Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-05-30
ECLI:NL:RBLIM:2024:3430
Strafrecht
Raadkamer
1,000 tokens
Dictum
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] Sittard.
Raadsman mr. A.A.T.X. Vonken.
Procedure
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 7 mei 2024 de vordering ex artikel 190 lid 3 Sv van de officier van justitie gedeeltelijk afgewezen ten aanzien van de gevorderde maatregelen ter voorkoming van onthulling van de identiteit van de getuige onder codenummer [nummer] . De officier van justitie is op 21 mei 2024 in beroep gekomen tegen deze beschikking.
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter-commissaris en de schriftuur van de officier van justitie.
De rechtbank heeft in raadkamer van heden de officier van justitie en de raadsman, mr. Vonken gehoord.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
Het Openbaar Ministerie heeft tegen de beschikking tijdig en op de juiste wijze hoger beroep ingesteld. Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt dat een deel van de vordering van het Openbaar Ministerie deels is afgewezen. Gelet hierop en het bepaalde in artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering, kan het Openbaar Ministerie tegen voornoemde beschikking hoger beroep aantekenen en is dan ook ontvankelijk in het hoger beroep.
Verdere beoordeling
De toets die de rechtbank bij het onderhavige hoger beroep dient aan te leggen is of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn beslissing van 6 mei 2024 heeft kunnen komen. De rechtbank stelt voorop dat de nodige terughoudendheid bij het toewijzen van een vordering tot het (gedeeltelijk) anoniem horen van een getuige op zijn plaats is. Een te ruime of te snelle toepassing van artikel 190 lid 3 Sv zou inbreuk kunnen maken op het beginsel van ‘equality of arms’. Uitgangspunt is immers dat de verdediging zonder (onnodige) beperkingen getuigen dient te kunnen horen over hetgeen zij hebben waargenomen.
Uit hetgeen de officier van justitie bij de rechter-commissaris heeft aangevoerd, alsmede hetgeen hij in hoger beroep naar voren heeft gebracht, blijkt dat er een gegrond vermoeden bestaat dat de betreffende getuige in het geval dat zijn identiteit bekend wordt door het afleggen van een verklaring als getuige, overlast zal ondervinden en/of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 190 Sv (Kamerstukken II 1991/92, 22483, nr. 3) kan worden afgeleid dat van dit vermoeden reeds sprake is bij leden van arrestatieteams en pseudokopers.
In dit verband heeft verder te gelden dat -ingevolge het bepaalde in artikel 190 lid 3 Sv- de rechter-commissaris maatregelen neemt die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van gegevens zoals bedoeld in het eerste en tweede lid van voornoemd artikel te voorkomen. Indachtig hetgeen hierover is opgemerkt in de memorie van toelichting bij artikel 190 Sv (Kamerstukken II 1991/92, 22483, nr. 3, p. 17) is de rechtbank van oordeel dat onder vorenbedoelde maatregelen onder meer ook vallen de maatregelen zoals genoemd in de vordering van het Openbaar Ministerie van 30 april 2024.
Dit zo zijnde zal de rechtbank het hoger beroep gegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris waarvan beroep voor zover deze inhoudt de afwijzing van de ex artikel 190 lid 3 Sv gevorderde maatregelen ter voorkoming van onthulling van de identiteit van de getuige onder codenummer [nummer] en wijst opnieuw rechtdoende de vordering van de officier van justitie van 30 april 2024 alsnog in zijn geheel toe.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 30 mei 2024 door:
mr. D. Osmić, voorzitter,
mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. P.J.C.M. Vervuren, rechters,
in tegenwoordigheid van V.D.M. Nowak, griffier.