Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-10-22
ECLI:NL:RBLIM:2025:10453
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,999 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11249723 \ CV EXPL 24-3987
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: F.A. Vooren,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats 2] ,
niet verschenen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats 3] ,
gemachtigde: mr. M. Heikens,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 9 april 2025- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren met ingang van 15 juni 2023 van [eiser] een woning aan het adres [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De huurprijs is € 1.495,- per maand exclusief gas, water en elektra, bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van de maand.
2.2.
Op 12 april 2024 is er in de woning een hennepkwekerij aangetroffen (550 planten met elektriciteitsdiefstal).
2.3.
Bij brieven van 24 april 2024 deelt [eiser] gedaagden mee dat hij hen aansprakelijk houdt voor de schade en geeft hij hen de kans om herstelmaatregelen te nemen. Omdat gedaagden niet reageren heeft [eiser] de woning op 5 mei 2024 laten ontruimen. Bij brief van 17 mei 2024 aan gedaagden verzoekt [eiser] om een betalingsvoorstel van de schade van € 17.332,79. In een e-mail van 29 mei 2024 aan [eiser] deelt [gedaagde sub 1] mee dat hij een onderhuurovereenkomst heeft met [gedaagde sub 2] en dat [gedaagde sub 1] de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de hennepkwekerij. Verder deelt hij mee dat hij een betalingsregeling wil treffen. Vervolgens overleggen [eiser] en [gedaagde sub 1] via e-mail over een betalingsregeling, maar overeenstemming wordt niet bereikt.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van € 23.312,79, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde sub 1] is niet verschenen.
3.3.
[gedaagde sub 2] voert verweer. Haar verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiser] stelt dat gedaagden toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. [eiser] heeft zijn vordering als volgt gespecificeerd:
Huurderving oktober 2023 t/m juli 2024 € 14.950,00
Afzetcontainers € 620,00
Ontruimingskosten [naam 1] € 2.500,00
Enexis € 200,67
Procedurekosten zienswijze € 2.052,12
Huurderving sluiting gemeente aug t/m okt 2024 € 4485,00
Totaal € 24.807,79
Af:
Waarborgsom € 1.495,00
Resterende vordering € 23.312,79
4.2.
Uit het als productie 16 overgelegde overzicht van [eiser] leidt de kantonrechter af dat sprake is van een achterstand in de betaling van de huur over maanden oktober 2023 t/m juli 2024. [eiser] heeft het voornemen van de burgemeester tot sluiting van de woning voor drie maanden overgelegd, waartegen [eiser] een zienswijze heeft ingediend. [eiser] stelt dat hem namens de burgemeester op 3 juni 2024 telefonisch is meegedeeld dat niet zou worden afgeweken van het voornemen tot sluiting voor drie maanden. De exacte sluitingsdatum was volgens [eiser] toen nog niet bekend. [eiser] is er vanuit gegaan dat de woning vanaf augustus t/m oktober 2024 zou worden gesloten. Ter onderbouwing van de kosten van de containers, de ontruiming en Enexis heeft [eiser] facturen overgelegd van [naam 2] , [naam 1] en een betalingsbewijs van Enexis. Ter onderbouwing van de kosten voor de zienswijzeprocedure heeft [eiser] een factuur van 3 juli 2024 overgelegd van de Stichting Bestrijding Woonfraude en Hennepteelt.
[gedaagde sub 1]
4.3.
[gedaagde sub 1] is niet verschenen. In artikel 139 Rv is bepaald dat indien de gedaagde niet op de eerste of op een door de rechter nader bepaalde roldatum in het geding verschijnt dan wel verzuimt advocaat te stellen of, indien verschuldigd, het griffierecht niet tijdig voldoet hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de rechter verstek tegen hem verleent en de vordering toewijst, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
4.4.
De kantonrechter verleent verstek en zal de vordering toewijzen omdat deze de kantonrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, behoudens hetgeen de kantonrechter hierna zal overwegen over de kosten voor rechtsbijstand ten behoeve van de zienswijzeprocedure en de rente.
[gedaagde sub 2]
4.5.
Niet in geschil is dat [gedaagde sub 2] de woning samen met [gedaagde sub 1] met ingang van 15 juni 2023 huurt/heeft gehuurd. [gedaagde sub 2] betwist niet dat de in de woning aangetroffen hennepkwekerij leidt tot een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Ook al zou [gedaagde sub 2] dit wel hebben betwist, dan zou het oordeel van de kantonrechter zijn dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, omdat het vestigen en onderhouden van een hennepkwekerij van 550 planten met energiediefstal zich niet verdraagt met goed huurderschap.
4.6.
[gedaagde sub 2] voert aan dat deze tekortkoming haar niet valt toe te rekenen. [gedaagde sub 2] stelt dat zij de woning nooit heeft bewoond, dat zij deze in gebruik had gegeven aan een derde die vervolgens een hennepkwekerij in de woning heeft geïnstalleerd. [gedaagde sub 2] stelt dat zij niets wist van de kwekerij en er ook niets mee te maken had. [gedaagde sub 2] stelt dat zij geen verklaring kan en zal afleggen over misbruik van documenten of fraude. [gedaagde sub 2] stelt dat zij daarvan niet op de hoogte was en daar ook niet bij betrokken was. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] in zijn e-mailbericht van 29 mei 2024 meegedeeld verantwoordelijk te zijn voor wat er is gebeurd en de kosten die daarbij horen. De schade dient te worden toegerekend aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn, anders dan [eiser] stelt, geen partners. De kosten van de zienswijze kunnen volgens [gedaagde sub 2] niet worden toegewezen omdat deze kosten niets van doen hebben met deze zaak en in de zienswijzeprocedure geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging. Dat [eiser] zich heeft doen bijstaan kan daarom niet voor rekening komen van [gedaagde sub 2] .
4.7.
De vordering tot betaling van de huur over de maanden oktober 2023 t/m oktober 2024 zal de kantonrechter toewijzen (minus de waarborgsom). Hoewel [gedaagde sub 2] in haar conclusie van antwoord benoemt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] de woning ‘huurden’ (verleden tijd dus) is gesteld noch gebleken dat de huurovereenkomst in die periode rechtsgeldig is beëindigd. [gedaagde sub 2] was gedurende die tijd dan ook huurder en het feit dat zij stelt nooit de woning te hebben gewoond ontslaat haar niet van haar verplichting de huur te betalen. Ook ontslaat dit haar niet van haar verplichting zich als goed huurder te gedragen. Er zijn echter omstandigheden die maken dat het een huurder niet kan worden toegerekend indien er in het gehuurde een hennepkwekerij wordt aangetroffen. Die omstandigheden zijn niet gesteld.
4.8.
[eiser] ontkent niet dat [gedaagde sub 2] nooit in de woning heeft gewoond. [eiser] stelt echter dat [gedaagde sub 2] in samenwerking met een persoon die zich uitgeeft als [gedaagde sub 1] panden tracht te verwerven voor onrechtmatige doeleinden. [eiser] heeft zijn standpunt onderbouwd door er, onder andere, op te wijzen dat het paspoort van de persoon die zich uitgeeft als [gedaagde sub 1] is vervalst. Volgens [eiser] was [gedaagde sub 2] daarvan op de hoogte. Volgens [eiser] zijn ook de door [gedaagde sub 2] aangeleverde loonstroken vervalst. [eiser] heeft e-mails overgelegd waarin [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] , die zich presenteren als ‘stel’, een woning in Amsterdam proberen te huren met ingang van 1 augustus 2023.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 2] niet kan volstaan met de enkele stelling dat zij niet betrokken zou zijn geweest bij de door [eiser] gestelde gang van zaken en de hennepkwekerij. Hiervoor (onder randnummer 4.7.) is reeds vastgesteld dat [gedaagde sub 2] samen met [gedaagde sub 1] huurder is (geweest) van de van [eiser] gehuurde woning. Als zodanig is (ook) [gedaagde sub 2] reeds aansprakelijk voor gedragingen van degenen die zij in de woning heeft toegelaten in de zin van art. 7:219 BW. Dat [gedaagde sub 1] heeft verklaard verantwoordelijk te zijn voor de hennepkwekerij en de kosten doet daar verder niet aan af.
4.10.
Een bedrag van € 3.320,67 ziet op de kosten van de ontruiming en heraansluiting door Enexis. [gedaagde sub 2] heeft de hoogte van deze kosten niet betwist. [eiser] heeft een onderbouwing gegeven van deze kosten. De kantonrechter zal ook dit deel van de vordering toewijzen.
4.11.
[eiser] vordert € 2.052,12 aan kosten voor rechtsbijstand in de zienswijze procedure naar aanleiding van de voorgenomen sluiting. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gemotiveerd gesteld dat er een causaal verband is tussen de tekortkoming en deze kosten. [eiser] heeft de keuze gemaakt om een gemachtigde in te schakelen, terwijl dat niet is vereist. Bovendien vordert [eiser] ook de huur gedurende de periode van sluiting van de woning. [eiser] ging er kennelijk vanuit, mede gelet op de telefonische mededeling op 3 juni 2024, dat het indienen van de zienswijze niet tot een kortere sluitingsduur zou leiden. Waarom het desondanks nodig is geweest een slordige € 2.000,00 aan kosten te maken heeft [eiser] niet verklaard.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 21.260,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 15.280,67 met ingang van 1 juni 2024, over de huur van € 1.495,00 over de maanden juli 2024, augustus 2024, september 2024 en oktober 2024 met ingang van iedere 1ste van de maand tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.064,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op
22 oktober 2025.
BM