zorg te betrekken van een mantelzorger of een natuurlijke persoon die niet beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, of die persoon vanuit het persoonsgebonden budget te betalen; b. verplichtingen die aan de verzekerde worden opgelegd met betrekking tot de overeenkomsten die de verzekerde sluit met de personen van wie hij de zorg betrekt en daarvoor betaling ontvangen uit het persoonsgebonden budget; c. de gevallen waarin, onverminderd het vierde en vijfde lid, verzekerden worden uitgesloten van de verlening van een persoonsgebonden budget; d. de wijze waarop de Sociale verzekeringsbank de taak, bedoeld in het zevende lid, uitvoert, en e. de vorm en inhoud van het budgetplan, bedoeld in het vierde lid, onderdeel e. 9. De op grond van het eerste, vijfde, zesde en achtste lid gestelde regels kunnen voor verschillende categorieën van verzekerden verschillend worden vastgesteld. Regeling langdurige zorg Artikel 5.18 Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd: a. de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het doen betalen door de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid; b. de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord; c. de verzekerde past een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving onverwijld aan indien van enige verandering in de daarin opgenomen feiten sprake is; d. de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht; e. de verzekerde laat de betalingen aan de zorgverlener uitsluitend verrichten door de Sociale verzekeringsbank, tenzij het gaat om kosten verbonden aan vervoer als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, van de wet, waarvoor geen zorgovereenkomst is gesloten; f. de verzekerde besteedt het persoonsgebonden budget niet aan logeeropvang buiten de Europese Unie; g. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget. Artikel 5.20 1. Het zorgkantoor wijzigt de verleningsbeschikking of trekt deze in: a. met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde overlijdt; b. met ingang van de dag waarop de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet; c. met ingang van de dag vanaf welke de verzekerde schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het persoonsgebonden budget; d. met ingang van de dag waarop het zorgkantoor, op advies van een instelling voor maatschappelijk we