Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-05-22
ECLI:NL:RBLIM:2024:2658
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,694 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10922671 \ CV EXPL 24-725
Vonnis van 22 mei 2024
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 februari 2024 - de conclusie van antwoord
- de akte wijziging van eis van 14 februari 2024 met productie van Weller
- de brieven van Weller van 15 en 18 maart 2024 met nadere producties - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2024
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Weller verhuurt sedert oktober 2022 aan [gedaagde] een woning aan de [adres] te [woonplaats] . De huur bedraagt op dit moment € 537,78 per maand. Volgens de huurovereenkomst moet de huur bij vooruitbetaling, dus voor de eerste van de maand betaald worden.
2.2.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Deze bedroeg berekend tot en met de maand februari 2024 € 537,78. Omdat de automatisch geïncasseerde huurbetalingen regelmatig gestorneerd werden, heeft Weller de automatische incasso stopgezet en moet [gedaagde] de huur zelf overmaken. [gedaagde] betaalt de huur steeds te laat, waardoor hij voortdurend een maand achter is met de huurbetaling.
2.3.
Weller heeft [gedaagde] diverse malen gesommeerd tot betaling. Ook hebben partijen een betalingsregeling afgesproken, maar die is [gedaagde] niet correct nagekomen.
Op 5 september 2023 heeft Weller aan [gedaagde] een zogenoemde veertiendagen brief toegezonden. Daarin heeft zij hem – in het geval van niet-betaling – de buitengerechtelijke kosten ad € 97,33 in het vooruitzicht gesteld.
Geschil
3.1.
Weller vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 635,39, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde] erkent de achterstand, waardoor deze tussen partijen vaststaat. Daarmee staat ook vast dat [gedaagde] tekort geschoten is in de nakoming van de verbintenissen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. De gevorderde hoofdsom is dan ook toewijsbaar, evenals de niet weersproken wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. Ter mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Weller meegedeeld dat op dat moment alleen nog een bedrag aan kosten openstond, omdat de huur van april nog niet was vervallen. De gemachtigde heeft de vordering evenwel niet verminderd. De kantonrechter gaat ervan uit dat bij de eventuele tenuitvoerlegging van dit vonnis rekening wordt gehouden met in de tussentijd gedane betalingen.
4.2.
Weller vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan, zij het dat Weller in de onder 2.3 bedoelde veertiendagenbrief van 5 september 2023 een ander bedrag voor buitengerechtelijke kosten heeft genoemd dan zij thans vordert, te weten € 97,33. Dat bedrag is lager dan het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) wordt berekend, zodat dat lagere bedrag zal worden toegewezen.
4.3.
[gedaagde] vindt het niet terecht dat hij kosten moet betalen, maar dat is de kantonrechter niet met hem eens. Hij heeft met het ondertekenen van de huurovereenkomst de verplichting op zich genomen om de huur elke maand tijdig te voldoen. Als hij daartoe niet in staat is, is dat niet een omstandigheid die voor rekening van Weller moet komen. Uit de mededelingen van de medewerker van Weller die bij de mondelinge behandeling aanwezig was, volgt dat Weller [gedaagde] voldoende gelegenheid heeft gegeven zijn betalingsgedrag te verbeteren.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
537,78
- buitengerechtelijke incassokosten
€
97,33
+
Totaal
€
635,11
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
328,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2,00 punten × € 135,00)
Totaal
€
735,39
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Weller te betalen een bedrag van € 635,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 735,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024.
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10922671 \ CV EXPL 24-725
Vonnis van 22 mei 2024
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 februari 2024 - de conclusie van antwoord
- de akte wijziging van eis van 14 februari 2024 met productie van Weller
- de brieven van Weller van 15 en 18 maart 2024 met nadere producties - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 maart 2024
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Weller verhuurt sedert oktober 2022 aan [gedaagde] een woning aan de [adres] te [woonplaats] . De huur bedraagt op dit moment € 537,78 per maand. Volgens de huurovereenkomst moet de huur bij vooruitbetaling, dus voor de eerste van de maand betaald worden.
2.2.
[gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Deze bedroeg berekend tot en met de maand februari 2024 € 537,78. Omdat de automatisch geïncasseerde huurbetalingen regelmatig gestorneerd werden, heeft Weller de automatische incasso stopgezet en moet [gedaagde] de huur zelf overmaken. [gedaagde] betaalt de huur steeds te laat, waardoor hij voortdurend een maand achter is met de huurbetaling.
2.3.
Weller heeft [gedaagde] diverse malen gesommeerd tot betaling. Ook hebben partijen een betalingsregeling afgesproken, maar die is [gedaagde] niet correct nagekomen.
Op 5 september 2023 heeft Weller aan [gedaagde] een zogenoemde veertiendagen brief toegezonden. Daarin heeft zij hem – in het geval van niet-betaling – de buitengerechtelijke kosten ad € 97,33 in het vooruitzicht gesteld.
Geschil
3.1.
Weller vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 635,39, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde] erkent de achterstand, waardoor deze tussen partijen vaststaat. Daarmee staat ook vast dat [gedaagde] tekort geschoten is in de nakoming van de verbintenissen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. De gevorderde hoofdsom is dan ook toewijsbaar, evenals de niet weersproken wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. Ter mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Weller meegedeeld dat op dat moment alleen nog een bedrag aan kosten openstond, omdat de huur van april nog niet was vervallen. De gemachtigde heeft de vordering evenwel niet verminderd. De kantonrechter gaat ervan uit dat bij de eventuele tenuitvoerlegging van dit vonnis rekening wordt gehouden met in de tussentijd gedane betalingen.
4.2.
Weller vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan, zij het dat Weller in de onder 2.3 bedoelde veertiendagenbrief van 5 september 2023 een ander bedrag voor buitengerechtelijke kosten heeft genoemd dan zij thans vordert, te weten € 97,33. Dat bedrag is lager dan het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) wordt berekend, zodat dat lagere bedrag zal worden toegewezen.
4.3.
[gedaagde] vindt het niet terecht dat hij kosten moet betalen, maar dat is de kantonrechter niet met hem eens. Hij heeft met het ondertekenen van de huurovereenkomst de verplichting op zich genomen om de huur elke maand tijdig te voldoen. Als hij daartoe niet in staat is, is dat niet een omstandigheid die voor rekening van Weller moet komen. Uit de mededelingen van de medewerker van Weller die bij de mondelinge behandeling aanwezig was, volgt dat Weller [gedaagde] voldoende gelegenheid heeft gegeven zijn betalingsgedrag te verbeteren.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
537,78
- buitengerechtelijke incassokosten
€
97,33
+
Totaal
€
635,11
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
328,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2,00 punten × € 135,00)
Totaal
€
735,39
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Weller te betalen een bedrag van € 635,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 735,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024.