Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-11-28
ECLI:NL:RBLIM:2024:8714
Civiel recht
Kort geding
5,686 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11364007 \ CV EXPL 24-5295
Vonnis in kort geding van 28 november 2024
in de zaak van
WONINGSTICHTING HEEMWONEN,
te Kerkrade,
eisende partij,
gemachtigde: mr. P.L.T. Roks,
tegen
[gedaagde]
,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [naam onderbewindgestelde], wonend te [woonplaats] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. S.X.J. Zuidema.
Partijen worden hierna Heemwonen en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 29 oktober 2024 met producties 1 tot en met 22;- de conclusie van antwoord;- de mondelinge behandeling van 14 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De goederen van [naam onderbewindgestelde] (hierna: [naam onderbewindgestelde] ) zijn door de kantonrechter onder bewind gesteld. [gedaagde] is door de kantonrechter tot bewindvoerder benoemd.
2.2.
Heemwonen verhuurt aan [naam onderbewindgestelde] de zelfstandige woonruimte staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde). Het gehuurde maakt onderdeel uit van een complex dat bestaat uit vier woonlagen met in totaal 39 woningen die aan een galerij zijn gelegen. Heemwonen is eigenaar van 27 van die woningen. De overige woningen zijn particulier bezit.
2.3.
Op 22 september 2024 heeft een incident plaatsgevonden tussen [naam onderbewindgestelde] en zijn buurman, tevens huurder van Heemwonen.
2.4.
De buurman van [naam onderbewindgestelde] heeft bij Heemwonen aangegeven zich niet langer veilig te voelen in het gehuurde als gevolg van het gedrag van [naam onderbewindgestelde] en verblijft tijdelijk elders.
2.5.
Bij e-mail van 10 oktober 2024 heeft Heemwonen de begeleiding van [naam onderbewindgestelde] bericht dat en waarom zij zal aansturen op een beëindiging van de huurovereenkomst en heeft de gemachtigde van Heemwonen [naam onderbewindgestelde] bericht dat een kort geding voorkomen kan worden als de huurovereenkomst wordt opgezegd vóór 14 oktober 2024 om 12:00 uur.
2.6.
[naam onderbewindgestelde] dan wel [gedaagde] hebben de huur niet opgezegd.
Geschil
3.1.
Heemwonen vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en in de proceskosten.
3.2.
Heemwonen legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [naam onderbewindgestelde] meerdere ernstige wanprestaties heeft gepleegd, waaronder de mishandeling van de buurman en het herhaaldelijk intrappen van zijn voordeur. Ook veroorzaakt [naam onderbewindgestelde] al langere tijd ernstige geluidsoverlast en heeft hij (telefonisch) agressief en dreigend gedrag getoond richting een medewerker van Heemwonen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Heemwonen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Heemwonen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Heemwonen in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of Heemwonen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.
4.2.
Heemwonen vordert ontruiming van het gehuurde op de grond dat [naam onderbewindgestelde] – kort gezegd – ernstige overlast veroorzaakt en agressief en dreigend gedrag vertoond. Een dergelijke vordering is naar haar aard spoedeisend. Dat [naam onderbewindgestelde] betwist te zorgen voor overlast, maakt dat niet anders. Bij de vraag of sprake is van een spoedeisend belang wordt namelijk alleen beoordeeld of het door Heemwonen in dat kader gestelde voldoende is en niet of het door haar gestelde juist is.
4.3.
[gedaagde] stelt zich tevens op het standpunt dat deze zaak in een bodemprocedure aan de rechtbank had moeten worden voorgelegd zodat de verwijten van [naam onderbewindgestelde] aan zijn buurman onderzocht kunnen worden en hij daarvan bewijs kan aanleveren. De kantonrechter begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagde] bedoelt dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist. Daarvan is op grond van artikel 256 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering sprake als de voorzieningenrechter onvoldoende inzicht in de zaak heeft kunnen verkrijgen om een beslissing te kunnen nemen of als de voorzieningenrechter de gevolgen van die beslissing onvoldoende kan overzien. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen sprake.
4.4.
De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Hiermee rekening houdende oordeelt de kantonrechter als volgt.
4.5.
Heemwonen heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam onderbewindgestelde] ernstige overlast veroorzaakt en dat [naam onderbewindgestelde] zich dreigend en agressief gedraagt. Heemwonen heeft namelijk verklaringen overgelegd van twee van haar medewerkers waaruit blijkt dat [naam onderbewindgestelde] op 24 september 2024 op de galerij van het wooncomplex dingen stond te schreeuwen over zijn buurman en dat er met een andere bewoner van het wooncomplex een woordenwisseling heeft plaatsgevonden die bijna uitliep op een vechtpartij (producties 6 en 7 bij dagvaarding). Tevens heeft Heemwonen een verklaring overgelegd van een andere bewoner van het wooncomplex waaruit blijkt dat [naam onderbewindgestelde] op 26 september 2024 ’s nachts tegen de voordeur van zijn buurman was aan het trappen omdat hij overlast van hem zou hebben, terwijl zijn buurman niet thuis was (productie 9 bij dagvaarding). Ook weegt de kantonrechter mee dat de begeleidster van [naam onderbewindgestelde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij constant tegen [naam onderbewindgestelde] zegt dat het niet zijn buurman is die hem uit de woning zet, maar Heemwonen, omdat zijn buurman anders gevaar loopt. Dit alles wijst erop dat escalatie van de situatie tussen [naam onderbewindgestelde] en zijn buurman aannemelijk is. Ook het door de kantonrechter waargenomen gedrag van [naam onderbewindgestelde] wijst daarop nu [naam onderbewindgestelde] tijdens de mondelinge behandeling een dreigende en agressieve houding aannam tegenover de kantonrechter, hij niet voor rede vatbaar was en daarom door de parketpolitie is meegenomen. Dat [naam onderbewindgestelde] hetgeen Heemwonen hem verwijt betwist, overigens zonder stukken die dat zouden onderbouwen zoals bijvoorbeeld verklaringen van zijn hulpverleners, maakt het voorgaande niet anders.
4.6.
Gelet op de aard van de overlast en de toenemende dreiging (zie rov. 4.5.), kan dit op zichzelf al worden aangemerkt als een ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichting van [naam onderbewindgestelde] om zich als een goed huurder te gedragen. Die verplichting volgt uit artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek. De andere verwijten van Heemwonen jegens [naam onderbewindgestelde] behoeven daarom geen bespreking en beoordeling meer.
4.7.
De overlast voor de omwonenden – waaronder ook huurders van Heemwonen – is wat betreft de aard en de dreigende escalatie dusdanig (zie rov. 4.5.) dat van Heemwonen niet gevergd kan worden [naam onderbewindgestelde] langer het gebruik van het gehuurde te verschaffen.
4.8.
Het verlies van het gehuurde is voor [naam onderbewindgestelde] ingrijpend. Toch acht de kantonrechter het belang van Heemwonen bij ontruiming van het gehuurde (veiligheid van omwonenden en respectering van hun rustig en ongestoord woongenot) zo zwaarwegend, dat afweging van het belang van [naam onderbewindgestelde] bij behoud van het gehuurde niet leidt tot het oordeel dat de ontruiming achterwege moet blijven. Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat de mentor van [naam onderbewindgestelde] volgens [gedaagde] heeft aangegeven dat het, nadat de crisisdienst van Mondriaan begin oktober 2024 geen criteria zag voor een crisisopname van [naam onderbewindgestelde] , nog niet is gelukt om [naam onderbewindgestelde] toe te leiden naar passende en noodzakelijke behandeling.
4.9.
Alles overziend acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Het verweer van [naam onderbewindgestelde] slaagt daarom niet. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen met dien verstande dat een ontruimingstermijn wordt gehanteerd van veertien dagen na betekening van dit vonnis nu [naam onderbewindgestelde] nog in het gehuurde woont.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Heemwonen zijn, te ontruimen, te verlaten en, met afgifte van de sleutels aan Heemwonen, ter vrije beschikking Heemwonen te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.214,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024.
CL
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11364007 \ CV EXPL 24-5295
Vonnis in kort geding van 28 november 2024
in de zaak van
WONINGSTICHTING HEEMWONEN,
te Kerkrade,
eisende partij,
gemachtigde: mr. P.L.T. Roks,
tegen
[gedaagde]
,
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [naam onderbewindgestelde], wonend te [woonplaats] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. S.X.J. Zuidema.
Partijen worden hierna Heemwonen en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 29 oktober 2024 met producties 1 tot en met 22;- de conclusie van antwoord;- de mondelinge behandeling van 14 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
De goederen van [naam onderbewindgestelde] (hierna: [naam onderbewindgestelde] ) zijn door de kantonrechter onder bewind gesteld. [gedaagde] is door de kantonrechter tot bewindvoerder benoemd.
2.2.
Heemwonen verhuurt aan [naam onderbewindgestelde] de zelfstandige woonruimte staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde). Het gehuurde maakt onderdeel uit van een complex dat bestaat uit vier woonlagen met in totaal 39 woningen die aan een galerij zijn gelegen. Heemwonen is eigenaar van 27 van die woningen. De overige woningen zijn particulier bezit.
2.3.
Op 22 september 2024 heeft een incident plaatsgevonden tussen [naam onderbewindgestelde] en zijn buurman, tevens huurder van Heemwonen.
2.4.
De buurman van [naam onderbewindgestelde] heeft bij Heemwonen aangegeven zich niet langer veilig te voelen in het gehuurde als gevolg van het gedrag van [naam onderbewindgestelde] en verblijft tijdelijk elders.
2.5.
Bij e-mail van 10 oktober 2024 heeft Heemwonen de begeleiding van [naam onderbewindgestelde] bericht dat en waarom zij zal aansturen op een beëindiging van de huurovereenkomst en heeft de gemachtigde van Heemwonen [naam onderbewindgestelde] bericht dat een kort geding voorkomen kan worden als de huurovereenkomst wordt opgezegd vóór 14 oktober 2024 om 12:00 uur.
2.6.
[naam onderbewindgestelde] dan wel [gedaagde] hebben de huur niet opgezegd.
Geschil
3.1.
Heemwonen vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en in de proceskosten.
3.2.
Heemwonen legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [naam onderbewindgestelde] meerdere ernstige wanprestaties heeft gepleegd, waaronder de mishandeling van de buurman en het herhaaldelijk intrappen van zijn voordeur. Ook veroorzaakt [naam onderbewindgestelde] al langere tijd ernstige geluidsoverlast en heeft hij (telefonisch) agressief en dreigend gedrag getoond richting een medewerker van Heemwonen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Heemwonen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Heemwonen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Heemwonen in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of Heemwonen ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.
4.2.
Heemwonen vordert ontruiming van het gehuurde op de grond dat [naam onderbewindgestelde] – kort gezegd – ernstige overlast veroorzaakt en agressief en dreigend gedrag vertoond. Een dergelijke vordering is naar haar aard spoedeisend. Dat [naam onderbewindgestelde] betwist te zorgen voor overlast, maakt dat niet anders. Bij de vraag of sprake is van een spoedeisend belang wordt namelijk alleen beoordeeld of het door Heemwonen in dat kader gestelde voldoende is en niet of het door haar gestelde juist is.
4.3.
[gedaagde] stelt zich tevens op het standpunt dat deze zaak in een bodemprocedure aan de rechtbank had moeten worden voorgelegd zodat de verwijten van [naam onderbewindgestelde] aan zijn buurman onderzocht kunnen worden en hij daarvan bewijs kan aanleveren. De kantonrechter begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagde] bedoelt dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist. Daarvan is op grond van artikel 256 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering sprake als de voorzieningenrechter onvoldoende inzicht in de zaak heeft kunnen verkrijgen om een beslissing te kunnen nemen of als de voorzieningenrechter de gevolgen van die beslissing onvoldoende kan overzien. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen sprake.
4.4.
De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Hiermee rekening houdende oordeelt de kantonrechter als volgt.
4.5.
Heemwonen heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam onderbewindgestelde] ernstige overlast veroorzaakt en dat [naam onderbewindgestelde] zich dreigend en agressief gedraagt. Heemwonen heeft namelijk verklaringen overgelegd van twee van haar medewerkers waaruit blijkt dat [naam onderbewindgestelde] op 24 september 2024 op de galerij van het wooncomplex dingen stond te schreeuwen over zijn buurman en dat er met een andere bewoner van het wooncomplex een woordenwisseling heeft plaatsgevonden die bijna uitliep op een vechtpartij (producties 6 en 7 bij dagvaarding). Tevens heeft Heemwonen een verklaring overgelegd van een andere bewoner van het wooncomplex waaruit blijkt dat [naam onderbewindgestelde] op 26 september 2024 ’s nachts tegen de voordeur van zijn buurman was aan het trappen omdat hij overlast van hem zou hebben, terwijl zijn buurman niet thuis was (productie 9 bij dagvaarding). Ook weegt de kantonrechter mee dat de begeleidster van [naam onderbewindgestelde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij constant tegen [naam onderbewindgestelde] zegt dat het niet zijn buurman is die hem uit de woning zet, maar Heemwonen, omdat zijn buurman anders gevaar loopt. Dit alles wijst erop dat escalatie van de situatie tussen [naam onderbewindgestelde] en zijn buurman aannemelijk is. Ook het door de kantonrechter waargenomen gedrag van [naam onderbewindgestelde] wijst daarop nu [naam onderbewindgestelde] tijdens de mondelinge behandeling een dreigende en agressieve houding aannam tegenover de kantonrechter, hij niet voor rede vatbaar was en daarom door de parketpolitie is meegenomen. Dat [naam onderbewindgestelde] hetgeen Heemwonen hem verwijt betwist, overigens zonder stukken die dat zouden onderbouwen zoals bijvoorbeeld verklaringen van zijn hulpverleners, maakt het voorgaande niet anders.
4.6.
Gelet op de aard van de overlast en de toenemende dreiging (zie rov. 4.5.), kan dit op zichzelf al worden aangemerkt als een ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichting van [naam onderbewindgestelde] om zich als een goed huurder te gedragen. Die verplichting volgt uit artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek. De andere verwijten van Heemwonen jegens [naam onderbewindgestelde] behoeven daarom geen bespreking en beoordeling meer.
4.7.
De overlast voor de omwonenden – waaronder ook huurders van Heemwonen – is wat betreft de aard en de dreigende escalatie dusdanig (zie rov. 4.5.) dat van Heemwonen niet gevergd kan worden [naam onderbewindgestelde] langer het gebruik van het gehuurde te verschaffen.
4.8.
Het verlies van het gehuurde is voor [naam onderbewindgestelde] ingrijpend. Toch acht de kantonrechter het belang van Heemwonen bij ontruiming van het gehuurde (veiligheid van omwonenden en respectering van hun rustig en ongestoord woongenot) zo zwaarwegend, dat afweging van het belang van [naam onderbewindgestelde] bij behoud van het gehuurde niet leidt tot het oordeel dat de ontruiming achterwege moet blijven. Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat de mentor van [naam onderbewindgestelde] volgens [gedaagde] heeft aangegeven dat het, nadat de crisisdienst van Mondriaan begin oktober 2024 geen criteria zag voor een crisisopname van [naam onderbewindgestelde] , nog niet is gelukt om [naam onderbewindgestelde] toe te leiden naar passende en noodzakelijke behandeling.
4.9.
Alles overziend acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Het verweer van [naam onderbewindgestelde] slaagt daarom niet. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen met dien verstande dat een ontruimingstermijn wordt gehanteerd van veertien dagen na betekening van dit vonnis nu [naam onderbewindgestelde] nog in het gehuurde woont.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Heemwonen zijn, te ontruimen, te verlaten en, met afgifte van de sleutels aan Heemwonen, ter vrije beschikking Heemwonen te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.214,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024.
CL