Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-06-26
ECLI:NL:RBLIM:2024:3780
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,198 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 21/3244
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Minister van Defensie, verweerder,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op zijn Wob-verzoek van 5 januari 2021.
1.1.
Verweerder heeft op 26 februari 2021 op dit verzoek beslist (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 27 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op 6 maart 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. In dit verweerschrift is verweerder eiser deels tegenmoet gekomen door alsnog een document (gedeeltelijk) openbaar te maken.
1.3.
Verweerder heeft de (ongelakte versie van de) documenten die onder het Wob-verzoek vallen naar de rechtbank toegestuurd. Daarbij is onder toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken zal kennisnemen. Met toestemming van eiser heeft de rechtbank deze stukken ingezien.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 5 januari 2021 heeft eiser een Wob-verzoek ingediend. Eiser verzoekt om:
afgifte van een cijfermatig overzicht met betrekking tot alle kosten die het Ministerie van Defensie t/m heden heeft gemaakt met betrekking tot het jarenlange geschil met ondergetekende;
een specificatie waaruit deze kosten hebben bestaan;
de titel/omschrijving waaronder deze kosten door het Ministerie van Defensie zijn betaald aan de Landsadvocaat, mr. Pasman (2014) en [naam] (2014).
2.1.
Per e-mail van 21 januari 2021 heeft eiser zijn verzoek verduidelijkt. Hij schrijft:
“(…) Mijn verzoek houdt ook in dat ik graag openheid wens mbt de wijze waarop al deze kosten zijn weggeschreven. Maw: welke titel is er door Defensie aan de betaling van deze kosten gegeven. Ook zie ik naast de totale kosten die gemaakt zijn door de Landsadvocaat graag alle specificaties tegemoet. Immers er zijn door Defensie ook kosten gemaakt in eerdere Wob procedures.”
3. Met het primaire besluit heeft verweerder een overzicht verstrekt van de titel of omschrijving waaronder de minister de kosten aan de landsadvocaat, mr. Pasman en [B.V.] . heeft geadministreerd (tabel 1) en een overzicht van de per procedure gemaakte kosten die de minister aan de landsadvocaat heeft voldaan (tabel 2). Verweerder heeft deze tabellen samen met een door mr. Pasman ingediende factuur openbaar gemaakt, met uitzondering van daarin vermelde persoonsgegevens van eiser.
4. Eiser kon zich niet verenigen met het primaire besluit en heeft bezwaar gemaakt. Eiser is van mening dat het besluit onvolledig is en dat er gegevens ontbreken. Ten aanzien van de in een tabel opgenomen kosten van de landsadvocaat geldt dat de daaraan ten grondslag liggende facturen ontbreken, alsmede een specificatie waaruit de kosten bestaan. Ten aanzien van de kosten van mr. Pasman stelt eiser dat er in elk geval een factuur van € 20.000,- met bij behorende specificatie ontbreekt. Eiser weet uit andere procedures dat mr. Pasman toestemming heeft gekregen voor deze partiële declaratie. Ook van de wel openbaar gemaakte factuur van mr. Pasman ontbreekt de door eiser gevraagde specificatie.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft de specificaties van de landsadvocaat alsnog openbaar gemaakt. Wel heeft verweerder daarin persoonsgegevens onleesbaar gemaakt. Verder heeft verweerder de beschrijving van de werkzaamheden, de uren en de uurtarieven aangemerkt als concurrentiegevoelige informatie en onleesbaar gemaakt. Uit het door verweerder overgenomen advies van de bezwaaradviescommissie volgt verder dat verweerder zich niet gehouden acht om facturen (van de landsadvocaat) openbaar te maken, omdat eiser daar met zijn verzoek niet om heeft gevraagd. Ten aanzien van de kosten van mr. Pasman stelt verweerder zich op het standpunt dat mr. Pasman namens eiser heeft opgetreden en dat eiser aldus de mogelijkheid heeft om documenten rechtstreeks bij mr. Pasman op te vragen.
5. In zijn verweerschrift van 6 maart 2024 schrijft verweerder dat alsnog navraag is gedaan naar de partiële declaratie met specificatie van mr. Pasman. Dit document is aangetroffen en met het verweerschrift openbaar gemaakt. Wel is de naam van eiser weggelakt en zijn de beschrijving van de werkzaamheden, de uren en het uurtarief onleesbaar gemaakt.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee het bestreden besluit wijzigt, aangezien verweerder hiermee informatie (gedeeltelijk) openbaar maakt, waarvan dat eerder is geweigerd. De rechtbank merkt het verweerschrift van verweerder daarom in zoverre aan als een wijzigingsbesluit. Op grond van artikel 6:19 van de Awb is het beroep van eiser mede gericht tegen dit besluit.
Overwegingen
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder met het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit terecht de aangetroffen documenten gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
8. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. De Wob is per die datum ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht.
8.1.
Nu het bestreden besluit voor 1 mei 2022 is genomen, is daarop de Wob van toepassing. Het beroep tegen het bestreden besluit moet dan ook aan de Wob worden getoetst. Het wijzigingsbesluit van 6 maart 2024 is echter van na 1 mei 2022. Op het wijzigingsbesluit en het beroep tegen het wijzigingsbesluit is dan ook de Woo van toepassing.
9. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het recht van openbaarmaking op grond van de Wob of de Woo uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Daarom kan ten aanzien van de openbaarmaking geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij een in het kader van de Wob of Woo te verrichten belangenafweging wordt enkel het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken en niet het belang dat een verzoeker stelt te hebben bij openbaarmaking ervan.
Ziet het Wob-verzoek ook op facturen?
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvolledig is, omdat verweerder niet de bij de specificaties behorende facturen van de landsadvocaat openbaar heeft gemaakt. Volgens eiser heeft hij daar wel om gevraagd. Hij heeft het in zijn Wob-verzoek over een cijfermatige onderbouwing en daar vallen ook facturen onder.
10.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Eiser heeft verzocht om een ‘cijfermatig overzicht met specificaties’ en een titel/omschrijving waaronder de kosten zijn betaald en zijn geadministreerd. Eiser heeft hiermee niet om facturen gevraagd; een cijfermatig overzicht is wat anders dan facturen. Naar het oordeel van de rechtbank was een praktische insteek van verweerder, waarbij (in de bezwaarfase) ook de facturen in het kader van het onderhavige Wob-verzoek waren beoordeeld, niet ondenkbaar. Zeker niet nu verweerder wel de facturen van mr. Pasman (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt. Een verplichting daartoe bestond echter niet, nu daarom met het Wob-verzoek niet is gevraagd en een uitbreiding of aanvulling van een Wob-verzoek in bezwaar zich niet verdraagt met het wettelijk stelsel waarbij een bestuursorgaan een besluit neemt op een Wob-verzoek en een eventueel gemaakt bezwaar nog steeds op het oorspronkelijke verzoek betrekking heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de persoonsgegevens terecht onleesbaar gemaakt?
11. Verweerder heeft in de specificaties van de landsadvocaat de namen van de advocaten die werkzaamheden hebben verricht en van andere betrokkenen onleesbaar gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze personen zwaarder weegt dan het algemeen belang bij openbaarmaking voor een ieder.
11.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat van belang is dat uit de specificaties blijkt wie werkzaamheden heeft verricht en met wie er is gesproken. Volgens eiser valt niet in te zien waarom die informatie geheim zou moeten blijven.
11.2.
De rechtbank heeft de geheime stukken ingezien en concludeert dat daaruit de namen van de daarin genoemde advocaten en andere betrokkenen zijn weggelakt. Namen zijn persoonsgegevens en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat indien advocaten uit hoofde van hun functie in de openbaarheid zijn getreden, aan hen een verminderde aanspraak op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer toekomt. In dit geval is het de rechtbank niet gebleken dat de advocaten uit hoofde van hun functie in de openbaarheid zijn getreden. Zowel de advocaten als de andere betrokkenen die in de omschrijving van de werkzaamheden zijn genoemd moeten er op kunnen vertrouwen dat privacygevoelige informatie (zoals een naam) niet zonder meer voor een ieder openbaar wordt gemaakt. Te meer nu het gaat om een openbaarmaking voor een ieder, niet enkel voor eiser. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder de namen van de advocaten en betrokkenen onleesbaar heeft mogen maken.
12. De rechtbank merkt op dat in de specificatie van mr. Pasman de naam van eiser is weggelakt, op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser hiertegen een beroepsgrond heeft gericht. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat voor de naam van eiser hetzelfde geldt als voor de persoonsgegevens van advocaten en andere betrokkenen. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiser in dit geval zwaarder weegt dan openbaarmaking voor een ieder.
Bedrijfs- en fabricagegegevens
13. Verweerder is van mening dat er concurrentiegevoelige informatie in de stukken staat. Verweerder beschouwt de omschrijving van de werkzaamheden, de bestede uren en de daarbij behorende uurtarieven als bedrijfs- en fabricagegegevens, omdat het hier gaat om wetenswaardigheden waar concurrenten van de landsadvocaat en mr. Pasman hun voordeel mee kunnen doen bij aanbestedingen en competities voor juridische dienstverlening aan andere partijen dan de rijksoverheid. Uit deze informatie kunnen methodieken en strategieën worden afgeleid. Hierdoor heeft verweerder op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, en op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo, deze passages weggelakt.
14. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. De weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen kunnen onder omstandigheden als ‘bedrijfs- en fabricagegegevens’ worden aangemerkt.Deze jurisprudentie in het kader van de Wob is ook relevant voor de in deze zaak toegepaste weigeringsgrond onder de Woo.
14.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit openbaarmaking van het aantal gewerkte uren en de uurtarieven inzicht kan worden verkregen in de gehanteerde methodieken en bedrijfsstrategieën. Dit kan de concurrentiepositie van de praktijk van mr. Pasman en van de landsadvocaat verzwakken ten opzichte van andere partijen. Verweerder heeft deze gegevens daarom kunnen weglakken. De beroepsgrond van eiser slaagt op dit punt niet.
14.2.
Voor zover de beroepsgrond zich richt tegen het onleesbaar maken van de omschrijving van de werkzaamheden, slaagt de beroepsgrond wel. De rechtbank heeft kennis genomen van de onleesbaar gemaakt omschrijving van de werkzaamheden.
Conclusie
17. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit is gegrond, omdat verweerder ten onrechte de omschrijving van de werkzaamheden in de verschillende specificaties onleesbaar heeft gemaakt. De rechtbank zal het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit dan ook vernietigen, voor zover het die omschrijving van werkzaamheden in de specificaties betreft. Verweerder heeft wel de namen van advocaten, de gewerkte uren en de uurtarieven onleesbaar mogen maken.
17.1.
De rechtbank is niet gebleken dat er voor verweerder nog andere dan de in deze uitspraak beoordeelde weigeringsgronden openstaan, die ertoe kunnen leiden dat openbaarmaking van de omschrijving van de werkzaamheden in de specificaties achterwege moet blijven. Gelet daarop en in het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien, door te bepalen dat verweerder de omschrijving van de werkzaamheden in de verschillende specificaties openbaar moet maken en een afschrift daarvan aan eiser moet toesturen.
17.2.
Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en wijzigingsbesluit, voor zover daarmee de openbaarmaking van de omschrijving van werkzaamheden in de verschillende specificaties is geweigerd;
bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit en wijzigingsbesluit;
bepaalt dat verweerder de specificaties inclusief de daarin opgenomen omschrijving van werkzaamheden (maar met de persoonsgegevens, uren en uurtarieven onleesbaar gemaakt), openbaar maakt en dat verweerder een afschrift hiervan aan eiser dient te verstrekken uiterlijk twee weken nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024 .
griffier
rechter
De griffier is niet in de gelegenheid
om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 juni 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet openbaarheid van bestuur.
Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer).
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob (bedrijfs- en fabricagegegevens), en op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob (onevenredige bevoordeling of benadeling).
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo (persoonlijke levenssfeer).
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Woo (bedrijfs- en fabricagegegevens) en op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Woo (andere vertrouwelijke concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens).
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 mei 2017 (ECLI:NL:RVS: 2017:1428).
ECLI:NL:RVS:2023:1926.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:911, r.o. 6.2.
ECLI:NL:RVS:2018:3994.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 21/3244
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Minister van Defensie, verweerder,
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op zijn Wob-verzoek van 5 januari 2021.
1.1.
Verweerder heeft op 26 februari 2021 op dit verzoek beslist (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 27 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op 6 maart 2024 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. In dit verweerschrift is verweerder eiser deels tegenmoet gekomen door alsnog een document (gedeeltelijk) openbaar te maken.
1.3.
Verweerder heeft de (ongelakte versie van de) documenten die onder het Wob-verzoek vallen naar de rechtbank toegestuurd. Daarbij is onder toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken zal kennisnemen. Met toestemming van eiser heeft de rechtbank deze stukken ingezien.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 5 januari 2021 heeft eiser een Wob-verzoek ingediend. Eiser verzoekt om:
afgifte van een cijfermatig overzicht met betrekking tot alle kosten die het Ministerie van Defensie t/m heden heeft gemaakt met betrekking tot het jarenlange geschil met ondergetekende;
een specificatie waaruit deze kosten hebben bestaan;
de titel/omschrijving waaronder deze kosten door het Ministerie van Defensie zijn betaald aan de Landsadvocaat, mr. Pasman (2014) en [naam] (2014).
2.1.
Per e-mail van 21 januari 2021 heeft eiser zijn verzoek verduidelijkt. Hij schrijft:
“(…) Mijn verzoek houdt ook in dat ik graag openheid wens mbt de wijze waarop al deze kosten zijn weggeschreven. Maw: welke titel is er door Defensie aan de betaling van deze kosten gegeven. Ook zie ik naast de totale kosten die gemaakt zijn door de Landsadvocaat graag alle specificaties tegemoet. Immers er zijn door Defensie ook kosten gemaakt in eerdere Wob procedures.”
3. Met het primaire besluit heeft verweerder een overzicht verstrekt van de titel of omschrijving waaronder de minister de kosten aan de landsadvocaat, mr. Pasman en [B.V.] . heeft geadministreerd (tabel 1) en een overzicht van de per procedure gemaakte kosten die de minister aan de landsadvocaat heeft voldaan (tabel 2). Verweerder heeft deze tabellen samen met een door mr. Pasman ingediende factuur openbaar gemaakt, met uitzondering van daarin vermelde persoonsgegevens van eiser.
4. Eiser kon zich niet verenigen met het primaire besluit en heeft bezwaar gemaakt. Eiser is van mening dat het besluit onvolledig is en dat er gegevens ontbreken. Ten aanzien van de in een tabel opgenomen kosten van de landsadvocaat geldt dat de daaraan ten grondslag liggende facturen ontbreken, alsmede een specificatie waaruit de kosten bestaan. Ten aanzien van de kosten van mr. Pasman stelt eiser dat er in elk geval een factuur van € 20.000,- met bij behorende specificatie ontbreekt. Eiser weet uit andere procedures dat mr. Pasman toestemming heeft gekregen voor deze partiële declaratie. Ook van de wel openbaar gemaakte factuur van mr. Pasman ontbreekt de door eiser gevraagde specificatie.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft de specificaties van de landsadvocaat alsnog openbaar gemaakt. Wel heeft verweerder daarin persoonsgegevens onleesbaar gemaakt. Verder heeft verweerder de beschrijving van de werkzaamheden, de uren en de uurtarieven aangemerkt als concurrentiegevoelige informatie en onleesbaar gemaakt. Uit het door verweerder overgenomen advies van de bezwaaradviescommissie volgt verder dat verweerder zich niet gehouden acht om facturen (van de landsadvocaat) openbaar te maken, omdat eiser daar met zijn verzoek niet om heeft gevraagd. Ten aanzien van de kosten van mr. Pasman stelt verweerder zich op het standpunt dat mr. Pasman namens eiser heeft opgetreden en dat eiser aldus de mogelijkheid heeft om documenten rechtstreeks bij mr. Pasman op te vragen.
5. In zijn verweerschrift van 6 maart 2024 schrijft verweerder dat alsnog navraag is gedaan naar de partiële declaratie met specificatie van mr. Pasman. Dit document is aangetroffen en met het verweerschrift openbaar gemaakt. Wel is de naam van eiser weggelakt en zijn de beschrijving van de werkzaamheden, de uren en het uurtarief onleesbaar gemaakt.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee het bestreden besluit wijzigt, aangezien verweerder hiermee informatie (gedeeltelijk) openbaar maakt, waarvan dat eerder is geweigerd. De rechtbank merkt het verweerschrift van verweerder daarom in zoverre aan als een wijzigingsbesluit. Op grond van artikel 6:19 van de Awb is het beroep van eiser mede gericht tegen dit besluit.
Overwegingen
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder met het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit terecht de aangetroffen documenten gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
8. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. De Wob is per die datum ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht.
8.1.
Nu het bestreden besluit voor 1 mei 2022 is genomen, is daarop de Wob van toepassing. Het beroep tegen het bestreden besluit moet dan ook aan de Wob worden getoetst. Het wijzigingsbesluit van 6 maart 2024 is echter van na 1 mei 2022. Op het wijzigingsbesluit en het beroep tegen het wijzigingsbesluit is dan ook de Woo van toepassing.
9. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het recht van openbaarmaking op grond van de Wob of de Woo uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Daarom kan ten aanzien van de openbaarmaking geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij een in het kader van de Wob of Woo te verrichten belangenafweging wordt enkel het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken en niet het belang dat een verzoeker stelt te hebben bij openbaarmaking ervan.
Ziet het Wob-verzoek ook op facturen?
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvolledig is, omdat verweerder niet de bij de specificaties behorende facturen van de landsadvocaat openbaar heeft gemaakt. Volgens eiser heeft hij daar wel om gevraagd. Hij heeft het in zijn Wob-verzoek over een cijfermatige onderbouwing en daar vallen ook facturen onder.
10.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Eiser heeft verzocht om een ‘cijfermatig overzicht met specificaties’ en een titel/omschrijving waaronder de kosten zijn betaald en zijn geadministreerd. Eiser heeft hiermee niet om facturen gevraagd; een cijfermatig overzicht is wat anders dan facturen. Naar het oordeel van de rechtbank was een praktische insteek van verweerder, waarbij (in de bezwaarfase) ook de facturen in het kader van het onderhavige Wob-verzoek waren beoordeeld, niet ondenkbaar. Zeker niet nu verweerder wel de facturen van mr. Pasman (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt. Een verplichting daartoe bestond echter niet, nu daarom met het Wob-verzoek niet is gevraagd en een uitbreiding of aanvulling van een Wob-verzoek in bezwaar zich niet verdraagt met het wettelijk stelsel waarbij een bestuursorgaan een besluit neemt op een Wob-verzoek en een eventueel gemaakt bezwaar nog steeds op het oorspronkelijke verzoek betrekking heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de persoonsgegevens terecht onleesbaar gemaakt?
11. Verweerder heeft in de specificaties van de landsadvocaat de namen van de advocaten die werkzaamheden hebben verricht en van andere betrokkenen onleesbaar gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze personen zwaarder weegt dan het algemeen belang bij openbaarmaking voor een ieder.
11.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat van belang is dat uit de specificaties blijkt wie werkzaamheden heeft verricht en met wie er is gesproken. Volgens eiser valt niet in te zien waarom die informatie geheim zou moeten blijven.
11.2.
De rechtbank heeft de geheime stukken ingezien en concludeert dat daaruit de namen van de daarin genoemde advocaten en andere betrokkenen zijn weggelakt. Namen zijn persoonsgegevens en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat indien advocaten uit hoofde van hun functie in de openbaarheid zijn getreden, aan hen een verminderde aanspraak op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer toekomt. In dit geval is het de rechtbank niet gebleken dat de advocaten uit hoofde van hun functie in de openbaarheid zijn getreden. Zowel de advocaten als de andere betrokkenen die in de omschrijving van de werkzaamheden zijn genoemd moeten er op kunnen vertrouwen dat privacygevoelige informatie (zoals een naam) niet zonder meer voor een ieder openbaar wordt gemaakt. Te meer nu het gaat om een openbaarmaking voor een ieder, niet enkel voor eiser. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder de namen van de advocaten en betrokkenen onleesbaar heeft mogen maken.
12. De rechtbank merkt op dat in de specificatie van mr. Pasman de naam van eiser is weggelakt, op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser hiertegen een beroepsgrond heeft gericht. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat voor de naam van eiser hetzelfde geldt als voor de persoonsgegevens van advocaten en andere betrokkenen. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiser in dit geval zwaarder weegt dan openbaarmaking voor een ieder.
Bedrijfs- en fabricagegegevens
13. Verweerder is van mening dat er concurrentiegevoelige informatie in de stukken staat. Verweerder beschouwt de omschrijving van de werkzaamheden, de bestede uren en de daarbij behorende uurtarieven als bedrijfs- en fabricagegegevens, omdat het hier gaat om wetenswaardigheden waar concurrenten van de landsadvocaat en mr. Pasman hun voordeel mee kunnen doen bij aanbestedingen en competities voor juridische dienstverlening aan andere partijen dan de rijksoverheid. Uit deze informatie kunnen methodieken en strategieën worden afgeleid. Hierdoor heeft verweerder op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, en op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo, deze passages weggelakt.
14. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. De weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen kunnen onder omstandigheden als ‘bedrijfs- en fabricagegegevens’ worden aangemerkt.Deze jurisprudentie in het kader van de Wob is ook relevant voor de in deze zaak toegepaste weigeringsgrond onder de Woo.
14.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit openbaarmaking van het aantal gewerkte uren en de uurtarieven inzicht kan worden verkregen in de gehanteerde methodieken en bedrijfsstrategieën. Dit kan de concurrentiepositie van de praktijk van mr. Pasman en van de landsadvocaat verzwakken ten opzichte van andere partijen. Verweerder heeft deze gegevens daarom kunnen weglakken. De beroepsgrond van eiser slaagt op dit punt niet.
14.2.
Voor zover de beroepsgrond zich richt tegen het onleesbaar maken van de omschrijving van de werkzaamheden, slaagt de beroepsgrond wel. De rechtbank heeft kennis genomen van de onleesbaar gemaakt omschrijving van de werkzaamheden.
Conclusie
17. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit is gegrond, omdat verweerder ten onrechte de omschrijving van de werkzaamheden in de verschillende specificaties onleesbaar heeft gemaakt. De rechtbank zal het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit dan ook vernietigen, voor zover het die omschrijving van werkzaamheden in de specificaties betreft. Verweerder heeft wel de namen van advocaten, de gewerkte uren en de uurtarieven onleesbaar mogen maken.
17.1.
De rechtbank is niet gebleken dat er voor verweerder nog andere dan de in deze uitspraak beoordeelde weigeringsgronden openstaan, die ertoe kunnen leiden dat openbaarmaking van de omschrijving van de werkzaamheden in de specificaties achterwege moet blijven. Gelet daarop en in het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien, door te bepalen dat verweerder de omschrijving van de werkzaamheden in de verschillende specificaties openbaar moet maken en een afschrift daarvan aan eiser moet toesturen.
17.2.
Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en wijzigingsbesluit, voor zover daarmee de openbaarmaking van de omschrijving van werkzaamheden in de verschillende specificaties is geweigerd;
bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit en wijzigingsbesluit;
bepaalt dat verweerder de specificaties inclusief de daarin opgenomen omschrijving van werkzaamheden (maar met de persoonsgegevens, uren en uurtarieven onleesbaar gemaakt), openbaar maakt en dat verweerder een afschrift hiervan aan eiser dient te verstrekken uiterlijk twee weken nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024 .
griffier
rechter
De griffier is niet in de gelegenheid
om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 26 juni 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet openbaarheid van bestuur.
Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wob (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer).
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob (bedrijfs- en fabricagegegevens), en op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob (onevenredige bevoordeling of benadeling).
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo (persoonlijke levenssfeer).
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Woo (bedrijfs- en fabricagegegevens) en op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Woo (andere vertrouwelijke concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens).
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 mei 2017 (ECLI:NL:RVS: 2017:1428).
ECLI:NL:RVS:2023:1926.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:911, r.o. 6.2.
ECLI:NL:RVS:2018:3994.