Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-25
ECLI:NL:RBLIM:2024:1630
Civiel recht
Proces-verbaal
1,255 tokens
Inleiding
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/320115 / HA ZA 23-305
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 25 maart 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.S.G. Lie,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.B.M. Rütten.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Maastricht.
De zaak wordt behandeld door mr. M. Driever, rechter, en mr. drs. J.C. Dubois als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] , bijgestaan door mr. Robijns, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. Lie,
- [gedaagde] , bijgestaan door zijn advocaat voornoemd.
De rechter gaat over tot de mondelinge behandeling en houdt de inhoud van het dossier voor. Het griffiedossier bestaat uit:
de dagvaarding met producties 1 en 2
de conclusie van antwoord
het formulier B8 met productie 3 van [eiser]
het formulier B8 met producties 1-4 van [gedaagde] .
Partijen verklaren dat zij elkaars stukken hebben ontvangen.
De rechter stelt vast dat beide partijen zijn verschenen en gaat over tot de mondelinge behandeling. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Zij hebben ook gereageerd op elkaars standpunten. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die zich in het dossier bevinden. De zitting is geschorst om te kijken of partijen een regeling treffen. Dat is niet het geval.
De rechter heeft daarna de mondelinge behandeling gesloten. Na de mondelinge behandeling heeft de rechter ter zitting de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
1De gronden van de beslissing
Onduidelijk is wie eigenaar is van de goederen waarvan [eiser] afgifte vordert. Bij dagvaarding lijkt [eiser] een beroep te doen op verdeling van gemeenschappelijke goederen; ter zitting voert hij aan dat de betaling van de betreffende goederen niets zegt over het eigendomsrecht op die goederen, maar dat de koopovereenkomst daarvoor beslissend is. Daarmee impliceert [eiser] een beroep te doen op revindicatie, gegrond op eigendomsrecht door hem alleen. Onvoldoende is gesteld dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom dan wel eigendom van [eiser] zelf. Het ene sluit het andere uit en het is [eiser] kennelijk zelf niet duidelijk van welke situatie sprake is. De rechtbank kan de vorderingen daarom niet toewijzen.
Voor beide grondslagen is bovendien vereist dat komt vast te staan dat de goederen gehouden worden door [gedaagde] . [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist houder van de goederen te zijn. Hij voert immers aan dat [eiser] in december 2022 in de woning is geweest en heeft meegenomen wat van hem is. Die betwisting sluit naadloos aan op de stelling in de dagvaarding dat [eiser] “zijn eigen bezittingen” heeft meegenomen. Daar stuit de vordering ook op af.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
86,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2,00 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.492,00
Dictum
De rechtbank
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.492,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M. Driever en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.