Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-11-19
ECLI:NL:RBLIM:2025:11463
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,767 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2025:11463 text/xml public 2026-05-08T09:00:21 2025-11-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-11-19 11579046 \ CV EXPL 25-1149 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Civiel recht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:11463 text/html public 2026-05-08T08:59:55 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:11463 Rechtbank Limburg , 19-11-2025 / 11579046 \ CV EXPL 25-1149 Werkgeversaansprakelijkheid; corona; werkgever is niet aansprakelijk. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11579046 \ CV EXPL 25-1149 Vonnis van 19 november 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. D. Hekel (ARAG SE), tegen 1 ZUYDERLAND ZORGCENTRA B.V., te Sittard, 2. CENTRAMED B.A. , te Zoetermeer, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: Zuyderland c.s., gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025 - de spreekaantekeningen zijdens [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] is als staffunctionaris werkzaam geweest in het zorgcentrum van Zuyderland. Op de locatie waar [eiser] zijn werkzaamheden heeft verricht werd geen zorg verleend. 2.2. Kort voor 13 maart 2020 heeft de Nederlandse regering aangegeven dat er een wereldwijde pandemie was ontstaan – verder te noemen de Covidpandemie –. Een van de aanbevelingen van het RIVM vanaf 1 maart 2020 was dat personen die uit risicogebieden kwamen, bij milde luchtwegklachten thuis zouden blijven. Als risicogebieden werden aangemerkt China, Zuid-Korea, Iran, Singapore en Noord-Italië. 2.3. Op 8 maart 2020 werd het advies gegeven aan scholen in Noord-Brabant om de deuren te sluiten. De scholen in de rest van Nederland bleven open, waaronder ook de scholen in Limburg. 2.4. Op 12 maart 2020 werd vanuit de overheid het advies gegeven om thuis te blijven wanneer sprake was van een neusverkoudheid, keelpijn en hoesten, ook als geen sprake was van koorts. 2.5. Op vrijdag 13 maart 2020 heeft de leidinggevende van [eiser] aan haar medewerkers, waaronder [eiser] , laten weten dat er niet wordt thuisgewerkt uit solidariteit naar het personeel in de zorg. De leidinggevende liet daarnaast weten dat de verwachting was dat er op die dag een “Zuyderland breed beleid” zou worden afgestemd. 2.6. [eiser] is het niet eens met dat bericht. [eiser] laat aan zijn leidinggevende en de aangeschreven collega’s weten dat hij een overleg wil op maandagmorgen. 2.7. Op maandag 16 maart 2020 om 08:30 uur heeft dit overleg plaatsgevonden. Een collega van [eiser] , (waarvan [eiser] later stelt dat zij verkouden was), thans genoemd collega [initialen] was daarbij ook aanwezig. Het overleg duurde ongeveer een half uur tot driekwartier. Voorafgaand aan dit overleg om circa 08:00 uur hebben de collega’s, waaronder ook [eiser] en collega [initialen] , in een kring gestaan en de situatie rondom corona besproken. 2.8. Collega [initialen] is de week voor 16 maart 2020 met vakantie geweest in Oostenrijk. Op 13 maart 2020 werden een aantal skigebieden in Oostenrijk op last van de Oostenrijkse overheid onder quarantaine geplaatst. 2.9. [eiser] heeft tijdens de vergadering aangegeven dat hij moeite heeft met het feit dat er niet tot thuiswerken werd overgegaan. De leidinggevende heeft aan [eiser] aangegeven met hem hierover verder te willen praten zonder andere collega’s. 2.10. Na de vergadering stuurt [eiser] aan collega [initialen] om 09:23 uur een e-mail met het onderwerp “Verstandig om naar huis te gaan”. [eiser] schrijft: “Hallo (naam collega): Uit bescherming voor jezelf en voor anderen zie hier de richtlijn die het RIVM hanteert: Algemene preventieve maatregelen In heel Nederland moet iedereen met neusverkoudheid OF hoesten OF koorts THUIS BLIJVEN. Alleen bij ernstige klachten TELEFONISCH contact opnemen met de huisarts. Gr. [eiser] ” 2.11. Collega [initialen] reageert niet op de e-mail. 2.12. [eiser] en collega [initialen] , werken die ochtend in de kantoortuin. [eiser] en collega [initialen] zitten in deze kantoortuin tegenover elkaar. 2.13. Het gesprek tussen [eiser] en zijn leidinggevende vindt aan het eind van de ochtend plaats. Zij bespreken nogmaals het thuiswerkbeleid en er wordt ook gesproken over collega [initialen] . De leidinggevende stuurt na dit gesprek collega [initialen] naar huis. Collega [initialen] werkt de rest van de week thuis. 2.14. Op vrijdag 20 maart 2020 is [eiser] ziek. Hij begint te hoesten, voelt zich grieperig en krijgt klachten aan zijn knieën. Op 21 maart 2020 krijgt [eiser] koorts. 2.15. Op maandag 23 maart 2020 meldt [eiser] zich ziek bij Zuyderland. 2.16. Op 24 maart 2020 wordt [eiser] gebeld door de bedrijfsarts. [eiser] vertelt aan de bedrijfsarts dat hij mogelijk corona heeft als gevolg van een mogelijke bestemming op het werk. 2.17. Op 26 maart 2020 is [eiser] bij de huisarts geweest. Op grond van de toen geldende protocollen is [eiser] niet getest op corona. De huisarts heeft in het medisch dossier onder meer opgenomen dat [eiser] een week koorts heeft, hij mogelijk door een collega besmet is geraakt met corona en de hele dag kucht. 2.18. Op 20 april 2020 is [eiser] op arbeidstherapeutische basis weer aan het werk gegaan. 2.19. Op 14 mei 2020 werd [eiser] beter gemeld. 2.20. Op 1 juli 2020 heeft [eiser] een COVID19-antistoffentest afgenomen. Deze is positief. [eiser] heeft een coronabesmetting doorgemaakt. 2.21. Op 8 juli 2020 is [eiser] weer ziekgemeld vanwege aanhoudende klachten van extreme vermoeidheid en futloosheid. 2.22. [eiser] heeft geprobeerd om te re-integreren. Dit is niet mogelijk gebleken. 2.23. Het UWV heeft vastgesteld dat [eiser] arbeidsongeschikt is. [eiser] ontvangt per 10 januari 2023 een WIA-uitkering. 2.24. [eiser] is ondanks diverse behandelingen tot op heden niet hersteld en ervaart klachten passend bij post-COVID, te weten: vooral vermoeidheid, concentratieproblemen en geheugenverlies. 2.25. [eiser] heeft Zuyderland aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van een op het werk opgelopen coronabesmetting. De aansprakelijkheidsverzekeraar van Zuyderland, Centramed, heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat - : te verklaren voor recht dat Zuyderland aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] leed en nog zal lijden als gevolg van de besmetting met het coronavirus door [eiser] in maart 2020; te verklaren voor recht dat Zuyderland en Centramed hoofdelijk zijn gehouden de volledige schade te vergoeden die [eiser] leed en nog zal lijden als gevolg van deze besmetting met het coronavirus, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente; veroordeling van gedaagden in de proceskosten, met rente. 3.2. [eiser] baseert zijn vordering primair op artikel 7:658 BW. Aan deze vordering heeft [eiser] navolgende (kort samengevat) ten grondslag gelegd. [eiser] heeft corona opgelopen op het werk. Zijn collega [initialen] heeft [eiser] daarmee besmet. Dit kon gebeuren omdat Zuyderland niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. 3.3. Subsidiair baseert [eiser] zijn vordering op artikel 6:170 BW. Aan deze vordering heeft [eiser] navolgende (kort samengevat) ten grondslag gelegd. Zijn collega [initialen] heeft een toerekenbare onrechtmatige daad gepleegd door met ziekteverschijnselen passend bij corona naar kantoor te komen. Zij heeft het voorschrift van de Rijksoverheid om thuis te blijven met klachten genegeerd. Zij was teruggekeerd van wintersport in Oostenrijk. De plek waar zij verbleef was een brandhaard voor coronabesmettingen. Vanwege het coronavirus moesten alle toeristen naar huis. Zij had moeten weten dat zij niet naar het werk had moeten komen. Voor de onrechtmatige daad van collega [initialen] is Zuyderland aansprakelijk nu de besmetting door de collega op het werk heeft plaatsgevonden. 3.4. Zuyderland c.s. voert verweer. Zuyderland c.s.
Volledig
concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of Zuyderland op grond van artikel 7:658 BW dan wel 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden doordat hij in maart 2020 tijdens zijn werkzaamheden een coronabesmetting heeft opgelopen. Het algemene beoordelingskader van artikel 7:658 BW 4.2. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is Zuyderland aansprakelijk voor de schade die [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, tenzij Zuyderland aantoont dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. De vragen die ter beoordeling voorliggen is of [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen en zo ja, of Zuyderland aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. [eiser] als 1e aan zet 4.3. Allereerst dient de werknemer te stellen en – bij voldoende gemotiveerde betwisting door de werkgever – te bewijzen (dat wil zeggen: voldoende aannemelijk maken) dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Vanwege de bewijsmoeilijkheden die dit kan opleveren, is in de rechtspraak de “arbeidsrechtelijke omkeringsegel” ontwikkeld. Die komt er – samengevat – op neer dat in het geval van blootstelling aan een schadelijke stof (waaronder blootstelling aan ziekmakende virussen kan worden begrepen) onder bepaalde voorwaarden een vermoeden van causaal verband worden aangenomen. Hiervoor is niet alleen nodig dat [eiser] stelt en zo nodig bewijst dat hij gedurende zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, hij dient tevens aan te tonen dat zijn ziekte door die blootstelling kan zijn veroorzaakt. Indien het verband tussen de gezondheidsschade en de werkomstandigheden te onzeker of te onbepaald is, is er voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats. De kantonrechter is van oordeel dat van die situatie sprake is, hetgeen volgt uit de overwegingen die hierna volgen. 4.4. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] de sterke overtuiging heeft dat collega [initialen] hem besmet heeft met corona op het werk. De stellingen van [eiser] zien enkel en alleen op een besmetting van [eiser] door collega [initialen] . Van belang is dan ook de vraag, gelet op het tussen partijen gevoerde debat, of collega [initialen] zelf corona had op 16 maart 2020. Tussen partijen is immers niet in geschil dat enkel een met corona besmette collega een andere collega kan besmetten. Het ligt op de weg van [eiser] om ten minste aannemelijk te maken dat collega [initialen] besmet was met corona. Dat is echter, gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan zijdens Zuyderland, naar het oordeel van de kantonrechter niet gelukt. 4.5. Ook als de kantonrechter aanneemt dat collega [initialen] op 16 maart 2020 aan het hoesten en aan het proesten was en [eiser] op 20 maart 2020 corona had , alsmede de kantonrechter hierbij betrekt dat collega [initialen] op vakantie is geweest in de buurt van de brandhaard voor coronabesmettingen, is dit onvoldoende om aan te nemen dat collega [initialen] op 16 maart 2020 corona had. In de eerste plaats bestaan er naast corona ook andere virussen die hoesten en proesten als symptoom hebben. Verder is van belang dat bij collega [initialen] in augustus 2020 een COVID-19 antistoffentest is afgenomen, die negatief was. Uit een negatieve anti-stoffentest kan in ieder geval niet worden opgemaakt dat collega [initialen] op 16 maart besmet was met corona. Hoewel [eiser] hiertegen heeft aangevoerd dat sprake kan zijn van een vals negatieve test, en de test ruim een half jaar na de gebeurtenissen is afgenomen terwijl ook moet worden meegewogen volgens het RIVM dat milde klachten niet blijken uit een dergelijke antistoffentest, geldt dat nog altijd niet kan worden vastgesteld (evenmin aannemelijk gemaakt) dat collega [initialen] corona had op 16 maart 2020. Anders dan [eiser] stelt, hoeft van Zuyderland niet verlangd te worden om naast de indiening van de negatieve testuitslag van collega [initialen] nog een nadere onderbouwing van een deskundige over te leggen waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat collega [initialen] géén corona had. De eerste stap is immers dat [eiser] tenminste aannemelijk maakt dat collega [initialen] wél corona had en daarvan blijkt nog altijd niet. 4.6. Het verzoek van [eiser] om een deskundige te benoemen om de waarde van de negatieve antistoffen te beoordelen, passeert de kantonrechter gelet op het vorenoverwogene. [eiser] heeft gelet op het gemotiveerde verweer van Zuyderland onvoldoende gesteld om te worden toegelaten tot bewijslevering. 4.7. De conclusie van al het voorgaande is dat – zoals reeds overwogen – de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toepassing mist. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de coronabesmetting heeft opgelopen op het werk (via collega [initialen] ). De vordering op grond van artikel 7:658 BW wordt daarom afgewezen. Gelet op dit oordeel kan Zuyderland niet aansprakelijk worden geacht voor de door [eiser] geleden schade. Zuyderland is ook niet aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW. Er kan immers niet worden geoordeeld dat aan collega [initialen] en/of Zuyderland een verwijt kan worden gemaakt. Nu Zuyderland niet aansprakelijk is, wordt ook de vordering jegens Centramed afgewezen. 4.8. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zuyderland c.s. worden begroot op: - salaris gemachtigde € 542,00 (2 punten × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 677,00 4.9. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. A.H.M.J.F. Piette op 19 november 2025. No van huisarts, praktijkondersteuner, fysiotherapeut, ergotherapeut, psycholoog en logopedist Collega [initialen] ontkent dat zij aan het hoesten en aan het proesten was. Collega [initialen] ontkent ook dat zij ziek was. Dit wordt betwist door Zuyderland