Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-10-22
ECLI:NL:RBLIM:2024:7599
Civiel recht
Kort geding
2,032 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11357922 CV EXPL 24-5199
Vonnis in kort geding van 22 oktober 2024
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [handelsnaam],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mw. A. [eiser] ,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr R.L.H. Hambuckers.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de producties van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 22 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [gedaagde] .
Feiten
2.1.
[eiser] huurt twee bedrijfsruimten gelegen aan de [adres] en [adres] te [woonplaats 1] krachtens een huurovereenkomst met [gedaagde] . Het gehuurde wordt gebruikt voor de inkoop en verkoop van tweedehands auto’s. Op 24 oktober 2023 heeft [eiser] de huurovereenkomst opgezegd per 31 januari 2025.
2.2.
Na die opzegging is aan de goede verstandhouding een einde gekomen. Partijen zijn onder meer verdeeld over de eindafrekening over 2023. Op 6 oktober 2024 heeft [gedaagde] laten weten dat hij het huurgenot opschort. Op 10 oktober 2024 heeft [gedaagde] het gehuurde afgesloten van elektriciteit. Het voorschot voor de maand oktober 2024 ad € 100,00 stond toen (nog) open. Herstel via de netwerkbeheerder is niet mogelijk, omdat de stroom wordt ontvangen via een zonnestroominstallatie.
Geschil
3.1.
Haijout vordert - samengevat - [gedaagde] te veroordelen om (a) de elektriciteit weer aan te sluiten, (b) om [eiser] niet meer te belemmeren in het gebruik van het gehuurde en de opschorting van het huurgenot op te heffen, (c) tot het betalen van een schadevergoeding wegens niet gedraaide omzet en het niet kunnen uitoefenen van de bedrijfsvoering en (d) het betalen een boete van € 250,00 voor elke dag dat in het gehuurde geen gebruik kan worden gemaakt van de elektriciteit, alsook een veroordeling in de kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit het feit dat de elektriciteit van de, actief in gebruik zijnde, onderneming is afgesloten. Elektriciteit is essentieel voor het kunnen gebruiken van een bedrijfsruimte.
4.3.
Vaststaat dat [gedaagde] sedert 10 oktober 2024 de elektriciteit heeft afgesloten en dat de situatie tot op heden zo voortduurt. Voor de afsluiting is geen contractuele grond aan te wijzen. [gedaagde] dient als verhuurder te zorgen voor het ongehinderd gebruik van de elektriciteit. [gedaagde] noemt het afsluiten “een koekje van eigen deeg”. De kantonrechter is van oordeel dat deze wijze van handelen onrechtmatig is. Voor zover [gedaagde] van mening is dat sprake is van betalingsachterstanden, staan daar juridische wegen voor open. [gedaagde] heeft inmiddels een kort geding procedure aangespannen. Hij dient de uitkomst ervan af te wachten (dan wel een bodemprocedure aanhangig te maken). De thans door hem genomen maatregel veroorzaakt schade. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de elektriciteit zo spoedig mogelijk weer moet aansluiten en zal de onder a. gevorderde heraansluiting daarom toewijzen.
4.4.
Het onder b. (te ruim) gevorderde vat de kantonrechter zo (specifiek) op, dat tevens gevorderd is dat [gedaagde] de elektriciteit - uiteraard ook - aangesloten houdt tot aan het einde van het gebruik van het gehuurde. Dit zal op deze wijze worden toegewezen.
4.5.
De onder c. gevorderde schadevergoeding is niet gespecificeerd. De omvang is op dit moment ook anderszins onduidelijk en daarom in kort geding niet toewijsbaar. Dit zal worden afgewezen.
4.6.
Onder het onder d. gevorderde begrijpt de kantonrechter dat bedoeld is een dwangsom van € 250,00 per dag, althans de kantonrechter ziet aanleiding om dit zo (ruim) op te vatten. De kantonrechter heeft er namelijk onvoldoende vertrouwen in dat [gedaagde] uit zichzelf de elektriciteit zal aansluiten. De kantonrechter zal er wel een maximum aan verbinden van € 10.000,00.
4.7.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Haijout worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,99
- griffierecht
€
87,00
- verletkosten
€
50,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
384,99
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de stroom ten behoeve van het gehuurde aan te sluiten, en aangesloten te houden tot aan het einde van het gebruik van het gehuurde,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 384,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.
NIv