Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-11-04
ECLI:NL:RBLIM:2024:7879
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,806 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/1078
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
30 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen
(gemachtigden: mr. Y. Schönfeld en [gemachtigde 2] ).
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2022 heeft verweerder een preventieve last onder dwangsom aan eiser opgelegd vanwege met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het pand aan de [adres] in [plaats] voor verhuur daarvan als Corona-testlocatie.
Verweerder heeft het daartegen indiende bezwaar van eiser op 1 augustus 2022 gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen met instandlating van de rechtsgevolgen en bepaald dat de beslissing op bezwaar in de plaats treedt van het primaire besluit.
Eiser heeft daartegen op 1 september 2022 beroep ingesteld (bekend onder zaaknummer ROE 22/2016). Op 15 februari 2023 heeft eiser dat beroep ingetrokken vanwege de omstandigheid dat de huurder van het pand heeft aangegeven van huur af te zien waardoor de strijdige verhuur is beëindigd.
Verweerder heeft op 5 april 2023 een, wat hij noemt, nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser genomen, kennelijk vanwege een aansprakelijkstelling door eiser van de gemeente voor schade wegens een volgens eiser onrechtmatig opgelegde preventie last onder dwangsom op 25 februari 2022. Verweerder heeft daarbij het eerdere besluit van 1 augustus 2022 herroepen, het bezwaar ongegrond verklaard en de preventieve last onder dwangsom van 25 februari 2022 in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.
Tegen de beslissing van 5 april 2023 heeft eiser op 15 mei 2023 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2024. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De bestuursrechter mag alleen oordelen over besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het moet daarvoor onder meer gaan om een schriftelijke beslissing die op rechtsgevolg is gericht.
2. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van verweerder van 5 april 2023 niet op rechtgevolg is gericht en daarmee dus geen sprake is van een besluit. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank namelijk gebleken dat met die beslissing twee dingen is beoogd, namelijk (1) het bezwaar van eiser alsnog ongegrond te verklaren en (2) te verduidelijken dat verweerder de preventieve last onder dwangsom van 25 februari 2022 onder aanvulling van de motivering in stand laat. Het alsnog ongegrond verklaren van het bezwaar en het in stand laten van de preventieve last onder dwangsom is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de voorgaande besluitvorming (het besluit van 1 augustus 2022), niet op enig rechtgevolg gericht.
3. Wat er is besloten op 1 augustus 2022, is namelijk direct van belang voor de vraag of de beslissing van 5 april 2023 rechtsgevolgen in het leven roept of niet. De rechtbank heeft overwogen dat in het besluit van 1 augustus 2022 een ongelukkige en innerlijk tegenstrijdige formulering staat over wat er door verweerder nu eigenlijk is besloten op het bezwaar van eiser. Partijen verschillen ook van mening over de inhoud van die beslissing. Het is daarom aan de rechtbank om uit te leggen wat er naar haar oordeel is besloten in het besluit van 1 augustus 2022. Als zij dat doet, dan is de rechtbank van oordeel dat de enige juiste uitleg van het besluit van 1 augustus 2022 is dat verweerder heeft bedoeld het bezwaar van eiser tegen de preventieve last van 25 februari 2022 gegrond te verklaren wegens het bestaan van zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken, maar tegelijkertijd alsnog aanvullend heeft gemotiveerd waarom volgens hem de preventieve last onder dwangsom op 25 februari 2022 kon worden opgelegd. Die preventieve last van 25 februari 2022 is naar het oordeel van de rechtbank, zeker in materiele zin, dus nooit opgehouden te bestaan met het besluit van 1 augustus 2022. Er staat namelijk in het besluit weliswaar dat het primaire besluit, de preventieve last van 25 februari 2022, wordt herroepen, maar mét instandhouding van de rechtgevolgen. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden afgeleid dan dat verweerder met dat besluit niet heeft beoogd een ander rechtsgevolg in het leven te roepen ten opzichte van de preventieve last onder dwangsom van 25 februari 2022.
Conclusie
5. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt en veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 875,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2024 door
mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 4 november 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.