Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-04-10
ECLI:NL:RBLIM:2024:1794
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,736 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10749937 CV EXPL 23-4413
Vonnis van de kantonrechter van 10 april 2024
in de zaak van:
SAWO BEHEER B.V.,
te Heerlen, eiseres,
gemachtigde: mr. P.M.H. Cruts,
tegen:
[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.P. Ruysink.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘Sawo’ en ‘ [gedaagde] ’.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van Sawo van 4 oktober 2023 met producties;
de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
de conclusie van repliek van Sawo met producties;
de conclusie van dupliek van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2Waar de zaak over gaat en wat de rechter beslist
2.1.
Op of omstreeks februari 2019 heeft [gedaagde] een auto van Sawo met kenteken [kenteken] zwaar beschadigd. [gedaagde] is op 28 juli 2023 strafrechtelijk veroordeeld voor de vernieling van de auto. Sawo stelt in deze procedure dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die hij aan de auto heeft toegebracht. Daarom vordert Sawo € 3.191,29 aan herstelkosten (zijnde de reparatiekosten van de auto inclusief btw), de wettelijke rente en de proceskosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering van Sawo en voert verweer. De kantonrechter wijst de vordering van Sawo grotendeels toe. Dit wordt hierna verder toegelicht.
Beoordeling
[gedaagde] heeft zich onrechtmatig gedragen tegenover Sawo
3.1.
Op grond van artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is degene die tegenover een ander een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander als gevolg daarvan lijdt, te vergoeden. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] zich onrechtmatig heeft gedragen tegenover Sawo.
3.2.
Art. 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Op 28 juli 2023 is [gedaagde] strafrechtelijk veroordeeld voor vernieling van de auto van Sawo. Dit houdt in dat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van dit feit, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs is niet door [gedaagde] geleverd.
3.3.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad tegenover Sawo. De schadecalculatie van 28 februari 2019 die is overgelegd door Sawo (productie 3 bij dagvaarding) vermeldt “ [naam bedrijf] ” als eigenaar van de auto. [gedaagde] stelt dat hieruit blijkt dat Sawo niet de eigenaar is (geweest) van de auto. Uit het overzicht van wijzigingen van de Kamer van Koophandel (productie 7 bij repliek) blijkt dat er op 30 maart 2018 een naamswijziging heeft plaatsgevonden van [naam bv] naar Sawo Beheer B.V. Vanaf 30 maart 2018 wordt de handelsnaam [handelsnaam] gevoerd. Hieruit leidt de kantonrechter af dat Sawo als eigenaar van de auto kan worden beschouwd.
3.4.
Er is verder niet gebleken van omstandigheden die het beschadigen van de auto rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande komt vast te staan dat [gedaagde] door het beschadigen van de auto een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd tegenover Sawo. [gedaagde] dient de schade die daarvan het gevolg is aan Sawo te vergoeden.
Schade
3.5.
Door [gedaagde] wordt de schade op zichzelf alsook de hoogte van de schade betwist. Hierna wordt kort ingegaan op wat [gedaagde] heeft aangevoerd.
3.6.
[gedaagde] betwist dat de gevorderde herstelkosten zijn gemaakt door Sawo. Hij voert aan dat Sawo zelf een garagebedrijf exploiteert, waardoor er een gerechtvaardigd vermoeden is dat Sawo de auto zelf (tegen lagere kosten) heeft gerepareerd en dat de factuur van Autoschade Heuvelland B.V. (productie 6 bij dagvaarding) niet is betaald. Dit wordt echter op geen enkele wijze onderbouwd door [gedaagde] . Het is slechts een vermoeden. Daarom wordt aan dit argument voorbij gegaan.
3.7.
Daarnaast betwist [gedaagde] dat de factuur van de reparatie gericht is aan Sawo omdat de factuur op een andere naam staat. Het klopt dat de factuur op naam van [naam bv] staat, maar zoals hiervoor is overwogen, is dat één van de handelsnamen van Sawo.
3.8.
[gedaagde] betwist verder dat de auto enkel WA-verzekerd was ten tijde van het incident, waardoor de herstelkosten lager zouden zijn dan € 3.191,29. Sawo heeft door middel van een notaspecificatie van haar verzekeraar (productie 8 bij repliek) onderbouwd
dat de auto ook in 2019 uitsluitend WA-verzekerd was. Dat de daadwerkelijk geleden schade van Sawo lager is dan zij stelt, is daarmee niet vast komen te staan.
Causaliteit en relativiteit
3.9.
Naar aanleiding van het voorgaande staat het causale verband tussen de onrechtmatige gedraging van [gedaagde] en de schade aan de auto van Sawo vast.
3.10.
Op grond van de wet bestaat geen verplichting tot schadevergoeding, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. De geschonden norm strekt tot bescherming van de schade zoals Sawo die heeft geleden. Door de auto te beschadigen heeft [gedaagde] immers inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Sawo. Er is dus voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.
3.11.
Aan alle vereisten van een onrechtmatige daad, zoals genoemd onder 3.1. is voldaan zodat [gedaagde] verplicht is de schade van Sawo te vergoeden.
Het verweer van de schadebeperkingsplicht wordt toegewezen
3.12.
[gedaagde] stelt als verweer dat Sawo verplicht is de schade te beperken, omdat de btw voor Sawo aftrekbaar is. Volgens [gedaagde] moet de btw daarom in mindering worden gebracht op de hoofdsom.
3.13.
Op grond van artikel 6:101 BW is Sawo inderdaad verplicht de schade te beperken. De door Sawo gevorderde btw over de hoofdsom is niet toewijsbaar, omdat, zoals [gedaagde] onweersproken heeft gesteld, Sawo de door haar betaalde btw bij de Belastingdienst kan terugvragen. Hierdoor wordt het btw component van de gevorderde herstelkosten, zijnde € 553,86, afgewezen.
Conclusie
3.14.
De gevorderde herstelkosten worden tot een bedrag van € 2.637,43 (€ 3.191,29 - € 553,86) toegewezen.
Wettelijke rente
3.15.
Sawo vordert daarnaast de wettelijke rente over de hoofdsom tot de datum van dagvaarding. Sawo noemt hierbij geen ingangsdatum van verzuim en noemt evenmin een bedrag dat [gedaagde] aan wettelijke rente verschuldigd zou zijn. De wettelijke rente zal daarom pas vanaf de datum van dagvaarding worden toegewezen, over het toe te wijzen bedrag van € 2.637,43.
Proceskosten
3.16.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten van Sawo worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de kant van Sawo als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
107,84
- griffierecht
€
487,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2,00 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
Totaal
€
1.189,84
3.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de in de beslissing te vermelden manier.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.18.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Sawo te betalen een bedrag van € 2.637,43 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te rekenen vanaf 4 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van Sawo tot dit vonnis vastgesteld op € 1.189,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2024.