Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-06-14
ECLI:NL:RBLIM:2024:3416
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,956 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 22/2291
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.P. Sijbrandij),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. P.L.E. Delahaije).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om het UWV te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 2 september 2016.
1.1.
De rechtbank heeft het verzoek op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van verzoeker en het UWV.
1.2.
Ter zitting is de zaak aangehouden om verzoeker de gelegenheid te bieden om een nieuwe schadeberekening te maken en om het UWV vervolgens de gelegenheid te bieden om daarop te reageren. Partijen hebben ter zitting al aangegeven hierna geen nadere zitting nodig te vinden. De rechtbank heeft daarom na de reactie van het UWV het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV moet worden veroordeeld tot het vergoeden van schade aan verzoeker. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van verzoeker.
3. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toe en veroordeelt het UWV tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.329,41 aan verzoeker. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Verzoeker is sinds 2008 arbeidsongeschikt. Hij ontvangt een WIA-uitkering. Op 15 april 2016 heeft verzoeker bij het UWV aangegeven dat zijn gezondheid over de voorgaande jaren is verslechterd. Naar aanleiding van deze wijziging heeft het UWV bij besluit van 2 september 2016 aangegeven dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van verzoeker wijzigt, maar niet de hoogte van zijn WIA-uitkering. Het UWV is met de beslissing op het bezwaar van eiser van 8 februari 2017 van dat besluit teruggekomen, en heeft daarbij besloten dat verzoeker vanaf 1 november 2014 als 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd en dat hij daarom vanaf die datum recht heeft op een (hogere) WGA-loonaanvullingsuitkering.
4.1.
Omdat het UWV heeft besloten dat verzoeker (met terugwerkende kracht) vanaf 1 november 2014 recht heeft op een andere, hogere, uitkering, heeft hij in 2017 in één keer een nabetaling ontvangen van € 34.391,64 netto. Verzoeker stelt dat hij hierdoor belastingschade heeft opgelopen. Om die schade vast te stellen heeft hij een boekhouder, een advocaat en een rekenkundige ingeschakeld. Hij heeft het UWV verzocht om de belastingschade, alsmede de kosten die zijn gemaakt om de belastingschade vast te stellen, te vergoeden. Omdat partijen daar niet onderling uitkwamen, heeft verzoeker uiteindelijk de rechtbank gevraagd om het UWV te veroordelen tot het betalen van die schadeposten.
Omvang van het geschil
5. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het besluit van 2 september 2016 onrechtmatig is en dat het UWV de belastingschade die verzoeker heeft geleden ten gevolge van dat onrechtmatige besluit zal moeten vergoeden. Het UWV heeft verder toegezegd de kosten voor het inschakelen van de rekenkundige (te weten: € 3.784,41) te vergoeden, evenals de wettelijke rente vanaf 1 maart 2017 over het schadebedrag dat de rechtbank vast stelt. Partijen zijn het er echter niet over eens of de gestelde belastingschade een aan het UWV toerekenbaar gevolg is van het besluit van 2 september 2016, en of het UWV de schade die verzoeker heeft geleden doordat hij een boekhouder heeft ingeschakeld voor het vaststellen van de schade dient te vergoeden.
Het toetsingskader
6. Volgens vaste rechtspraak zoekt de bestuursrechter bij een verzoek tot schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Het uitgangspunt daarbij is dat de verzoeker door de schadevergoeding zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou verkeren als een onrechtmatige beslissing niet zou zijn genomen. Door de verzoeker moet verder aannemelijk worden gemaakt dat tussen het onrechtmatige besluit en de geclaimde schade een voldoende rechtstreeks en causaal verband bestaat. Het causaal verband moet worden vastgesteld door een vergelijking tussen de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige situatie (in dit geval: het onrechtmatig besluit) achterwege was gebleven. In andere woorden: de situatie waarin direct het juiste besluit zou zijn genomen. Schade komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover die in zodanig verband staat met de gebeurtenis (in dit geval: het onrechtmatig besluit) waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar (in dit geval: het UWV) berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Verder is het aan de verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken.
De belastingschade
7. Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat de belastingschade € 7.918,- bedraagt. Hij baseert dit bedrag op een berekening van hoe de (fiscale) situatie hypothetisch was geweest als verzoeker vanaf 1 november 2014 de juiste uitkering had gekregen, in plaats van een eenmalige uitbetaling in 2017. Ter toelichting heeft verzoeker ter zitting gesteld dat uit het onrechtmatige besluit van 2 september 2016 in feite blijkt dat een eerder besluit van het UWV van 9 augustus 2012 ook onjuist c.q. onrechtmatig is. Met dat besluit uit 2012 heeft het UWV besloten tot een verlaging van de uitkering van verzoeker per 1 september 2014. Nu inmiddels duidelijk is dat verzoeker vanaf die datum (althans, per 1 november 2014) volledig arbeidsongeschikt was, is het besluit van 9 augustus 2012 onjuist. Daarom moet bij de berekening van de belastingschade worden uitgegaan van de situatie waarin verzoeker per 1 november 2014 de juiste (hogere) uitkering had ontvangen.
7.1.
Het UWV heeft ter zitting gesteld dat het besluit van 9 augustus 2012 niet onrechtmatig is. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar en ingediende beroep en hoger beroep is ongegrond verklaard, zodat van de juistheid van dat besluit moet worden uitgegaan. Eiser heeft zich in 2014, na verlaging van de uitkering, ook niet gemeld bij het UWV met toegenomen beperkingen. Dat heeft hij pas in 2016 gedaan. Uit het onrechtmatige besluit uit 2016 kan niet worden opgemaakt dat het besluit uit 2012 onrechtmatig is. De door verzoeker primair gevraagde vergoeding ziet op schade die niet het gevolg is van het onrechtmatige besluit van 2 september 2016, en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
7.2.
Ten aanzien van het primair standpunt van verzoeker merkt de rechtbank op dat schade die is ontstaan vóór de gestelde schadeoorzaak, namelijk het onrechtmatig besluit van 2 september 2016, geen schade kan zijn als gevolg van dat besluit. Het besluit uit 2012 is door verzoeker niet overgelegd en in zijn verzoek niet tot schadeoorzaak bestempeld. In hoeverre het besluit uit 2012 onjuist of onrechtmatig is, ligt in deze procedure dan ook niet voor. Bovendien is van belang dat het onrechtmatige besluit tot stand is gekomen naar aanleiding van een door verzoeker in 2016 doorgegeven wijziging. Er bestaat daarom geen zodanig verband tussen de schade die is ontstaan vóór die datum en het onrechtmatig besluit, waardoor die schade in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking kan komen.
8. Subsidiair stelt verzoeker dat zijn belastingschade € 4.214,- bedraagt. Hij baseert dit bedrag op een na de behandeling ter zitting overgelegde berekening waarmee een vergelijking wordt gemaakt tussen de hypothetische situatie waarin verzoeker in 2016 een nabetaling (en vanaf dat moment de juiste uitkering) had ontvangen, in plaats van een eenmalige uitbetaling in 2017.
8.1.
Het UWV heeft in zijn reactie hierop gereageerd dat vaststaat dat verzoeker belastingschade heeft geleden, maar enkel aanleiding te zien om het drempelbedrag voor de middelingsregeling (te weten: € 545,-) te vergoeden. De overige kosten komen niet voor rekening en risico van het UWV, aldus het UWV.
8.2.
Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat de schade € 4.212,- bedraagt, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker deze schade, althans het causaal verband met het onrechtmatige besluit van 2 september 2016, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. In de eerste plaats is van belang dat de rekeningkundige in de laatste berekening bij de hypothetische situatie waarin in 2016 een nabetaling was gedaan, de volledige nabetaling – inclusief die over 2014 en 2015 – heeft meegenomen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek om schadevergoeding deels toe;
veroordeelt het UWV tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 4.329,41 aan verzoeker, voor een bedrag van € 545,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 maart 2017 tot de dag van algehele voldoening;
wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt het UWV tot het betalen van € 1750,- aan proceskosten aan verzoeker;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 184,- aan verzoeker moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 juni 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236 en (eveneens) 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2471.
Als bedoeld in artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Dit volgt uit artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Zie de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2173.
Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 november 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5317.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 22/2291
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R.P. Sijbrandij),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. P.L.E. Delahaije).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om het UWV te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van 2 september 2016.
1.1.
De rechtbank heeft het verzoek op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van verzoeker en het UWV.
1.2.
Ter zitting is de zaak aangehouden om verzoeker de gelegenheid te bieden om een nieuwe schadeberekening te maken en om het UWV vervolgens de gelegenheid te bieden om daarop te reageren. Partijen hebben ter zitting al aangegeven hierna geen nadere zitting nodig te vinden. De rechtbank heeft daarom na de reactie van het UWV het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV moet worden veroordeeld tot het vergoeden van schade aan verzoeker. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van verzoeker.
3. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toe en veroordeelt het UWV tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.329,41 aan verzoeker. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Verzoeker is sinds 2008 arbeidsongeschikt. Hij ontvangt een WIA-uitkering. Op 15 april 2016 heeft verzoeker bij het UWV aangegeven dat zijn gezondheid over de voorgaande jaren is verslechterd. Naar aanleiding van deze wijziging heeft het UWV bij besluit van 2 september 2016 aangegeven dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van verzoeker wijzigt, maar niet de hoogte van zijn WIA-uitkering. Het UWV is met de beslissing op het bezwaar van eiser van 8 februari 2017 van dat besluit teruggekomen, en heeft daarbij besloten dat verzoeker vanaf 1 november 2014 als 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd en dat hij daarom vanaf die datum recht heeft op een (hogere) WGA-loonaanvullingsuitkering.
4.1.
Omdat het UWV heeft besloten dat verzoeker (met terugwerkende kracht) vanaf 1 november 2014 recht heeft op een andere, hogere, uitkering, heeft hij in 2017 in één keer een nabetaling ontvangen van € 34.391,64 netto. Verzoeker stelt dat hij hierdoor belastingschade heeft opgelopen. Om die schade vast te stellen heeft hij een boekhouder, een advocaat en een rekenkundige ingeschakeld. Hij heeft het UWV verzocht om de belastingschade, alsmede de kosten die zijn gemaakt om de belastingschade vast te stellen, te vergoeden. Omdat partijen daar niet onderling uitkwamen, heeft verzoeker uiteindelijk de rechtbank gevraagd om het UWV te veroordelen tot het betalen van die schadeposten.
Omvang van het geschil
5. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat het besluit van 2 september 2016 onrechtmatig is en dat het UWV de belastingschade die verzoeker heeft geleden ten gevolge van dat onrechtmatige besluit zal moeten vergoeden. Het UWV heeft verder toegezegd de kosten voor het inschakelen van de rekenkundige (te weten: € 3.784,41) te vergoeden, evenals de wettelijke rente vanaf 1 maart 2017 over het schadebedrag dat de rechtbank vast stelt. Partijen zijn het er echter niet over eens of de gestelde belastingschade een aan het UWV toerekenbaar gevolg is van het besluit van 2 september 2016, en of het UWV de schade die verzoeker heeft geleden doordat hij een boekhouder heeft ingeschakeld voor het vaststellen van de schade dient te vergoeden.
Het toetsingskader
6. Volgens vaste rechtspraak zoekt de bestuursrechter bij een verzoek tot schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Het uitgangspunt daarbij is dat de verzoeker door de schadevergoeding zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou verkeren als een onrechtmatige beslissing niet zou zijn genomen. Door de verzoeker moet verder aannemelijk worden gemaakt dat tussen het onrechtmatige besluit en de geclaimde schade een voldoende rechtstreeks en causaal verband bestaat. Het causaal verband moet worden vastgesteld door een vergelijking tussen de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige situatie (in dit geval: het onrechtmatig besluit) achterwege was gebleven. In andere woorden: de situatie waarin direct het juiste besluit zou zijn genomen. Schade komt slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover die in zodanig verband staat met de gebeurtenis (in dit geval: het onrechtmatig besluit) waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar (in dit geval: het UWV) berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Verder is het aan de verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken.
De belastingschade
7. Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat de belastingschade € 7.918,- bedraagt. Hij baseert dit bedrag op een berekening van hoe de (fiscale) situatie hypothetisch was geweest als verzoeker vanaf 1 november 2014 de juiste uitkering had gekregen, in plaats van een eenmalige uitbetaling in 2017. Ter toelichting heeft verzoeker ter zitting gesteld dat uit het onrechtmatige besluit van 2 september 2016 in feite blijkt dat een eerder besluit van het UWV van 9 augustus 2012 ook onjuist c.q. onrechtmatig is. Met dat besluit uit 2012 heeft het UWV besloten tot een verlaging van de uitkering van verzoeker per 1 september 2014. Nu inmiddels duidelijk is dat verzoeker vanaf die datum (althans, per 1 november 2014) volledig arbeidsongeschikt was, is het besluit van 9 augustus 2012 onjuist. Daarom moet bij de berekening van de belastingschade worden uitgegaan van de situatie waarin verzoeker per 1 november 2014 de juiste (hogere) uitkering had ontvangen.
7.1.
Het UWV heeft ter zitting gesteld dat het besluit van 9 augustus 2012 niet onrechtmatig is. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar en ingediende beroep en hoger beroep is ongegrond verklaard, zodat van de juistheid van dat besluit moet worden uitgegaan. Eiser heeft zich in 2014, na verlaging van de uitkering, ook niet gemeld bij het UWV met toegenomen beperkingen. Dat heeft hij pas in 2016 gedaan. Uit het onrechtmatige besluit uit 2016 kan niet worden opgemaakt dat het besluit uit 2012 onrechtmatig is. De door verzoeker primair gevraagde vergoeding ziet op schade die niet het gevolg is van het onrechtmatige besluit van 2 september 2016, en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
7.2.
Ten aanzien van het primair standpunt van verzoeker merkt de rechtbank op dat schade die is ontstaan vóór de gestelde schadeoorzaak, namelijk het onrechtmatig besluit van 2 september 2016, geen schade kan zijn als gevolg van dat besluit. Het besluit uit 2012 is door verzoeker niet overgelegd en in zijn verzoek niet tot schadeoorzaak bestempeld. In hoeverre het besluit uit 2012 onjuist of onrechtmatig is, ligt in deze procedure dan ook niet voor. Bovendien is van belang dat het onrechtmatige besluit tot stand is gekomen naar aanleiding van een door verzoeker in 2016 doorgegeven wijziging. Er bestaat daarom geen zodanig verband tussen de schade die is ontstaan vóór die datum en het onrechtmatig besluit, waardoor die schade in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking kan komen.
8. Subsidiair stelt verzoeker dat zijn belastingschade € 4.214,- bedraagt. Hij baseert dit bedrag op een na de behandeling ter zitting overgelegde berekening waarmee een vergelijking wordt gemaakt tussen de hypothetische situatie waarin verzoeker in 2016 een nabetaling (en vanaf dat moment de juiste uitkering) had ontvangen, in plaats van een eenmalige uitbetaling in 2017.
8.1.
Het UWV heeft in zijn reactie hierop gereageerd dat vaststaat dat verzoeker belastingschade heeft geleden, maar enkel aanleiding te zien om het drempelbedrag voor de middelingsregeling (te weten: € 545,-) te vergoeden. De overige kosten komen niet voor rekening en risico van het UWV, aldus het UWV.
8.2.
Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat de schade € 4.212,- bedraagt, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker deze schade, althans het causaal verband met het onrechtmatige besluit van 2 september 2016, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. In de eerste plaats is van belang dat de rekeningkundige in de laatste berekening bij de hypothetische situatie waarin in 2016 een nabetaling was gedaan, de volledige nabetaling – inclusief die over 2014 en 2015 – heeft meegenomen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek om schadevergoeding deels toe;
veroordeelt het UWV tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 4.329,41 aan verzoeker, voor een bedrag van € 545,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 maart 2017 tot de dag van algehele voldoening;
wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt het UWV tot het betalen van € 1750,- aan proceskosten aan verzoeker;
bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 184,- aan verzoeker moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 juni 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236 en (eveneens) 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2471.
Als bedoeld in artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Dit volgt uit artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Zie de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2173.
Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 november 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5317.