Rechtspraak Rechtbank Limburg 2024-11-21
ECLI:NL:RBLIM:2024:8458
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 22/169 en ROE 22/173 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2024 in de zaak tussen [eiser 1] , te [woonplaats 1] , eiser 1 en [eiser 2] , te [woonplaats 2] , eiser 2 (gemachtigde: mr. M.R.A. Armtz)beiden uit [plaats] , (gezamenlijk te noemen: eisers) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen (gemachtigden: mr. J.J. Pieters-Janssen en L. Elbertsen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het verkeersbesluit van het college waarmee een parkeerverbod ter hoogte van Thull 32-32a-32b is ingetrokken. 1.1. Het college heeft bij verkeersbesluit van 22 juni 2021 het parkeerverbod ingetrokken. Met het besluit van 7 december 2021 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven. 1.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eiser 2 en de gemachtigde van het college. Totstandkoming van het besluit 2. De rechtbank beoordeelt of het college het verkeersbesluit in redelijkheid kon nemen en de bezwaren van eisers ongegrond mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 5. Eisers zijn vader en zoon en wonen aan de [adres 1] in [plaats] . 6. Het college heeft naar aanleiding van verschillende meldingen van parkeeroverlast bij parkeerbesluit van 31 maart 2021 een parkeerverbod ingesteld ter hoogte van Thull 32-32a-32b . In het besluit staat (onder meer) dat er in de zijstraat Thull 32-32a-32b geen ruimte is om te parkeren; dat parkerende auto’s in de zijstraat niet gewenst zijn door de beperkte wegbreedte; dat de zijstraat toegankelijk dient te zijn voor calamiteiten voertuigen; dat de zijstraat bereikbaar blijft voor zowel automobilisten en fietsers door parkeren op de zijstraat te verbieden; dat de zijstraat bereikbaar dient te blijven voor o.a. landbouwvoertuigen door parkeren op straat te verbieden. 7. Naar aanleiding van hiertegen ingediende bezwaren is het college tot het inzicht gekomen dat de verkeersmaatregel bij nader inzien toch niet juist is geweest, waarop het college bij het besluit van 22 juni 2021 heeft besloten om het besluit tot het instellen van het parkeerverbod in te trekken. Achteraf zou het college te snel en op basis van een onvolledige kijk op de situatie een parkeerverbodzone hebben ingesteld. Naar aanleiding van een nadere beschouwing van de situatie is het instellen van de parkeerverbodzone ongedaan gemaakt, omdat een parkeerverbodzone ter plaatste, in het licht van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994), volgens het college onnodig en dus onwenselijk is. Wanneer artikel 5 van de Wvw 1994 wordt nageleefd kan de doorgang van voertuigen in de zijstraat ter hoogte van de nummers 32-32a-32b ongehinderd plaatsvinden en kan een parkeerverbod zone achterwege blijven. Dit is voorgelegd en akkoord bevonden door de Politie Limburg. 8. Bij het bestreden besluit heeft het college het door eisers ingediend bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt dat hij bij het nemen van verkeersbesluiten een ruime beoordelingsmarge heeft. Niet is gebleken dat eisers onevenredig zullen worden benadeeld door de intrekking van het verkeersbesluit, dan wel dat hierdoor een onduidelijke verkeerssituatie zou ontstaan. Wanneer artikel 5 van de Wvw wordt nageleefd kan de doorgang van voertuigen ongehinderd plaatsvinden en kan een parkeerverbodszone in Thull , bij de nummers 32-32a-32b achterwege blijven. Volgens het college zijn de betrokken verkeersbelangen, namelijk het bescherme In het kader van de belangenafweging acht de rechtbank van belang dat het college na minder dan één jaar tot een andere afweging over het opleggen van een parkeerverbod is gekomen. Immers, bij de oplegging van het parkeerverbod heeft het college het standpunt ingenomen dat het vanuit het oogpunt van artikel 2, eerste en tweede lid van de Wvw 1994, gewenst is om een parkeerverbod in te stellen. De verkeerssituatie is ter plaatse niet veranderd. Juist nu het college een tegenovergestelde visie heeft ingenomen en het parkeerverbod met het bestreden besluit heeft ingetrokken, is het van belang dat het bestreden besluit goed wordt gemotiveerd. Duidelijk moet worden waarom het college nu een ander besluit heeft genomen. Dit geldt temeer nu uit e-mails blijkt dat Veilig Verkeer Nederland heeft geadviseerd dat parkeren op deze plekken bij voorbaat zorgt voor een overtreding van artikel 5 Wvw 1994. Verweerder heeft daarover eerder overwogen dat het desondanks vanuit het kader van de handhaving wenselijk is dat er een parkeerverbod komt. Ter zitting is door eisers aangevoerd dat er regelmatig ter plaatste wordt geparkeerd en er feitelijk overtredingen van artikel 5 van de Wvw 1994 plaatsvinden, terwijl daartegen niet handhavend wordt opgetreden. Verweerder heeft dat niet bestreden. Verweerders eerdere inschatting van de moeilijke handhaafbaarheid van artikel 5 Wvw lijkt daardoor in de praktijk te worden bevestigd. Conclusie 14. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het niet zorgvuldig is voorbereid en ook onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit geen efficiënte wijze van afdoening is. Het college zal eerst onderzoek moeten doen naar de verkeerssituatie en naar de verkeersveiligheid. Op basis van dat onderzoek zal het college een nieuw besluit moeten nemen op de bezwaren van eisers en de bezwaren van omwonenden. Daarbij zal het college alle betrokken belangen tegen elkaar moeten afwegen. Dus ook de belangen van de omwonenden. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van 12 weken. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 15. Tot slot hebben eisers verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 16. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. 17. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 9 juli 2021 (eiser 1) en 27 juli 2021 (eiser 2), datum ontvangst van de bezwaarschriften door het college. Gelet op de datum van deze uitspraak (november 2024) is de redelijke termijn overschreden met ongeveer een jaar en vier/vijf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van schade van € 1.500,- voor ieder van eisers afzonderlijk. Die overschrijding is geheel te wijten aan de duur van de procedure bij de rechtbank. 18. Gelet op voorgaande komen eisers vergoeding van proceskosten toe voor het indienen van de verzoeken tot vergoeding van de immateriële schade. Er bestaat echter geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiser 1, omdat hij zich niet heeft laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Voor eiser 2 stelt de rechtbank de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek