Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-10-22
ECLI:NL:RBLIM:2025:10457
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,814 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11668038 \ CV EXPL 25-1975
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. F.J.M. Koster,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J.Th. Paulissen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 16 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] verhuurt een vakantiewoning (‘ [naam] ’), gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] . [eiseres] heeft tweemaal de betreffende vakantiewoning gehuurd, te weten van 28 september tot en met 25 oktober 2024 (eerste huurperiode) en vervolgens van 1 november 2024 tot en met 22 november 2024 (tweede huurperiode).
Geschil
3.1.
[eiseres] stelt dat zij met betrekking tot de eerste huurperiode nog een borgsom van € 350,00 te goed heeft. Verder heeft zij met betrekking tot de tweede huurperiode een (overeengekomen) bedrag betaald van € 2.060,00.
3.2.
[eiseres] stelt verder dat [gedaagde] de tweede huurperiode op 31 oktober 2024 eenzijdig heeft geannuleerd (één dag voor aanvang van die huurperiode). Ondanks dat [eiseres] vervolgens om terugbetaling van het volledige bedrag heeft verzocht, heeft [gedaagde] daarop slechts een bedrag van € 1.217,50 betaald.
3.3.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het restant van € 1.192,50, vermeerderd met rente en bijkomende kosten.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] als verhuurder van de vakantiewoning één dag voor het ingaan van de tweede huurperiode deze huurovereenkomst heeft geannuleerd. [gedaagde] had (volgens [eiseres] ) aangegeven dat ‘er sprake was van een overboeking en dat zij hierin een fout had gemaakt’ (dagvaarding onder randnummer 4). [eiseres] had evenwel reeds de volledige huursom ad € 2.060,00 aan [gedaagde] overgemaakt. Nu [eiseres] geen gebruik meer kon maken van het gehuurde, wil zij dit bedrag terug ontvangen, alsook nog een door haar over de eerste huurperiode betaalde waarborgsom ad € 350,00. Nu [gedaagde] wel reeds een bedrag van € 1.217,50 heeft betaald, vordert [eiseres] in deze procedure het restantbedrag van € 1.192,50
4.2.
[gedaagde] heeft echter een heel andere lezing ten aanzien van de door [eiseres] gestelde feiten. Zij erkent weliswaar dat door haar per abuis de tweede huurperiode werd aangeboden per 1 november 2024. Dit moest eigenlijk 2 november 2024 zijn. Door het eerder schuiven in data van aankomst en vertrek bij de eerste verhuurperiode naar wens van [eiseres] , werd een tussentijdse verhuur ook opgeschoven. Dat had [gedaagde] over het hoofd gezien. [gedaagde] heeft daarop een hotelovernachting aangeboden ter overbrugging, hetgeen door [eiseres] werd afgeslagen. [gedaagde] stelt dat [eiseres] daarop in het geheel geen gebruik meer wilde maken van het gehuurde, als zodanig de overeenkomst wenste te annuleren en volledige terugbetaling eiste.
4.3.
[gedaagde] heeft dit op haar beurt niet geaccepteerd. Zij heeft de vakantiewoning beschikbaar gehouden voor [eiseres] en intussen (om de schade te beperken) ook weer voor boekingen opengesteld met betrekking tot die periode. Dat laatste helaas zonder resultaat. Verder vindt zij dat zij een alleszins redelijk voorstel heeft gedaan door een hotelovernachting voor de eerste nacht aan te bieden.
4.4.
Uit coulance heeft [gedaagde] naar eigen zeggen uiteindelijk een bedrag van € 1.217,50 aan [eiseres] betaald. Dit bedrag bestaat uit de helft van de overeengekomen huurprijs voor de tweede huurperiode (een bedrag van € 1.030,00), alsook een bedrag aan borgsom van € 350,00 betreffende de eerste huurperiode. Voor de tweede periode werd geen borgsom betaald. Op deze bedragen heeft [gedaagde] vervolgens nog in mindering gebracht een bedrag van € 110,00 in verband met een gedurende de eerste verhuurperiode in de vakantiewoning aanwezige hond en een bedrag van € 52,50 in verband met het tussentijds schoonmaken van de vakantiewoning in de eerste huurperiode.
4.5.
De stelling van [eiseres] dat het juist [gedaagde] was die geheel onverwacht eenzijdig de tweede verhuurperiode zou hebben geannuleerd, volgt naar het oordeel van de kantonrechter bepaald niet uit de door haar overgelegde whatsapp correspondentie. Die stap zou ook niet logisch zijn, gezien de over en weer gestelde feiten en reacties over en weer. Gezien ook de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , had van [eiseres] op haar beurt verwacht mogen worden dat zij haar stellingen op dit punt nader zou onderbouwen. Dat heeft zij echter nagelaten.
4.6.
[eiseres] is zelf overigens ook niet bij de mondelinge behandeling verschenen en heeft als zodanig de kans laten schieten verdere vragen van de rechter te beantwoorden en als zodanig haar stellingen toe te lichten. Naast haar gemachtigde was weliswaar een zoon van [eiseres] aanwezig, doch deze is geen partij in deze procedure en was niet (schriftelijk) gemachtigd door [eiseres] om haar ter zitting te vertegenwoordigen. Gehoord als informant wist de zoon van [eiseres] desgevraagd overigens ook geen nadere informatie/ onderbouwing te bieden, daar hij niet direct betrokken was bij de communicatie tussen partijen.
4.7.
De kantonrechter zal hierna de afwezigheid van [eiseres] bij de mondelinge behandeling in haar nadeel meewegen in de zin van het bepaalde in art. 88 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.8.
Bij gebrek aan onderbouwing door [eiseres] , gaat de kantonrechter uit van de door [gedaagde] gestelde feiten. Er werd een tweede huurovereenkomst gesloten betreffende de vakantiewoning, waarvoor door [eiseres] voorafgaand de volledige huurtermijn werd betaald. [gedaagde] heeft inderdaad aangegeven dat zij bij het boeken een vergissing heeft gemaakt in die zin dat het gehuurde niet per 1 doch per 2 november 2024 beschikbaar kwam voor [eiseres] . [eiseres] is vervolgens niet ingegaan op het door [gedaagde] gedane aanbod van een hotelovernachting ter overbrugging.
4.9.
[eiseres] eist daarop volledige restitutie van de door haar betaalde huur voor de tweede periode ad € 2.060,00 alsook ook van de borgsom ad € 350,00 over de eerste periode.
4.10.
Die vordering slaagt reeds niet op basis van de primair gestelde grond dat deze huur ‘onverschuldigd’ zou zijn betaald in de zin van art. 6:203 BW. [eiseres] heeft immers de (verschuldigde) huursom betaald uit hoofde van een verbintenis volgend uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. Dat deze overeenkomst mogelijk zou zijn vernietigd, wordt niet gesteld en volgt ook niet uit de feiten.
4.11.
In de overgelegde ‘spreeknotities’ voert (de gemachtigde van) [eiseres] (onder randnummer 5) tijdens de mondelinge behandeling een nieuwe (primaire) grondslag aan. [eiseres] stelt hier dat er sprake zou zijn van een ‘tekortkoming in de nakoming’ nu [gedaagde] de tweede reservering een dag voor aanvang zou hebben geannuleerd. Niet alleen is die annulering door [gedaagde] in deze procedure bepaald niet komen vast te staan (zie hiervoor), maar bovendien wordt niet gesteld en blijft verder onduidelijk of er nakoming werd gevorderd door [eiseres] , ingebreke werd gesteld, dan wel op een andere wijze verzuim door [gedaagde] zou zijn ingetreden in de zin van het bepaalde in art. 6:82 BW. Bij gebrek aan enige onderbouwing, slaagt de vordering ook reeds niet op deze grondslag.
4.12.
Voor zover de kantonrechter al moet begrijpen dat [eiseres] eigenlijk bedoeld te zeggen dat [gedaagde] in verzuim zou zijn geraakt door de gestelde eenzijdige ‘annulering’ (de kantonrechter leest ‘ontbinding’), dan wel het niet ter beschikking kunnen stellen van de vakantiewoning gedurende één nacht van de overeengekomen huurperiode van drie weken (een tekortkoming in de zin van art. 6:625 BW), sneuvelt de vordering ook op deze grondslag. Immers niets wordt gesteld over de wijze waarop [gedaagde] in verzuim zou zijn geraakt, doch bovendien rechtvaardigt die tekortkoming de ontbinding van die overeenkomst bepaald niet, zoals ook door [gedaagde] terecht wordt aangevoerd (conclusie van antwoord onder randnummer 12). [eiseres] heeft in de gegeven omstandigheden onterecht het aangeboden alternatief van een hotelovernachting ter overbrugging geweigerd.
4.13.
Hetzelfde lot treft tenslotte de vordering op basis van de (meer) subsidiaire grondslag wegens ‘ongerechtvaardigde verrijking’ in de zin van art. 6:212 BW nu ook hier enige onderbouwing ontbreekt.
4.14.
De kantonrechter gaat er op basis van de overgelegde producties en de verder ter zitting niet weersproken feiten en stellingen van uit, dat het [eiseres] is geweest die de tussen partijen gesloten huurovereenkomst wenste te ‘annuleren’ (lees: ontbinden). Daar bestond echter geen rechtsgrond voor, zoals hiervoor reeds overwogen. [gedaagde] heeft de woning daarentegen gedurende de overeengekomen huurperiode ter beschikking gesteld. [eiseres] heeft daar verder geen gebruik van gemaakt, doch dit blijft verder voor haar rekening en ontslaat haar niet van haar verplichting tot het betalen van de (volledige) huurprijs.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 475,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.