Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-09-18
ECLI:NL:RBLIM:2024:6449
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,903 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11106505 \ CV EXPL 24-2464
Vonnis van 18 september 2024
in de zaak van
COEO SECURITISATION LIMITED,
gevestigd te Dublin, Ierland,
eisende partij,
hierna te noemen: Coeo,
gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Kubus Bewindvoering.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
[gedaagde] heeft op of omstreeks 21 november 2022 meerdere zaken besteld via de website van Zalando SE (hierna: Zalando). Er is sprake van een consumentenkoop op afstand tussen Zalando en [gedaagde] . [gedaagde] heeft gekozen voor de mogelijkheid om achteraf te betalen. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling.
Geschil
3.1.
Coeo vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 290,65, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 234,12 vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vordering voert Coeo (samengevat) het volgende aan. Tussen Zalando en [gedaagde] is een koopovereenkomst tot stand gekomen, waarbij [gedaagde] voor een bedrag van € 234,12 aan zaken heeft gekocht en geleverd heeft gekregen. Zalando heeft haar vordering op [gedaagde] overgedragen aan Zalando Payments GmbH. Zalando Payments GmbH heeft de vordering vervolgens verkocht aan Coeo. Coeo vordert nakoming van de koopovereenkomst. Doordat [gedaagde] de facturen onbetaald heeft gelaten, maakt Coeo aanspraak op de wettelijke rente. Coeo berekent de wettelijke rente vanaf 6 december 2022 tot 19 april 2024 op € 16,53. Voorts stelt Coeo dat aan haar een vergoeding van € 40,00 voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] geeft te kennen dat voor haar een onderbewindstelling en mentorschap zijn aangevraagd. Inhoudelijk wordt er niet op de stellingen van Coeo gereageerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat het geschil een internationaal karakter draagt omdat Coeo in Ierland is gevestigd. Allereerst dient daarom ambtshalve te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en welk recht op het geschil van toepassing is.
4.2.
Op grond van artikel 18 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 is de Nederlandse rechter bevoegd om van dit geschil kennis te nemen, omdat dit geschil ziet op een consumentenovereenkomst en de rechtsvordering wordt ingesteld tegen [gedaagde] als consument die woonachtig is in Nederland. Op dit geschil is Nederlands recht van toepassing conform artikel 6 van de Verordening (EU) nr. 593/2008.
4.3.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil naar Nederlands recht.
4.4.
[gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde hoofdsom van € 234,12 zodat deze als niet weersproken tussen partijen vast staat en als onvoldoende betwist zal worden toegewezen.
4.5.
De gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Coeo stelt dat in deze zaak een verzuimtermijn geldt van veertien dagen na factuurdatum. Onduidelijk is waarop deze termijn is gebaseerd. Op de facturen staat geen betalingstermijn. Evenmin heeft Coeo gesteld dat deze termijn met [gedaagde] is overeengekomen. Op grond van deze overwegingen is de wettelijke rente tot de dag van de dagvaarding niet toewijsbaar, omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] tot die datum in verzuim verkeerde. Wel zal de wettelijke rente over de hoofdsom worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 19 april 2024. Door de dagvaarding is in elk geval verzuim ingetreden.
4.6.
Coeo vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Alvorens aanspraak bestaat op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, moet kunnen worden vastgesteld dat, en met ingang van welke datum, [gedaagde] in verzuim is. Coeo stelt dat er een verzuimtermijn geldt van veertien dagen na factuurdatum. Zoals uit voorgaande blijkt, heeft Coeo nagelaten om op de facturen een betalingstermijn te vermelden. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat de veertiendagenbrief is gestuurd nadat [gedaagde] in verzuim is geraakt, zodat de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.
4.7.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Coeo worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
130,00
- salaris gemachtigde
€
164,00
(2,00 punten × € 82,00)
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
427,54
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Coeo te betalen een bedrag van € 234,12, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 427,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2024.
VC