Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-09-25
ECLI:NL:RBLIM:2024:6715
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,879 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11068775 \ CV EXPL 24-2061
Vonnis van 25 september 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
gedagvaard “in de hoedanigheid van bestuurder en enig aandeelhouder Copubo Beheer B.V. KvK 78519152, h.o.d.n. Agin Otten Kvk 14089801”,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 11 producties - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Ondanks de aankondiging in de dagvaarding dat [eiser] een korte omschrijving van de feiten zal geven, heeft hij dat niet gedaan. [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord wel een toelichting gegeven op de voorgeschiedenis van deze zaak. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] bestuurder is van Copubo Beheer B.V., dat op haar beurt de aandelen houdt van [naam bv] welke laatste B.V. tevens handelt onder de naam AGIN Otten.
2.2.
AGIN Otten heeft in opdracht van de publiekrechtelijke rechtspersoon, het CAK een dwangbevel aan [eiser] betekend en beslag gelegd. Vervolgens ontving zowel [gedaagde] als een andere medewerker van AGIN Otten (ongedateerde) brieven van [eiser] , door hem aangeduid als “stuitingsbrief 30 oktober 2023”. In het onderstaande wordt een deel van een deze brieven weergegeven:
2.3.
Uit deze brief en uit productie 3 bij dagvaarding, door [eiser] aangeduid als “Quo Warranto 15 november 2023” begrijpt de rechtbank dat [eiser] het niet eens is met het dwangbevel.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.500,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot het nietig verklaren van de dagvaarding, tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
In artikel 111 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald aan welke eisen het exploot van een dagvaarding moet voldoen.
In lid 2 onder d. van dit artikel staat dat de dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet bevatten. In artikel 21 Rv staat dat partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid moeten aanvoeren en dat de rechter “daaruit de gevolgtrekkingen mag maken die hij geraden acht” als zij dat niet doen. In artikel 24 Rv staat dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering ten gronde hebben gelegd. In artikel 85 Rv is bepaald dat als een partij zich op een schriftelijk stuk beroept, hij dit moet overleggen. In de rechtspraak is bepaald dat als een partij zich op feiten of omstandigheden in door hem overgelegde stukken wil beroepen, die partij duidelijk moet maken wat hij met het overleggen van die stukken beoogt.
4.2.
Zoals al is overwogen heeft [eiser] volstaan met het overleggen van een stapel stukken en heeft hij geen omschrijving van de feiten gegeven. Hij vordert betaling van [gedaagde] van € 12.500,00. Hij schrijft dat hij dit doet vanwege:
a. Boete wegens onrechtmatige daad € 5.000,00
b. Beslagen opheffen, staken gestaakt houden
c. Direct opeisbare boete beslaglegging roerend goed civiel remedie x3
d. Direct opeisbare boete beslaglegging een privérekening Rabobank en ABN AMRObank á € 2.500,00 = € 5.000,00
e. Vergoeding gemaakte kosten productie 7.
4.3.
Verder schrijft hij: “Eiser heeft gedaagde gestuit productie 1 t/m 3, Gevorderd conform artikel 21 Rv productie 4 een authentieke Akte van Cessie, Ingebreke-gesteld art 6:82 BW productie 5 en in schuldeisersverzuim geplaatst art. 6:61 BW, 6:62 BW productie 6. Art 6:58 BW gedaagde[n] schuldeiser[s] [gedaagde] en behandelaar mevrouw [naam] ] zijn in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat zij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verlenen, waarvan Akte.”
4.4.
Een verdere toelichting of onderbouwing van zijn vordering heeft hij niet gegeven.
Hij heeft weliswaar een stapel producties bij de dagvaarding gevoegd, maar die zijn voor het grootste deel onbegrijpelijk.
Al bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] aangevoerd dat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen in de artikelen 111, 21 en 85 Rv en heeft hij een beroep op nietigheid gedaan. Hij heeft ook aangevoerd dat het hem niet duidelijk is waarom hij persoonlijk is gedagvaard en wat de grondslag is van de vordering. Bij repliek heeft [eiser] weliswaar gereageerd, maar deze reactie is nog onbegrijpelijker dan de dagvaarding zelf.
4.5.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat zelfs met een “welwillende lezing” van de processtukken van [eiser] met geen mogelijkheid is vast te stellen op welke grond hij meent een vordering van € 12.500,00 op [gedaagde] te hebben. Zijn vorderingen worden dan ook afgewezen.
4.6.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
3.256,00
(2,00 punten × € 1.628,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.391,00
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 3.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2024.