Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-06-05
ECLI:NL:RBLIM:2024:3246
Civiel recht
Wraking
1,876 tokens
Dictum
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/ 331497 / HA RK 24-109
Dictum
op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
dat strekt tot wraking van mr. C.A.M. van Wesel, rechter in de rechtbank Limburg, hierna de rechter.
Procesverloop
Op 16 mei 2024 is ter griffie een e-mailbericht ontvangen van verzoekster, inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11008737 BM VERZ 24-2120. De zaak betreft een verzoekschrift van de grootouders van verzoekster om het ten aanzien van verzoekster ingestelde beschermingsbewind en mentorschap om te zetten naar curatele met benoeming van een (andere) provisionele bewindvoerder.
Bij uitspraak van 3 juni 2024 in zaaknummer C/03/330924 HARK 24-101 heeft de wrakingskamer dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het, in strijd met artikel 37, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), te laat was ingediend zonder dat daarvoor concrete omstandigheden waren aangevoerd, die het tijdsverloop rechtvaardigen.
Verzoekster heeft op 3 juni 2024 andermaal een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Dit verzoek is ingediend “vanwege de onjuiste behandeling van ons eerdere wrakingsverzoek”.
Beoordeling
Nieuw wrakingsverzoek
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In artikel 37, vierde lid, Rv is bepaald dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in wordt behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoekster bekend zijn geworden.
In artikel 4, tweede lid, aanhef en onder f, van het Wrakingsprotocol rechtbank Limburg is bepaald dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren indien het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde rechter betreft, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoekster de facto een heroverweging van de wrakings-kamer vraagt van haar eerdere beslissing. Daarvoor is het instrument van wraking niet bedoeld. Gesteld noch gebleken is dat de rechter sedert het indienen van het eerste wrakingsverzoek nog enige handeling in de zaak 11008737 BM VERZ 24-2120 heeft verricht, laat staan handelingen die tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek zouden kunnen leiden.
De conclusie is dan ook dat het nieuwe wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is.
Wrakingsverbod
Omdat door verzoekster het middel van wraking lichtvaardig, want zonder enige grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Zij zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter, belast met de behandeling van het zaaknummer 11008737 BM VERZ 24-2120, niet in behandeling wordt genomen.
Dictum
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter in de zaak 11008737 BM VERZ 24-2120 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. R.M.M. Kleijkers en
mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.
Dictum
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/ 331497 / HA RK 24-109
Dictum
op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
dat strekt tot wraking van mr. C.A.M. van Wesel, rechter in de rechtbank Limburg, hierna de rechter.
Procesverloop
Op 16 mei 2024 is ter griffie een e-mailbericht ontvangen van verzoekster, inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11008737 BM VERZ 24-2120. De zaak betreft een verzoekschrift van de grootouders van verzoekster om het ten aanzien van verzoekster ingestelde beschermingsbewind en mentorschap om te zetten naar curatele met benoeming van een (andere) provisionele bewindvoerder.
Bij uitspraak van 3 juni 2024 in zaaknummer C/03/330924 HARK 24-101 heeft de wrakingskamer dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het, in strijd met artikel 37, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), te laat was ingediend zonder dat daarvoor concrete omstandigheden waren aangevoerd, die het tijdsverloop rechtvaardigen.
Verzoekster heeft op 3 juni 2024 andermaal een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Dit verzoek is ingediend “vanwege de onjuiste behandeling van ons eerdere wrakingsverzoek”.
Beoordeling
Nieuw wrakingsverzoek
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In artikel 37, vierde lid, Rv is bepaald dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in wordt behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoekster bekend zijn geworden.
In artikel 4, tweede lid, aanhef en onder f, van het Wrakingsprotocol rechtbank Limburg is bepaald dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren indien het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde rechter betreft, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
De wrakingskamer stelt vast dat verzoekster de facto een heroverweging van de wrakings-kamer vraagt van haar eerdere beslissing. Daarvoor is het instrument van wraking niet bedoeld. Gesteld noch gebleken is dat de rechter sedert het indienen van het eerste wrakingsverzoek nog enige handeling in de zaak 11008737 BM VERZ 24-2120 heeft verricht, laat staan handelingen die tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek zouden kunnen leiden.
De conclusie is dan ook dat het nieuwe wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is.
Wrakingsverbod
Omdat door verzoekster het middel van wraking lichtvaardig, want zonder enige grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Zij zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter, belast met de behandeling van het zaaknummer 11008737 BM VERZ 24-2120, niet in behandeling wordt genomen.
Dictum
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter in de zaak 11008737 BM VERZ 24-2120 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. R.M.M. Kleijkers en
mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.