Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-09-25
ECLI:NL:RBLIM:2024:6713
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,620 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11058680 \ CV EXPL 24-1992
Vonnis van 25 september 2024
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
gemachtigde: P.M.F. Otten, Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
[gedaagde] huurt sinds 17 augustus 2019 van Weller de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde) tegen een maandelijkse huurprijs van € 656,97.
Geschil
3.1.
Weller vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van achterstallige huur van € 656,83, betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 119,21 inclusief btw en de wettelijke rente over de achterstand vanaf datum dagvaarding (10 april 2024), met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
Weller betoogt dat er tot en met april 2024 een huurachterstand is van € 656,83. In de dagvaarding stelt Weller dat [gedaagde] per 1 februari 2024 met de betaling van de huur in verzuim is. Als productie 3 heeft Weller een brief overgelegd waarin [gedaagde] is aangesproken voor het niet betalen van de huur van januari 2024.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en betwist de vordering. Onder overlegging van betaalbewijzen voert [gedaagde] - samengevat - aan dat Weller geen vordering op hem heeft. [gedaagde] voert aan dat hij eind 2023 Weller heeft verzocht om de huurbetalingen rond de 24e/25e van de maand te mogen voldoen. Uit de overlegde betaalbewijzen blijkt volgens [gedaagde] dat hij Weller volledig heeft betaald.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Weller heeft als producties 1 en 6 een overzicht in het geding gebracht, waaruit blijkt welke bedragen [gedaagde] dient te voldoen en welke betalingen Weller van [gedaagde] heeft ontvangen. Hieruit blijkt dat [gedaagde] in 2024 de huurbetalingen in de loop van de betreffende maand voldoet, rond de 25e. Conform de huurovereenkomst dient de huur echter vóór de eerste van de maand te zijn voldaan. Weller heeft betwist van [gedaagde] een voorstel te hebben ontvangen of te hebben geaccepteerd waarin [gedaagde] heeft verzocht om de huur op de 24e of 25e van de lopende maand te mogen voldoen. [gedaagde] heeft in deze procedure geen bewijs van het door hem gedane voorstel en de acceptatie hiervan door Weller overgelegd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat er geen andere afspraken zijn gemaakt ten aanzien van het tijdstip van de huurbetalingen. Gelet daarop dient de huur vóór de eerste van de betreffende maand te worden voldaan.
4.2.
Uit het overzicht van de betalingen (producties 1 en 6 van Weller) blijkt dat [gedaagde] op 25 januari 2024, 23 februari 2024, 25 maart 2024 en 24 april 2024 betalingen aan Weller heeft gedaan. Eveneens blijkt uit deze overzichten dat Weller de betaling van [gedaagde] van 25 januari 2024 heeft afgeboekt op de huur van februari 2024, de betaling van 23 februari 2024 op de huur van maart 2024, de betaling van 25 maart 2024 op de huur van april 2024 en de betaling van 24 april 2024 op de huur van mei 2024. Daarmee zou de huur van de maand januari 2024 nog niet voldaan zijn. Uit de overlegde betaalbewijzen van [gedaagde] blijkt dat [gedaagde] geen omschrijving of betalingskenmerk bij de betalingen heeft vermeld.
4.3.
Volgens artikel 6:43 lid 2 BW wordt een betaling, waarbij geen aanwijzing is gegeven waarop deze betrekking heeft, in eerste instantie toegerekend aan de opeisbare verbintenissen. Zijn er meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat Weller niet de correcte volgorde heeft aangehouden voor het afboeken van de ontvangen betalingen op 25 januari 2024, 23 februari 2024, 25 maart 2024 en 24 april 2024. Weller had de betaling van 25 januari 2024 moeten afboeken op de huur van januari 2024 en niet op die van februari 2024. De huur van februari 2024 was op dat moment namelijk nog niet opeisbaar, maar die van januari 2024 wel (zij het dat die betaling te laat was). De volgende betaling van 23 februari 2024 had Weller moeten afboeken op de huur van februari 2024 en niet op die van maart 2024. De huur van maart was op dat moment ook nog niet opeisbaar. Hetzelfde geldt voor de betaling op 25 maart 2024: deze moest afgeboekt worden op de huur van maart 2024 en niet op die van april 2024. Om dezelfde reden had de betaling van 24 april 2024 op de huur van april 2024 moeten worden afgeboekt en niet op die van mei 2024.
4.5.
Hieruit volgt dat ten tijde van de dagvaarding op 10 april 2024 de huur van april 2024 van € 656,83 nog niet was voldaan. [gedaagde] heeft middels het overgelegde betaalbewijs van € 656,97 aangetoond dat hij deze op 24 april 2024 alsnog heeft betaald. Deze betaling is bovendien door Weller opgenomen in haar overzicht van productie 6. Daarmee staat vast dat deze betaling door Weller is ontvangen. Het betaalde bedrag van € 656,97 zal ex artikel 6:44 BW in mindering moeten worden gebracht op gevorderde hoofdsom, maar eerst op de wettelijke rente (zie hierna rov. 4.6).
4.6.
De huur over de maand april 2024 is dus op 24 april 2024 betaald en gezien hetgeen overwogen in rov. 4.1 daarmee te laat betaald. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (10 april 2024) tot 24 april 2024.
4.7.
Weller vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt op grond van artikel 6:96 lid 6 BW echter niet voor toewijzing in aanmerking nu gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voor de huur van april 2024 heeft plaatsgevonden.
4.8.
[gedaagde] wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
328,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
802,89
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Weller te betalen een bedrag van € 656,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 april 2024 tot 24 april 2024,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 802,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verstaat dat het door [gedaagde] op 24 april 2024 betaalde bedrag van € 656,97 op de in onderdeel 5.1. genoemde veroordeling in mindering strekt overeenkomstig de regels van artikel 6:44 BW,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op
25 september 2024.
VC
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11058680 \ CV EXPL 24-1992
Vonnis van 25 september 2024
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
gemachtigde: P.M.F. Otten, Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
[gedaagde] huurt sinds 17 augustus 2019 van Weller de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde) tegen een maandelijkse huurprijs van € 656,97.
Geschil
3.1.
Weller vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van achterstallige huur van € 656,83, betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 119,21 inclusief btw en de wettelijke rente over de achterstand vanaf datum dagvaarding (10 april 2024), met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
Weller betoogt dat er tot en met april 2024 een huurachterstand is van € 656,83. In de dagvaarding stelt Weller dat [gedaagde] per 1 februari 2024 met de betaling van de huur in verzuim is. Als productie 3 heeft Weller een brief overgelegd waarin [gedaagde] is aangesproken voor het niet betalen van de huur van januari 2024.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en betwist de vordering. Onder overlegging van betaalbewijzen voert [gedaagde] - samengevat - aan dat Weller geen vordering op hem heeft. [gedaagde] voert aan dat hij eind 2023 Weller heeft verzocht om de huurbetalingen rond de 24e/25e van de maand te mogen voldoen. Uit de overlegde betaalbewijzen blijkt volgens [gedaagde] dat hij Weller volledig heeft betaald.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Weller heeft als producties 1 en 6 een overzicht in het geding gebracht, waaruit blijkt welke bedragen [gedaagde] dient te voldoen en welke betalingen Weller van [gedaagde] heeft ontvangen. Hieruit blijkt dat [gedaagde] in 2024 de huurbetalingen in de loop van de betreffende maand voldoet, rond de 25e. Conform de huurovereenkomst dient de huur echter vóór de eerste van de maand te zijn voldaan. Weller heeft betwist van [gedaagde] een voorstel te hebben ontvangen of te hebben geaccepteerd waarin [gedaagde] heeft verzocht om de huur op de 24e of 25e van de lopende maand te mogen voldoen. [gedaagde] heeft in deze procedure geen bewijs van het door hem gedane voorstel en de acceptatie hiervan door Weller overgelegd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat er geen andere afspraken zijn gemaakt ten aanzien van het tijdstip van de huurbetalingen. Gelet daarop dient de huur vóór de eerste van de betreffende maand te worden voldaan.
4.2.
Uit het overzicht van de betalingen (producties 1 en 6 van Weller) blijkt dat [gedaagde] op 25 januari 2024, 23 februari 2024, 25 maart 2024 en 24 april 2024 betalingen aan Weller heeft gedaan. Eveneens blijkt uit deze overzichten dat Weller de betaling van [gedaagde] van 25 januari 2024 heeft afgeboekt op de huur van februari 2024, de betaling van 23 februari 2024 op de huur van maart 2024, de betaling van 25 maart 2024 op de huur van april 2024 en de betaling van 24 april 2024 op de huur van mei 2024. Daarmee zou de huur van de maand januari 2024 nog niet voldaan zijn. Uit de overlegde betaalbewijzen van [gedaagde] blijkt dat [gedaagde] geen omschrijving of betalingskenmerk bij de betalingen heeft vermeld.
4.3.
Volgens artikel 6:43 lid 2 BW wordt een betaling, waarbij geen aanwijzing is gegeven waarop deze betrekking heeft, in eerste instantie toegerekend aan de opeisbare verbintenissen. Zijn er meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat Weller niet de correcte volgorde heeft aangehouden voor het afboeken van de ontvangen betalingen op 25 januari 2024, 23 februari 2024, 25 maart 2024 en 24 april 2024. Weller had de betaling van 25 januari 2024 moeten afboeken op de huur van januari 2024 en niet op die van februari 2024. De huur van februari 2024 was op dat moment namelijk nog niet opeisbaar, maar die van januari 2024 wel (zij het dat die betaling te laat was). De volgende betaling van 23 februari 2024 had Weller moeten afboeken op de huur van februari 2024 en niet op die van maart 2024. De huur van maart was op dat moment ook nog niet opeisbaar. Hetzelfde geldt voor de betaling op 25 maart 2024: deze moest afgeboekt worden op de huur van maart 2024 en niet op die van april 2024. Om dezelfde reden had de betaling van 24 april 2024 op de huur van april 2024 moeten worden afgeboekt en niet op die van mei 2024.
4.5.
Hieruit volgt dat ten tijde van de dagvaarding op 10 april 2024 de huur van april 2024 van € 656,83 nog niet was voldaan. [gedaagde] heeft middels het overgelegde betaalbewijs van € 656,97 aangetoond dat hij deze op 24 april 2024 alsnog heeft betaald. Deze betaling is bovendien door Weller opgenomen in haar overzicht van productie 6. Daarmee staat vast dat deze betaling door Weller is ontvangen. Het betaalde bedrag van € 656,97 zal ex artikel 6:44 BW in mindering moeten worden gebracht op gevorderde hoofdsom, maar eerst op de wettelijke rente (zie hierna rov. 4.6).
4.6.
De huur over de maand april 2024 is dus op 24 april 2024 betaald en gezien hetgeen overwogen in rov. 4.1 daarmee te laat betaald. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (10 april 2024) tot 24 april 2024.
4.7.
Weller vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt op grond van artikel 6:96 lid 6 BW echter niet voor toewijzing in aanmerking nu gesteld noch gebleken is dat een kosteloze aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voor de huur van april 2024 heeft plaatsgevonden.
4.8.
[gedaagde] wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
328,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
802,89
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Weller te betalen een bedrag van € 656,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 april 2024 tot 24 april 2024,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 802,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verstaat dat het door [gedaagde] op 24 april 2024 betaalde bedrag van € 656,97 op de in onderdeel 5.1. genoemde veroordeling in mindering strekt overeenkomstig de regels van artikel 6:44 BW,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op
25 september 2024.
VC