Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-09-04
ECLI:NL:RBLIM:2024:5973
Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,278 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 10930178 \ CV EXPL 24-761
Vonnis van 4 september 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. K.M. van Boven,
tegen
1de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] ,
gevestigd te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [bedrijfsnaam] ,2. [vennoot X],
wonende te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [vennoot X] ,3. [vennoot Y],
wonende te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [vennoot Y] ,
gedaagde partijen,
[bedrijfsnaam] , [vennoot X] en [vennoot Y] hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - een aanvulling op de conclusie van antwoord van 15 maart 2024
- een akte met aanvullende producties aan de zijde van [eiser] - de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 7 augustus 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door [eiser] spreekaantekeningen in het geding zijn gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] is professioneel fotograaf en handelt onder de naam [naam X] . [eiser] houdt zich bezig met het in opdracht maken van foto’s en het beheren van een beeldbank met foto’s, die tegen betaling gepubliceerd mogen worden.
2.2.
[eiser] heeft de foto ‘ [fotonaam] ’ (hierna te noemen: de foto) gemaakt.
2.3.
[bedrijfsnaam] is een reclamebureau dat zich onder andere bezig houdt met adviezen voor bedrijven met betrekking tot dagdeal-reclames op internet en andere vormen van reclame. [bedrijfsnaam] biedt zo ook dagdeals aan op haar website enkele-dagen-weg.nl. [vennoot X] en [vennoot Y] zijn de vennoten van [bedrijfsnaam] .
2.4.
[gedaagden] heeft de foto van [eiser] zonder toestemming en zonder naamsvermelding op haar website www.enkele-dagen-weg.nl geplaatst.
2.5.
[gedaagden] heeft de foto na een sommatie van de gemachtigde van [eiser] meteen verwijderd.
2.6.
[eiser] vordert dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 525,- aan schadevergoeding wegens inbreuk op zijn auteursrecht.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bepaalt dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag ad € 525,- aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2023 tot de dag der algehele voldoening, dan wel een bedrag zoals het U.E. Kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;
[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten:
a. primair:
i. ex art. 1019h Rv ter hoogte van € 419,47;
b. subsidiair:
i. ex art. 6:96 lid 2 sub b BW ter hoogte van € 74,02; en
ii. ex art. 6:96 lid 2 sub c BW ter hoogte van € 78,75;
3. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure:
a. primair:
i. ex art. 1019h Rv categorie eenvoudig waaronder € 419,47, maar blijkens de laatste akte in totaal € 863,62, aan salaris gemachtigde tot en met de dagvaarding te vermeerderen met het griffierecht en de kosten voor de deurwaarder;
b. subsidiair:
i. een significant en passend deel van de redelijke kosten voor het salaris gemachtigde, het griffierecht en de kosten voor de deurwaarder;
4. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot het voldoen van de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv;
5. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf de datum van betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.
3.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
Beoordeling
Inbreuk auteursrecht
4.1.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagden] een inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrecht, waardoor hij schade heeft geleden. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt [eiser] dat de foto het resultaat is van de eigen, oorspronkelijke en creatieve keuzes van [eiser] , nu hij bij het maken van de foto keuzes heeft gemaakt over onder meer de door hem te gebruiken lens, de locatie, de hoek van het beeld en het moment waarop de foto is genomen. Verder stelt hij dat de foto met vermelding van zijn naam als maker rechtmatig openbaar is gemaakt in de eigen beeldbank van [eiser] , waaruit blijkt dat [eiser] de auteursrechthebbende is op de foto. [gedaagden] heeft de foto openbaar gemaakt op haar website, zonder de voorafgaande toestemming van [eiser] en zonder vermelding van zijn naam als maker, reden waarom zij de hierdoor door [eiser] geleden schade dient te vergoeden, aldus [eiser] .
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] op zichzelf niet bestrijdt dat de foto auteursrechtelijk is beschermd en dat de hierop rustende auteursrechten toekomen aan [eiser] , zodat dit vaststaat en bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt wordt genomen. Daarnaast erkent [gedaagden] dat zij inderdaad, zonder voorafgaande toestemming van [eiser] en zonder vermelding van zijn naam als maker, de foto op haar website openbaar heeft gemaakt. [gedaagden] heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de auteursrechten van [eiser] . Ingevolge artikel 27 van de Auteurswet (hierna: Aw) kan de maker een rechtsvordering tot verkrijging van schadevergoeding instellen tegen degene die inbreuk op zijn auteursrecht heeft gemaakt.
4.3.
[gedaagden] voert als verweer dat zij zich niet ervan bewust was dat dit een overtreding van de Auteurswet oplevert en dat zij aldus niet te kwader trouw heeft gehandeld. Dit verweer slaagt niet, omdat de Auteurswet voor een inbreuk op een auteursrecht geen opzet of kwade trouw vereist. Van [gedaagden] mocht worden verwacht dat zij onderzoek zou doen om na te gaan of de foto auteursrechtelijk beschermd is. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling vastgesteld dat [gedaagden] , anders dan zij betoogt, op eenvoudige wijze de naamsvermelding van [eiser] had kunnen ontdekken. Bij het zoeken naar de foto via Google verschijnt deze zoals destijds gepubliceerd in het Algemeen Dagblad (AD). Wanneer men op de foto klikt en vervolgens de bijbehorende link selecteert, wordt men doorgestuurd naar de publicatie in het AD, waar de naam van [eiser] is vermeld. Het betoog van [gedaagden] dat zij de betreffende foto niet uit het AD heeft gehaald, maar dat zij deze zonder naams- of bronvermelding op internet heeft gevonden, kan - zelfs als dit juist zou zijn - niet tot een ander oordeel leiden. Het had immers – zoals gezegd – op de weg van [gedaagden] geleden om onderzoek te doen, waarna zij de naamsvermelding had kunnen achterhalen door simpelweg even verder te kijken op Google. Als [gedaagden] de rechthebbende niet had kunnen achterhalen, had zij behoren af te zien van het publiceren van de foto. Het verdere door [gedaagden] aangevoerde verweer dat het op de weg van [eiser] had geleden om zijn foto’s te voorzien van een beeldkenmerk om misverstanden te voorkomen, slaagt evenmin, nu op [eiser] geen verplichting rust om zo’n beeldkenmerk te plaatsen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] [eiser] de vraag gesteld waarom hij zijn foto’s niet standaard voorziet van een beeldkenmerk om verwarring – en daarmee procedures met alle kosten van dien – te voorkomen. Het betoog van [eiser] dat luidt dat de meeste klanten een ‘schone’ foto, zonder copyright-teken, wensen en dat dit teken om die reden vaak niet op foto’s is weergegeven, acht de kantonrechter begrijpelijk. Op basis hiervan kan in ieder geval niet worden geoordeeld, voor zover [gedaagden] dit heeft willen betogen, dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend. Het verweer van [gedaagden] dat de foto direct na aanschrijving van de website is verwijderd, kan [gedaagden] evenmin baten nu met het plaatsen van de foto op de website zonder licentie de inbreuk reeds is gemaakt. Ten slotte kunnen de door [gedaagden] in de conclusie van antwoord opgenomen vragen niet tot een ander oordeel leiden. Het antwoord op die vragen doet namelijk niets af aan het bestaan van de inbreuk.
Schadevergoeding
4.4.
Aangezien [gedaagden] inbreuk heeft gepleegd op de auteursrechten van [eiser] , dient zij de door [eiser] geleden schade aan hem te vergoeden. De schade bestaat volgens [eiser] uit de door hem gederfde licentie inkomsten. Wat de hoogte van deze gederfde licentie inkomsten (en dus de door [eiser] geleden schade) is, is niet exact vast te stellen. In de ‘denkbeeldig rechtmatige situatie’ dat [gedaagden] namelijk wel betaald zou hebben voor het gebruik van de foto, weet [eiser] namelijk niet voor hoeveel jaren de licentie dan zou zijn gekocht, en of [gedaagden] dan zou hebben gekozen voor de licentie voor het gebruik van de foto met naamsvermelding of de licentie zonder naamsvermelding. Om die reden dient de schade van [eiser] te worden begroot.
4.5.
[eiser] doet dat door aan te haken bij het gemiddelde van zijn eigen gebruikelijke licentievergoedingen voor de duur van één jaar. [eiser] stelt in dit kader dat zijn gebruikelijke licentievergoeding € 350,- per jaar bedraagt, voor een foto met naamsvermelding. [eiser] stelt verder dat hij voor het gebruik van een foto zonder naamsvermelding, zoals in dit geval aan de orde is, een hoger tarief van € 700,- hanteert. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst [eiser] naar zijn eigen website en een aantal door hem overgelegde facturen (prod. 6), waaruit zijn tarief blijkt. [gedaagden] betwist de door [eiser] gehanteerde tarieven en betoogt dat zij foto’s op internet kan kopen voor € 20,- tot € 50,-.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd wat de gebruikelijke tarieven zijn die door hem worden gehanteerd, waarmee [eiser] ook de begroting van zijn schade afdoende heeft onderbouwd. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van [gedaagden] dat zij het gevraagde bedrag te hoog en derhalve niet marktconform acht, nu dit verweer geenszins is onderbouwd. Ook betoogt [gedaagden] weliswaar dat een waarschuwing (de kantonrechter begrijpt: zonder aanspraak te maken op schadevergoeding) op zijn plaats was geweest, maar dit baat haar niet. Het staat een partij die schade heeft geleden nou eenmaal vrij om vergoeding daarvan te verlangen. De kantonrechter oordeelt daarom dat de gevorderde schadevergoeding van € 525,- toewijsbaar is.
Wettelijke rente
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de voornoemde schadevergoeding ad € 525,- zal worden toegewezen, nu [eiser] onweersproken heeft gesteld dat [gedaagden] vanaf 2 november 2023 in verzuim verkeert.
Buitengerechtelijke kosten en proceskosten
4.8.
[eiser] vordert primair een vergoeding van reële proceskosten en buitengerechtelijke kosten. [eiser] heeft hiertoe een specificatie van kosten van zijn gemachtigde overgelegd (prod. 9 dagvaarding en prod. 12 akte aanvullende producties). [gedaagden] verzet zich daartegen. Zij vindt de gevorderde vergoeding veel te hoog.
4.9.
Voor zaken betreffende het intellectuele eigendom – zoals in deze zaak het auteursrecht – bestaat een bijzondere wettelijke regeling voor vergoeding van deze (buitengerechtelijke en gerechtelijke) kosten. De betreffende wettelijke regeling is neergelegd in artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Dit artikel is de implementatie van artikel 14 van Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (de Handhavingsrichtlijn).
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van het bedrag ad € 525,- aan schadevergoeding en een bedrag van € 78,75 aan incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 525,00 vanaf 2 november 2023 tot de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 604,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] , hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2024.
DV
Beoordeling
Hierin is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat in procedures inzake de handhaving van intellectuele eigendomsrechten de redelijke en evenredige gerechtskosten (onderstreping kantonrechter) en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De vraag wat onder redelijke en evenredige kosten moet worden verstaan, dient te worden beantwoord aan de hand van de daarvoor door de rechtbanken opgestelde ‘Indicatietarieven in IE-zaken’ van 1 april 2017. Deze tarieven doen, anders dan [eiser] betoogt, geen afbreuk aan de regel dat in beginsel redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten worden vergoed; zij geven een indicatie van het maximale bedrag aan proceskosten dat in het algemeen als redelijk en evenredig kan worden aangemerkt. In deze indicatietarieven is een onderverdeling gemaakt in vier categorieën van zeer eenvoudig, niet bewerkelijk tot complex. Voor zeer eenvoudige en niet bewerkelijke zaken geldt het gewone liquidatietarief als ook toegepast in ‘reguliere’ procedures. Voor de overige drie categorieën zijn maximale bedragen begroot.
4.10.
De kantonrechter oordeelt dat deze zaak moet worden aangemerkt als een zeer eenvoudige en niet bewerkelijke zaak. Daarvoor is redengevend dat het financiële belang van de zaak relatief klein is, de zaak een zeer beperkt en niet betwist feitencomplex heeft en dat [gedaagden] slechts op een beperkte aantal punten verweer heeft gevoerd. [eiser] voert aan dat het hem veel tijd kost om zijn rechten te handhaven en dat handhaven van zijn auteursrechten per saldo meer kost dan de schade- en kostenvergoeding die hij toegewezen krijgt, maar dit kan niet tot een ander oordeel leiden. [eiser] heeft er zelf voor gekozen om tegen [gedaagden] een zaak te starten, daarbij een advocaat in de arm te nemen, uitgebreide correspondentie op te (laten) stellen en nog een aanvullende akte te nemen voorafgaand aan de mondelinge behandeling en ten behoeve daarvan spreekaantekening op te (doen) stellen. De gevolgen van deze keuzes, te weten dat de kosten oplopen, komen daarom voor zijn rekening. Daarnaast geldt, anders dan [eiser] lijkt te betogen dat de Handhavingsrichtlijn niet voorschrijft dat de kosten die verbonden zijn aan het opstarten van een procedure in hun geheel worden vergoed. Het gegeven dat mogelijk niet álle kosten worden vergoed is – net zoals bij het voeren van een ‘reguliere’ procedure – inherent aan het ondernemen van juridische stappen. Het feit dat een mondelinge behandeling is bepaald, terwijl dat voor [eiser] niet had gehoeven, leidt ook niet tot een ander oordeel. Voor alle zaken waarin een mondelinge behandeling wordt bepaald, geldt dat partijen zich daarvoor vrij dienen te maken en in meer of mindere mate reistijd hebben. Hiermee dient een partij die een procedure start rekening te houden. De kantonrechter heeft geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de wetgever een uitzondering heeft willen maken voor dit type zaken. Dit maakt in ieder geval niet dat de zaak niet meer als een “zeer eenvoudige niet bewerkelijke zaak” kan worden gekwalificeerd. De kantonrechter neemt tot slot ook in overweging dat de inbreuk niet opzettelijk is gepleegd. De wetgever maakte bij de invoering van artikel 1019h Rv al onderscheid tussen een zaak waarin de inbreukpleger te goeder trouw heeft gehandeld (in welk geval volgens de wetgever het dan meer voor de hand ligt het liquidatietarief toe te passen) en zaken waarin het gaat om grootschalige namaak of piraterij (in welk geval volgens de wetgever een volledige proceskostenveroordeling meer voor de hand ligt).
4.11.
Gelet op dit alles zullen de kosten voor de gemachtigde in lijn met de door de rechtspraak opgestelde leidraad “Indicatietarieven in IE-zaken” worden begroot conform het toepasselijke liquidatietarief in kantonzaken. De door [eiser] gevorderde kosten van zijn gemachtigde worden wat betreft de proceskosten tot een bedrag van € 202,50 (1 punt van € 135,- voor de dagvaarding en een 0,5 punt voor de mondelinge behandeling aangezien de gemachtigde daarbij niet aanwezig was, maar ten behoeve daarvan kennelijk wel spreekaantekeningen heeft opgesteld) redelijk en evenredig geoordeeld en toegewezen (conform het liquidatietarief kanton per 1 februari 2024).
4.11.1.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Wat betreft deze buitengerechtelijke kosten zal – in lijn met voornoemde redenering om te komen tot een redelijke en evenredige begroting van de proceskosten – het wettelijke tarief opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegepast. [eiser] heeft een specificatie van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten overgelegd (prod. 7 dagvaarding). De vordering tot vergoeding van deze kosten wordt toegewezen tot een bedrag van € 78,75, welk bedrag is berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het meerdere wordt afgewezen omdat dit het in het Besluit bepaalde tarief te boven gaat.
4.12.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,39
- griffierecht
€
218,00
- salaris gemachtigde
€
202,50
(1,5 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
604,39
4.12.1.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de manier zoals vermeld in de beslissing.