Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2025-01-28
ECLI:NL:RBLIM:2025:1026
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,055 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond toepassing schuldsaneringsregeling
Toezicht / insolventies
insolventienummer: C/03/25/4 R
Vonnis van 28 januari 2025
in de zaak van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ,
woonadres: [woonplaats] , [adres] ,
verzoekster.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Verzoekster heeft op 8 november 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
2.1.
Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3 lid 1 Insolventieverordening).
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Voldoende aannemelijk is dat ten aanzien van verzoekster is voldaan aan artikel 288 lid 1 Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
2.3.
Artikel 349a lid 1 Fw biedt de mogelijkheid om de termijn van de schuldsaneringsregeling te laten aanvangen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285, eerste lid, onder f, Fw.
Toepassing van artikel 349a lid 1 FW dient ambtshalve te geschieden (HR 20 december 2024, nr. 23/05009, ECLI:NL:HR:2024:1913, r.o. 3.7). Hierbij heeft te gelden dat een (resterende) termijn van zes maanden vanaf datum vonnis als uitgangspunt kan worden aangenomen als zijnde de termijn die een schuldsaneringsbewindvoerder nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitvoeren (zie voormelde uitspraak van de HR, r.o. 3.6.3.).
2.4.
Voldoende is aangetoond dat verzoeker in het kader van genoemde schuldregeling maximaal heeft gespaard, en wel reeds vanaf 11 april 2024. Om die reden zal de rechtbank - voorgaande overwegingen in acht nemend - de dag waarop de eerste aflossing is gedaan als bedoeld in art. 285, eerste lid, onder f, Fw bepalen op
11 april 2024, zodat de schuldsaneringsregeling in beginsel eindigt op 11 oktober 2025.
2.5.
Wel merkt de rechtbank in dit verband nog op dat het spaarbedrag op korte termijn op de boedelrekening moet worden gestort, omdat er anders een boedelachterstand ontstaat. Dit kan tot gevolg hebben dat de schuldsaneringsregeling wordt verlengd of zelfs voortijdig -zonder schone lei- wordt beëindigd.
2.6.
De regels van de schuldsanering zijn met verzoekster besproken. Een door verzoekster ondertekend exemplaar van deze regels is aan dit vonnis gehecht.
Dictum
De rechtbank
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ,
woonadres: [woonplaats] , [adres] ,
3.2.
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden, te rekenen
van 11 april 2024
3.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. G.M. Drenth,
en tot bewindvoerder E.M. van Ooijen,
correspondentieadres: Postbus 6212, 5600 HE Eindhoven;
3.4.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen voor de duur van dertien maanden of zoveel korter als de schuldsaneringsregeling duurt;
3.5.
verstaat dat alle gelegde bijzondere beslagen ten tijde van dit vonnis op het aan saniet toekomend loon en/of de uitkering(en) met onmiddellijke ingang komen te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025 in aanwezigheid van mr. R.H. Kessels, griffier.