Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-04-10
ECLI:NL:RBLIM:2024:1792
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,815 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10593025 \ CV EXPL 23-2830
Vonnis van 10 april 2024
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VOOR SOCIALE KREDIETVERLENING EN SCHULDHULPVERLENING IN LIMBURG, mede handelende onder de naam KREDIETBANK LIMURG, in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde], geboren [geboortedatum] 1957,
gevestigd en kantoorhoudend te Geleen,
gedaagde partij,
hierna te noemen formele procespartij: Kredietbank
hierna te noemen materiele procespartij: [naam onderbewindgestelde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tegen [naam onderbewindgestelde] uitgebrachte dagvaarding van 12 juli 2023 - het mondelinge, door de griffier op schrift gestelde, antwoord van Meulenberg
- de rolbeslissing van 26 juli 2023, waarbij is bepaald dat CZ de Kredietbank dient op te roepen om in het geding te verschijnen
- de tegen de Kredietbank uitgebrachte dagvaarding van 23 augustus 2023
- het antwoord van de bewindvoerder - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
CZ vordert - samengevat – de veroordeling van Kredietbank tot betaling van € 533,97 (bestaande uit een bedrag van € 459,75 aan hoofdsom, € 8,96 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 5,26 aan rente), vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[naam onderbewindgestelde] en de Kredietbank voeren verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Ambtshalve toetsing
3.1.
[naam onderbewindgestelde] is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.
Beoordeling
3.3.
CZ vordert in hoofdsom een bedrag van € 459,75 aan verschuldigde eigen bijdrage uit hoofde van een met [naam onderbewindgestelde] gesloten zogverzekeringsovereenkomst. [naam onderbewindgestelde] heeft verzuimd de eigen bijdrage over de periode 30/8/2022 t/m 14/10/2022 te voldoen.
3.4.
[naam onderbewindgestelde] heeft de vordering als zodanig niet betwist maar stelt zich op het standpunt dat hij in de veronderstelling was dat CZ de fysiobehandelingen zou vergoeden. Daarnaast voert hij aan de facturen niet te kunnen betalen nu hij moet leven van een bijstandsuitkering.
3.5.
Gebleken is dat de goederen van [naam onderbewindgestelde] onder bewind zijn gesteld. De Kredietbank, die als formele procespartij heeft te gelden en door CZ alsnog in het geding is geroepen, heeft in haar antwoord aangevoerd de verklaring van [naam onderbewindgestelde] over te nemen. Zij vult aan dat de fysiobehandelingen voor de bewindstelling hebben plaatsgevonden. Zij voert verder aan dat aan CZ een betalingsvoorstel is verzonden en dat zij maar beperkt heeft kunnen “sparen” nu [naam onderbewindgestelde] pas sinds 16 juni 2023 onder bewind is gesteld.
3.6.
De Kredietbank concludeert in haar verweer dat CZ gelijk heeft in haar vordering jegens [naam onderbewindgestelde] .
3.7.
CZ stelt naar aanleiding van het verweer dat [naam onderbewindgestelde] een basis verzekering heeft en geen aanvullende verzekering. CZ stelt verder dat zij de voorgestelde betalingsregeling heeft bevestigd, maar ondanks een verzonden herinnering is er geen betaling ontvangen.
3.8.
Het vorenstaande brengt met zich mee dat de gevorderde hoofdsom kan worden toegewezen, evenals de vervallen wettelijke rente.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
3.9.
CZ maakt tevens aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat CZ voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten van € 68,96 zullen worden toegewezen.
3.10.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
3.11.
Kredietbank is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,86
- griffierecht
€
322,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2,00 punten × € 135,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
856,86
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt Kredietbank om aan CZ te betalen een bedrag van € 533,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 459,75 vanaf 22 juni 2023, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt Kredietbank in de proceskosten aan de zijde van CZ, tot op heden begroot een bedrag van € 856,86,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op
10 april 2024