Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-10-08
ECLI:NL:RBLIM:2024:8332
Civiel recht
Wraking
912 tokens
Dictum
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/334521 / HA RK 24-171
Dictum
op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. M. Sprakel, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.
Procesverloop
Op 10 september 2024 is ter griffie het verzoek tot wraking van verzoeker ontvangen in de zaak met nummer ROE 24 – 2779 WO.
De rechter heeft op 19 september 2024 de wrakingskamer bericht niet in het verzoek tot wraking te berusten en zij heeft de wrakingskamer een schriftelijke reactie doen toekomen.
2Het verzoek tot wraking
Verzoeker wraakt de rechter omdat de rechter de uitspraaktermijn zonder schriftelijke mededeling heeft verlengd. Er is sprake van schending van artikel 8:66, tweede en derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3Standpunt van de rechter
De rechter verwoordt dat normaliter na de zitting na verloop van 6 weken er een brief uitgaat met de mededeling dat de uitspraaktermijn wordt verlengd. In deze zaak is dat kennelijk niet gebeurd. De rechter heeft geprobeerd dit recht te zetten door middel van een brief met bericht over het verlengen van de termijn en met excuses. Deze brief is verzonden op 23 augustus 2024 naar het detentieadres van verzoeker in Leeuwarden. Op 3 september 2024 heeft de griffie van verzoeker bericht gekregen dat hij een ander verblijfadres heeft. Het is dus mogelijk dat deze brief niet, of pas later bij verzoeker is aangekomen door deze verhuizing.
De rechter merkt verder op dat weliswaar artikel 8:66 van de Awb een termijn van orde is, maar op overtreding daarvan geen sanctie staat (zie bijvoorbeeld ABRvS 18 juli 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0893).
Beoordeling
Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De rechter is gewraakt omdat zij de uitspraaktermijn zonder schriftelijke mededeling heeft verlengd. Er zou, aldus verzoeker sprake zijn van schending van artikel 8:66, tweede en derde lid, Awb.
Zoals de rechter in haar reactie terecht opmerkt is de termijn in artikel 8:66 Awb een termijn van orde. Op overschrijding van deze termijn staat echter geen sanctie. De rechter heeft na het constateren van de termijnoverschrijding (alsnog) een schriftelijke mededeling van verlenging met een excuus aan verzoeker uit laten gaan hetgeen naar het oordeel van de wrakingskamer betekent dat zij correct heeft gehandeld. Dat deze mededeling verzoeker wellicht niet heeft bereikt is niet aan de rechter te wijten.
Bovendien merkt de wrakingskamer op dat het hier om een procesbeslissing gaat die geen grond voor wraking kan vormen, temeer omdat verzoeker geen andere feiten of omstandigheden hieromtrent heeft aangevoerd.
De wraking is daarom ongegrond.
Gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 2, onder a, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg zal de wrakingskamer het verzoek zonder mondelinge behandeling ongegrond verklaren.
Dictum
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.M. Beije, mr. J. Schreurs-van de Langemheen en
mr. H.E.G. Peters, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.