Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-04-29
ECLI:NL:RBLIM:2024:2141
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
6,094 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/2287
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. G.G.J. Geerlings),
en
de Burgemeester van de gemeente Roermond, de burgemeester
(gemachtigde: [Naam gemachtigde 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Aan verzoekster is een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat zij de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) moet sluiten en voor drie maanden gesloten moet houden.
1.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft de griffie van de rechtbank laten weten niet bereid te zijn het bestreden besluit te schorsen totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 25 maart 2024 – bij wijze van ordemaatregel – het bestreden besluit geschorst en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. D. Dronkers als waarnemer voor gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. Namens de burgemeester is tevens [Naam gemachtigde 2] verschenen.
Beoordeling
2. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang aanwezig is. Verzoekster en haar drie kinderen moeten immers de woning verlaten en hebben dan drie maanden lang geen toegang meer tot de woning.
2.2
De voorzieningenrechter zal een voorlopig oordeel geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit de woning te sluiten en aan de hand van een belangenafweging de vraag beantwoorden of – vooruitlopend op de beoordeling van het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit – een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
2.3
Beoordeling
Relevante feiten en omstandigheden
3. Verzoekster woont, samen met haar drie kinderen (2 meerderjarige kinderen en 1 minderjarig kind van thans 17 jaar) in de woning en is huurster van de woning. De woning is in eigendom van Grobel XII B.V.. Uit de bestuurlijke rapportage van 20 februari 2024 volgt dat er een onderzoek is gestart door de politie omdat het vermoeden bestond dat de woning fungeert als een opslagplaats voor verdovende middelen, geld en mogelijk een vuurwapen. Op 29 november 2023 is een onderzoek ingesteld in de woning en werd het volgende aangetroffen:
Stroomstootwapen;
Vilmes;
2x boksbeugel;
1655 euro contant geld;
2x mobiele telefoon;
Hasj (11,99 gram);
Hennep (0,27 gram);
Kristalvormig poeder (18,36 gram);
Verpakkingsdoos Rolex;
88 prepaid simkaarten.
De kristalachtige poeder is onderzocht middels een Firstdefender test en bleek een samenstelling van stoffen 3-CMC, genoemd op lijst I van de Opiumwet.
4. De burgemeester heeft hierop besloten de woning te sluiten omdat er in de woning een handelshoeveelheid soft- en harddrugs aanwezig was. De burgemeester heeft verzoekster op 6 maart 2024 laten weten dat hij het voornemen heeft de woning te sluiten. Verzoekster heeft schriftelijk haar zienswijze kenbaar gemaakt op 7 maart 2024. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen waarbij is besloten om de woning te sluiten voor drie maanden per 26 maart 2024.
5. Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Zij betwist de noodzakelijkheid en evenredigheid daarvan. Verzoekster vraagt primair het bestreden besluit (en dus de sluiting) te schorsen totdat onherroepelijk is beslist en subsidiair te schorsen voor de duur van de bezwaarprocedure.
6. De voorzieningenrechter komt tot het volgende (voorlopig) oordeel.
Toetsingskader
6.1
Voor de beoordeling geldt artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als wettelijk kader. Hierin is bepaald dat de burgemeester bevoegd is de woning te sluiten als – voor zover hier van belang – daarin een middel als bedoeld in lijst I en II van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. 3 CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Hasj/Hennep is vermeld op lijst II van de Opiumwet.
6.2
Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft de burgemeester het “Damoclesbeleid woningen en lokalen Roermond 2021” (Damoclesbeleid) vastgesteld. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning.
Uit artikel 4, eerste lid, van het Damoclesbeleid volgt dat bij een eerste constatering van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van softdrugs, wordt volstaan met het geven van een waarschuwing, tenzij sprake is van een ernstig geval. Indien sprake is van een ernstig geval wordt de woning gesloten voor de duur van één maand.
Uit artikel 4, vierde lid, van het Damoclesbeleid volgt dat bij een eerste constatering van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs, dan wel van strafbare voorbereidingshandelingen gerelateerd aan harddrugs, de woning wordt gesloten voor drie maanden.
6.3
Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter het toetsingskader in acht zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) die in de uitspraak van 28 augustus 2019 (hierna: de overzichtsuitspraak) uiteen heeft gezet. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient dan beoordeeld te worden in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van de woning noodzakelijk is, dan moet de sluiting ook nog evenredig te zijn.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
7. De voorzieningenrechter stelt hierover vast dat verzoekster de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten niet betwist. De gronden van verzoekster zijn gericht op de noodzaak en evenredigheid van de sluiting.
Is sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. In de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 is ingegaan op de beoordeling van de noodzaak van sluiting. Nadien is het toetsingskader verduidelijkt. Daaruit volgt dat alle relevante omstandigheden in ogenschouw moeten worden genomen. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij gaat het om de vraag of vanuit de woning werd gehandeld, maar ook om andere omstandigheden, zoals het aantreffen van harddrugs, een recidive situatie of de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen achten en geen aanleiding had hoeven zien om te volstaan met een minder ingrijpende maatregel (waarschuwing). Ook wanneer verzoekster gevolgd wordt in haar standpunt dat de in de bestuurlijke rapportage genoemde aangetroffen hoeveelheid softdrugs (12,26 gram) voor eigen gebruik is, is eveneens een handelshoeveelheid harddrugs (18,36 gram) aangetroffen in de woning. Daarnaast zijn er verschillende wapens, een groot bedrag aan cashgeld en 88 prepaid simkaarten in de woning aangetroffen, die kunnen worden aangemerkt als handelsindicatoren. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat verzoeksters woning een rol speelde in het drugscircuit. Dat levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als er geen overlast is geconstateerd. Verder heeft de burgemeester ook belang mogen toekennen aan het feit dat de woning een connectie heeft met een ander pand in [woonplaats] waar ook een grote hoeveelheid soft- en harddrugs is aangetroffen en er sprake is van een netwerk.
10. De burgemeester heeft zich – gelet op het voorgaande – redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is.
Is de sluiting van de woning evenredig?
11. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
11.1
Verzoekster stelt dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de harddrugs in de woning. Bovendien kampt zij en ook haar kinderen met de nodige persoonlijke/psychische problemen. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoekster onder meer een behandelplan van METggz overgelegd.
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester de woning mag sluiten voor de duur van 3 maanden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. van Dael, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
29 april 2024.
griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 april 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2019:2912.
In de uitspraken van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910, ECLI:NL:RVS:2022:1911, ECLI:NL:RVS:2022:1913 en ECLI:NL:RVS:2022:1916.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910 en 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:472.
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/2287
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. G.G.J. Geerlings),
en
de Burgemeester van de gemeente Roermond, de burgemeester
(gemachtigde: [Naam gemachtigde 1] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Aan verzoekster is een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat zij de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) moet sluiten en voor drie maanden gesloten moet houden.
1.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft de griffie van de rechtbank laten weten niet bereid te zijn het bestreden besluit te schorsen totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 25 maart 2024 – bij wijze van ordemaatregel – het bestreden besluit geschorst en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. D. Dronkers als waarnemer voor gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. Namens de burgemeester is tevens [Naam gemachtigde 2] verschenen.
Beoordeling
2. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang aanwezig is. Verzoekster en haar drie kinderen moeten immers de woning verlaten en hebben dan drie maanden lang geen toegang meer tot de woning.
2.2
De voorzieningenrechter zal een voorlopig oordeel geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit de woning te sluiten en aan de hand van een belangenafweging de vraag beantwoorden of – vooruitlopend op de beoordeling van het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit – een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
2.3
Beoordeling
Relevante feiten en omstandigheden
3. Verzoekster woont, samen met haar drie kinderen (2 meerderjarige kinderen en 1 minderjarig kind van thans 17 jaar) in de woning en is huurster van de woning. De woning is in eigendom van Grobel XII B.V.. Uit de bestuurlijke rapportage van 20 februari 2024 volgt dat er een onderzoek is gestart door de politie omdat het vermoeden bestond dat de woning fungeert als een opslagplaats voor verdovende middelen, geld en mogelijk een vuurwapen. Op 29 november 2023 is een onderzoek ingesteld in de woning en werd het volgende aangetroffen:
Stroomstootwapen;
Vilmes;
2x boksbeugel;
1655 euro contant geld;
2x mobiele telefoon;
Hasj (11,99 gram);
Hennep (0,27 gram);
Kristalvormig poeder (18,36 gram);
Verpakkingsdoos Rolex;
88 prepaid simkaarten.
De kristalachtige poeder is onderzocht middels een Firstdefender test en bleek een samenstelling van stoffen 3-CMC, genoemd op lijst I van de Opiumwet.
4. De burgemeester heeft hierop besloten de woning te sluiten omdat er in de woning een handelshoeveelheid soft- en harddrugs aanwezig was. De burgemeester heeft verzoekster op 6 maart 2024 laten weten dat hij het voornemen heeft de woning te sluiten. Verzoekster heeft schriftelijk haar zienswijze kenbaar gemaakt op 7 maart 2024. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen waarbij is besloten om de woning te sluiten voor drie maanden per 26 maart 2024.
5. Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Zij betwist de noodzakelijkheid en evenredigheid daarvan. Verzoekster vraagt primair het bestreden besluit (en dus de sluiting) te schorsen totdat onherroepelijk is beslist en subsidiair te schorsen voor de duur van de bezwaarprocedure.
6. De voorzieningenrechter komt tot het volgende (voorlopig) oordeel.
Toetsingskader
6.1
Voor de beoordeling geldt artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als wettelijk kader. Hierin is bepaald dat de burgemeester bevoegd is de woning te sluiten als – voor zover hier van belang – daarin een middel als bedoeld in lijst I en II van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. 3 CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Hasj/Hennep is vermeld op lijst II van de Opiumwet.
6.2
Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft de burgemeester het “Damoclesbeleid woningen en lokalen Roermond 2021” (Damoclesbeleid) vastgesteld. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning.
Uit artikel 4, eerste lid, van het Damoclesbeleid volgt dat bij een eerste constatering van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van softdrugs, wordt volstaan met het geven van een waarschuwing, tenzij sprake is van een ernstig geval. Indien sprake is van een ernstig geval wordt de woning gesloten voor de duur van één maand.
Uit artikel 4, vierde lid, van het Damoclesbeleid volgt dat bij een eerste constatering van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs, dan wel van strafbare voorbereidingshandelingen gerelateerd aan harddrugs, de woning wordt gesloten voor drie maanden.
6.3
Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter het toetsingskader in acht zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) die in de uitspraak van 28 augustus 2019 (hierna: de overzichtsuitspraak) uiteen heeft gezet. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient dan beoordeeld te worden in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van de woning noodzakelijk is, dan moet de sluiting ook nog evenredig te zijn.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
7. De voorzieningenrechter stelt hierover vast dat verzoekster de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten niet betwist. De gronden van verzoekster zijn gericht op de noodzaak en evenredigheid van de sluiting.
Is sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. In de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 is ingegaan op de beoordeling van de noodzaak van sluiting. Nadien is het toetsingskader verduidelijkt. Daaruit volgt dat alle relevante omstandigheden in ogenschouw moeten worden genomen. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij gaat het om de vraag of vanuit de woning werd gehandeld, maar ook om andere omstandigheden, zoals het aantreffen van harddrugs, een recidive situatie of de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen achten en geen aanleiding had hoeven zien om te volstaan met een minder ingrijpende maatregel (waarschuwing). Ook wanneer verzoekster gevolgd wordt in haar standpunt dat de in de bestuurlijke rapportage genoemde aangetroffen hoeveelheid softdrugs (12,26 gram) voor eigen gebruik is, is eveneens een handelshoeveelheid harddrugs (18,36 gram) aangetroffen in de woning. Daarnaast zijn er verschillende wapens, een groot bedrag aan cashgeld en 88 prepaid simkaarten in de woning aangetroffen, die kunnen worden aangemerkt als handelsindicatoren. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat verzoeksters woning een rol speelde in het drugscircuit. Dat levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als er geen overlast is geconstateerd. Verder heeft de burgemeester ook belang mogen toekennen aan het feit dat de woning een connectie heeft met een ander pand in [woonplaats] waar ook een grote hoeveelheid soft- en harddrugs is aangetroffen en er sprake is van een netwerk.
10. De burgemeester heeft zich – gelet op het voorgaande – redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is.
Is de sluiting van de woning evenredig?
11. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
11.1
Verzoekster stelt dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de harddrugs in de woning. Bovendien kampt zij en ook haar kinderen met de nodige persoonlijke/psychische problemen. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoekster onder meer een behandelplan van METggz overgelegd.
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester de woning mag sluiten voor de duur van 3 maanden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. van Dael, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
29 april 2024.
griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 april 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2019:2912.
In de uitspraken van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910, ECLI:NL:RVS:2022:1911, ECLI:NL:RVS:2022:1913 en ECLI:NL:RVS:2022:1916.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910 en 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:472.